Terug

2013_CBS_03046 - VRB2009047. Opera voor Vlaanderen - Standpunt inzake dading. Collegiale brief - Goedkeuring

college van burgemeester en schepenen
vr 29/03/2013 - 09:00 Collegezaal, stadhuis
Goedgekeurd

Samenstelling

Aanwezig

Bart De Wever, burgemeester; Philip Heylen, schepen; Ludo Van Campenhout, schepen; Claude Marinower, schepen; Rob Van de Velde, schepen; Nabilla Ait Daoud, schepen; Liesbeth Homans, schepen; Roel Verhaert, stadssecretaris

Afwezig

Koen Kennis, schepen; Marc Van Peel, schepen; Serge Muyters, waarnemend korpschef

Secretaris

Roel Verhaert, stadssecretaris

Voorzitter

Bart De Wever, burgemeester
2013_CBS_03046 - VRB2009047. Opera voor Vlaanderen - Standpunt inzake dading. Collegiale brief - Goedkeuring 2013_CBS_03046 - VRB2009047. Opera voor Vlaanderen - Standpunt inzake dading. Collegiale brief - Goedkeuring

Motivering

Regelgeving: bevoegdheid

Volgens artikel 193 van het Gemeentedecreet beslist het college tot optreden in rechte namens de gemeente.

Aanleiding en context

De Opera voor Vlaanderen (OVV) is sinds 1988 in vereffening, maar kampt met een ernstige personeelsproblematiek, waardoor deze vereffening tot op heden niet kon worden afgesloten. De Vlaamse regering wenst door het afsluiten van een dading met het personeel aan alle lopende en toekomstige geschillen een einde te maken.

Met haar brief van 24 oktober 2012 vroeg de vereffenaar van de stad Antwerpen in de OVV instructies in verband met het dadingvoorstel van de Vlaamse regering. Het college beantwoordde deze met een collegiale brief op 21 december 2012 (jaarnummer 13386), waarin een aantal bezwaren werden geformuleerd bij het ontwerp van dading.

De Vlaamse Opera Organisatie (VLOO), eveneens in vereffening, nam in 1988 een deel van de verplichtingen van de OVV inzake personeel over. De Vlaamse regering wenst daarom met het personeel van de VLOO dezelfde dading af te sluiten.

Het college besliste op 1 februari 2013 (jaarnummer 963) om meester Christophe Coen van advocatenkantoor Dyck, kantoor houdende Mechelsesteenweg 210a, 2018 Antwerpen aan te stellen om als vertegenwoordiger van de stad Antwerpen deel te nemen aan de vergadering van de vereffenaars van de OVV en de VLOO, die gepland was in februari 2013 in verband met een dading met het personeel van die organisaties.

Op 5 februari 2013 legde de raadsman van de VLOO een memorandum neer, waarin op de voornaamste bezwaren van de steden Antwerpen en Gent als medeoprichters van de OVV en de VLOO werd geantwoord.

Op 6 februari 2013 had een vergadering plaats tussen de advocaten van de OVV en de VLOO, in aanwezigheid van een vertegenwoordiger van de Vlaamse Gemeenschap en van meester Coen (namens de stad Antwerpen), waar het memorandum werd besproken. Hier werd beslist dat de dading zou worden herwerkt, en dat steden begin maart aan de dading hun goedkeuring dienen te geven.

Op dezelfde datum ontving de stad de herwerkte versie van het voorstel van dading.

Argumentatie

De stad Antwerpen is niet rechtstreeks betrokken bij de genoemde dading, omdat de respectievelijke colleges van vereffenaars van de OVV en de VLOO optreden in de onderhandelingen met de Vlaamse regering en de betrokken personeelsleden. Tijdens de vergadering van 6 februari 2013 tussen de raadslieden van de betrokken organisaties werd gevraagd aan de betrokken gemeentebesturen om de dading goed te keuren. Vermits de stad Antwerpen geen partij is bij de dading, kan zij enkel een advies aan haar vertegenwoordiger in het college van vereffenaars van de OVV uitbrengen.

Mogelijk kan de dading gevolgen hebben voor de stad Antwerpen, die medeoprichter was van de OVV en de VLOO.

Het memorandum somt vier pijnpunten in het voorstel van dading op:

  • volgens het memorandum bestaat er geen juridische noodzaak om de rechtspositie van de stad Antwerpen af te dekken, omdat het personeel werd overgedragen aan onder andere de OVV en de VLOO, en het personeel bijgevolg tegen deze organisaties een rechtsvordering dient in te stellen;
  • tevens wordt volgens het memorandum de dading niet in het gedrang gebracht door het opnemen van een clausule over de aanvullende pensioenen van de personeelsleden, precies omdat het om aanvullende pensioenen gaat waarvan de regeling in tegenstelling tot de wettelijke pensioenen niet van openbare orde is. De stad heeft thans geen bezwaar meer tegen deze clausule in de dading;
  • eveneens wordt in het memorandum aangevoerd dat het eenzijdig beëindigen van het dienstverband van de personeelsleden via de dading mogelijk is, omdat het personeelsstatuut een dergelijk ontslag toelaat. Ondertussen werd een nieuw voorstel van dading voorgelegd, waarin de partijen samen het dienstverband beëindigen, maar mogelijk dient voor de personeelsleden die aanspraak kunnen maken op werkloosheidsuitkeringen vooraf een regeling met de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening te worden getroffen. De stad vraagt als medeoprichter van de OVV en van de VLOO wel de bevestiging van de verbintenissen die de Vlaamse regering destijds is aangegaan betreffende het ten laste nemen van het sociaal passief van de OVV en de VLOO;
  • de dading is enkel geldig onder de opschortende voorwaarde dat alle personeelsleden van zowel de OVV als van de VLOO instemmen met de dading, wegens de samenloop die het gevolg is van de vereffening van de OVV en de VLOO. De stad heeft hiertegen geen bezwaar.

Na verduidelijking is gebleken dat de dading aanvaardbaar is, omdat zij zowel voor de betrokken personeelsleden als de betrokken organisaties de meest optimale oplossing is. De Vlaamse regering voorziet immers in een budget voor de definitieve regeling van de (mogelijke) geschillen inzake het sociaal passief met de (voormalige) personeelsleden van de OVV en de VLOO, terwijl het actief van de OVV en de VLOO een dergelijke regeling niet toelaat. Daarom adviseert de stad aan haar vertegenwoordiger in het college van vereffenaars om de dading goed te keuren.

Juridische grond

Omdat de Opera voor Vlaanderen in 1988 in vereffening ging werden diens statuten nooit in overeenstemming gebracht met de vereisten van het decreet van 6 juli 2001 houdende de intergemeentelijke samenwerking, zodat de wet van 22 december 1986 betreffende de intercommunales van toepassing blijft.

Besluit

Het college van burgemeester en schepenen beslist:

Artikel 1

Het college keurt goed dat aan de vertegenwoordiger van de stad Antwerpen in het college van vereffenaars van de Opera voor Vlaanderen het advies wordt gegeven om het genoemde voorstel van dading goed te keuren.

Artikel 2

Het college keurt de collegiale brief aan de vereffenaar van de stad Antwerpen bij de Opera voor Vlaanderen goed, met de vraag aan de Vlaamse regering om de verbintenissen die deze destijds heeft aangegaan inzake het ten laste nemen van het sociaal passief van de Opera voor Vlaanderen en de Vlaamse Opera Organisatie te bevestigen.

Artikel 3

Dit besluit heeft in principe geen financiƫle gevolgen voor de stad of het OCMW.