Artikel 36,4° van Vlarem I bepaalt dat het college een uitspraak dient te doen over een milieuvergunningsaanvraag klasse 2.
Aanvrager: Instituut Dames Van Het Christelijk Onderwijs vzw - Lange Nieuwstraat 94 - 2000 Antwerpen. De aanvraag omvat de verdere exploitatie van een school.
Het college beslist op basis van het verslag van de dienst milieuvergunningen, dat als bijlage bij dit besluit is gevoegd.
Het milieuvergunningendecreet van 28 juni 1985, meermaals gewijzigd, en haar uitvoeringsbesluiten (Vlarem I en II) bepalen dat niemand zonder vergunning of melding een hinderlijk inrichting mag exploiteren.
Het college beslist een milieuvergunning klasse 2, zoals geformuleerd in de argumentatie, goed te keuren aan het Instituut Dames Van Het Christelijk Onderwijs vzw, Lange Nieuwstraat 94, 2000 Antwerpen, voor de inrichting gelegen op het zelfde adres. De vergunning heeft als voorwerp het exploiteren van een school.
Het college wijst erop dat de volgende algemene en sectorale voorwaarden van toepassing zijn:
algemene voorwaarden:
|
algemene milieuvoorwaarden – algemeen |
hoofdstuk 4.1, 4.7, 4.9 en bijlagen 4.1.9.1.6, 4.1.9.2.3.1, 4.1.9.2.3.2, 4.1.9.2.3.4 en 4.8; |
|
algemene milieuvoorwaarden – geluid |
hoofdstuk 4.5 en bijlagen 2.2.1, 2.2.2, 4.5.1, 4.5.2, 4.5.3, 4.5.4, 4.5.5 en 4.5.6; |
|
algemene milieuvoorwaarden – oppervlaktewater |
hoofdstuk 4.2 en bijlagen 4.2.5.1, 4.2.5.2 en 4.2.5.4. |
sectorale voorwaarden:
|
opslag van gevaarlijke stoffen / ondergrondse en bovengrondse houders |
afdeling 5.17.1 en bijlage 5.17.1; |
|
opslag van gevaarlijke stoffen: bovengrondse houders |
afdeling 5.17.3 en bijlagen 5.17.2 tot 5.17.4 en bijlage 5.17.7; |
|
schouwspelzalen |
afdelingen 5.32.3, 5.32.4 en 5.32.5; |
|
niet in rubriek 2 en 28 begrepen verbrandingsinrichtingen - algemene bepalingen en immissiecontroleprocedures |
afdeling 5.43.1 + 5.43.4.; |
|
niet in rubriek 2 en 28 begrepen verbrandingsinrichtingen - stookinstallaties, met uitzondering van gasturbines en stoom- en gasturbine-installaties – kleine stookinstallaties (300 kW – 5 MW) |
subafdeling 5.43.2.3. |
Het college beslist dat de exploitant de volgende bijzondere voorwaarde en brandweervoorwaarden dient na te leven:
Bijzondere voorwaarde:
Brandbestrijdingsmiddelen:
1. Muurhaspels met axiale voeding (conform NBN EN 671-1) aangesloten via een aange-paste leiding op de openbare waterbedeling of ander gelijkwaardig voedingssysteem, die een op oordeelkundig gekozen plaatsen opgesteld zodanig dat elk punt van de inrichting kan bespoten worden. Hun aantal wordt zodanig bepaald dat de af te leggen afstand vanaf om het even welk punt tot het dichtst bijgelegen toestel niet meer bedraagt dan de lengte van de gebruikte haspels. De haspels dienen gevoed met een leiding onder druk zodanig dat het debiet bij de minst bedeelde haspel gelijk is aan of groter dan 24 liter per minuut. De leidingen voor bluswater dienen vervaardigd in staal of in een metaal dat minstens dezelfde waarborgen biedt. De geplaatste muurhaspels dienen voorzien van een vergrendeling derwijze dat men het afsluitmondstuk niet kan verwijderen zonder het openen van een handbediende afsluiter op de watertoevoer.
2. Snelblustoestellen van minstens één bluseenheid conform NBN EN 3-7 - bij voorkeur 6 kg poeder type ABC - dienen aangebracht op volgende plaatsen:
- nabij elke muurhaspel
- in risico-lokalen (labo’s, keukens, ateliers, …)
Verder dient men de overige snelblustoestellen van minstens één bluseenheid doelmatig te verdelen over de inrichting tot men in totaal over 1 toestel per 150 m² beschikt.
3. Enkele trappen moeten gecompartimenteerd worden zodat steeds een gecompartimenteerd trappenhuis te bereiken is. Om brand- en rookuitbreiding te voorkomen moeten de verschillende vleugels ten opzichte van elkaar gecompartimenteerd worden.
4. In het gebouw dienen maatregelen genomen om melding van brand en alarm door te geven.
5. In ieder labo dient een centrale drukknop voorzien welke iedere brandstof- en gastoevoer onmiddellijk afsluit. Deze lokalen moeten eveneens goed geventileerd kunnen worden.
6. De inrichting moet voorzien worden van veiligheidsverlichting, die onmiddellijk en automatisch in dienst treedt bij het uitvallen van de stroom. Minimaal dienen armaturen aangebracht te worden boven elke uitgangsdeur, in alle evacuatiewegen (gangen en trappen), in de nabijheid van de brandbestrijdingsmiddelen en in alle lokalen die uitsluitend door kunstlicht bediend worden. De veiligheidsverlichting dient verder uitgebreid te worden zodanig dat de plaatsing en de verlichtingssterkte voldoende is om een gemakkelijke ontruiming te waarborgen. De veiligheidsverlichting moet tenminste gedurende 1 uur zonder onderbreking kunnen functioneren.
7. Een interventieplan dient opgesteld te worden voor de volledige instelling. Aan de hoofdinkom(men) van de instelling dient in een daartoe voorzien rood kastje voor de brandweer het interventieplan bewaard te worden, evenals alle noodzakelijke sleutels om toegang te verschaffen tot afgesloten lokalen en serviceflats.
Het rood kastje dient duidelijk zichtbaar gesignaleerd te zijn door middel van het op-schrift: "brandweer interventieplan" en het logo van brandweer Antwerpen.
Als richtlijn voor het opstellen van het interventieplan wordt gebruikt gemaakt van het "Technisch Dossier nummer 114 van het ANPI.
8. Verschillende mensen moeten worden opgeleid om in geval van brand of een incident adequaat te kunnen optreden. Ze moeten samen een interventieploeg kunnen vormen en voorbereid zijn op hun taken (aansturen ontruiming, eerste bluspoging, afsluiten gas en elektra, opvang brandweer, organiseren evacuatieoefeningen, …)
Het college beslist dat de milieuvergunning ingaat op 14 juni 2013 en eindigt op 14 juni 2033.