Terug

2013_CBS_05872 - Milieuvergunningen Vlarem klasse 2 - Kinepolis Mega nv - Groenendaallaan 394 - 2030 Antwerpen. Dossiernummer AN2013/193/JW - Goedkeuring

college van burgemeester en schepenen
vr 14/06/2013 - 09:00 Collegezaal, stadhuis
Goedgekeurd

Samenstelling

Aanwezig

Bart De Wever, burgemeester; Koen Kennis, schepen; Ludo Van Campenhout, schepen; Claude Marinower, schepen; Marc Van Peel, schepen; Rob Van de Velde, schepen; Liesbeth Homans, schepen; Roel Verhaert, stadssecretaris

Afwezig

Philip Heylen, schepen; Nabilla Ait Daoud, schepen; Serge Muyters, waarnemend korpschef; Patrick Van Hoof, plaatsvervangend korpschef

Secretaris

Roel Verhaert, stadssecretaris

Voorzitter

Bart De Wever, burgemeester
2013_CBS_05872 - Milieuvergunningen Vlarem klasse 2 - Kinepolis Mega nv - Groenendaallaan 394 - 2030 Antwerpen. Dossiernummer AN2013/193/JW - Goedkeuring 2013_CBS_05872 - Milieuvergunningen Vlarem klasse 2 - Kinepolis Mega nv - Groenendaallaan 394 - 2030 Antwerpen. Dossiernummer AN2013/193/JW - Goedkeuring

Motivering

Gekoppelde besluiten

Regelgeving: bevoegdheid

Artikel 36,4° van Vlarem I bepaalt dat het college een uitspraak dient te doen over een milieuvergunningsaanvraag klasse 2.

Aanleiding en context

Aanvrager: Kinepolis Mega nv - Eeuwfeestlaan 20 - 1020 Brussel. De aanvraag omvat het verder exploiteren van een bioscoopcomplex.

Argumentatie

Het college beslist op basis van het verslag van de dienst milieuvergunningen, dat als bijlage bij dit besluit is gevoegd.

Juridische grond

Het milieuvergunningendecreet van 28 juni 1985, meermaals gewijzigd, en haar uitvoeringsbesluiten (Vlarem I en II) bepalen dat niemand zonder vergunning of melding een hinderlijk inrichting mag exploiteren.

Besluit

Het college van burgemeester en schepenen beslist:

Artikel 1

Het college beslist een milieuvergunning klasse 2, zoals geformuleerd in de argumentatie, goed te keuren aan Kinepolis Mega nv, Eeuwfeestlaan 20, 1020 Brussel, voor de inrichting gelegen te 2030 Antwerpen, Groenendaallaan 394. De vergunning heeft als voorwerp het verder exploiteren van een bioscoopcomplex.

Artikel 2

Het college wijst erop dat de volgende algemene en sectorale voorwaarden van toepassing zijn:

 Algemene voorwaarden:

algemene milieuvoorwaarden

(hoofdstuk 4.1);

algemene milieuvoorwaarden, geluid

(hoofdstuk 4.5);

algemene milieuvoorwaarden, oppervlaktewater

(hoofdstuk 4.2);

algemene milieuvoorwaarden, lucht

(hoofdstuk 4.4 en bijlagen 4.4.1 tot 4.4.6. en 4.10);

algemene milieuvoorwaarden, licht

(hoofdstuk 4.6).

 Sectorale voorwaarden:

elektriciteit

(hoofdstuk 5.12);

gassen, algemeen

(hoofdstuk 5.16, afdeling 5.16.1);

gassen, compressoren en koelinrichtingen

(hoofdstuk 5.16, afdeling 5.16.3);

gassen, opslagplaatsen in verplaatsbare recipiënten

(hoofdstuk 5.16, afdeling 5.16.5);

gevaarlijke producten, algemene bepalingen

(hoofdstuk 5.17, afdeling 5.17.1);

gevaarlijke producten, opslag in bovengrondse houders

(hoofdstuk 5.17, afdeling 5.17.3);

motoren met inwendige verbranding

(hoofdstuk 5.31)

schouwspelzalen, bioscopen

(hoofdstuk 5.32, afdelingen 5.32.3 en 5.32.5);

verbrandingsinrichtingen – algemene bepalingen

(hoofdstuk 5.43, afdeling en 5.43.1 en 5.43.4);

verbrandingsinrichtingen – kleine stookinstallaties

(hoofdstuk 5.43, subafdeling 5.43.2.3).

 

Artikel 3

Het college beslist dat de exploitant de volgende bijzondere- en brandweervoorwaarden dient na te leven:

Bijzondere voorwaarde:

  • de exploitant onderzoekt de mogelijkheid om hemelwater op te vangen en te gebruiken als alternatief voor leidingwater. De exploitant gaat eveneens na binnen welke tijdspanne dit alternatief kan worden gerealiseerd. De exploitant maakt van deze bevindingen een rapport op dat wordt overgemaakt aan de vergunningverlenende overheid binnen een termijn van 6 maanden na het verlenen van de vergunning.

Brandweervoorwaarden:

Onafhankelijk van de verplichtingen aan de houder van de milieuvergunning opgelegd via de vigerende milieureglementering alsmede via het milieuvergunningsbesluit, en onverminderd de maatregelen ter voorkoming en bestrijding van brand, door de houder van de milieuvergunning te treffen in uitvoering van de algemene en sectorale milieuvoorwaarden, dient de houder van de milieuvergunning reeds te voorzien in de hiemavermelde blusmiddelen voor eerste tussenkomst:

1. Rondom de inrichting dienen, op onderlinge afstanden van circa 80 meter, bovengrondse hydranten, van het type BH 100, volgens de norm NBN S 21.019 geplaatst te worden, welke mogen aangesloten worden, met een aansluiting van het directe type op een leiding van minimaal 6" hetzij op het net van de openbare waterleiding, hetzij in eigen beheer gevoed, waarbij tenminste gedurende 2 uren voldoende waterdebiet onder de vereiste druk kan geleverd worden.

De uitgeefkanten van 70 mm diameter dienen bijkomend met gepaste afsluitkranen te worden uitgerust.

De aansluiting op het voedingsnet dient zodanig te zijn dat het maximum debiet onmiddellijk beschikbaar is bij gebruik van de hydranten.

2. Muurhaspels met axiale voeding (conform NBN EN 671-1) + muurhydrant (volgens de norm NBN 571 en voorzien van vaste koppelstukken doormeter 45 mm volgens KB van 30 januari 1975) met gemeenschappelijke watertoevoer met een binnendiameter van tenminste 70 mm dienen op oordeelkundig gekozen plaatsen opgesteld zodanig dat elk punt van de inrichting kan bespoten worden.

Hun aantal wordt zodanig bepaald dat de af te leggen afstand vanaf om het even welk punt tot het dichtst bijgelegen toestel niet meer bedraagt dan de lengte van de gebruikte haspels.

De haspels dienen gevoed met een leiding onder druk zodanig dat het debiet bij de minst bedeelde haspel gelijk is aan of groter dan 24 liter per minuut.

De leidingen voor bluswater dienen vervaardigd in staal of in een metaal dat minstens dezelfde waarborgen biedt.

De geplaatste muurhaspels dienen voorzien van een vergrendeling derwijze dat men het afsluitmandstuk niet kan verwijderen zonder het openen van een handbediende afsluiter op de watertoevoer.

3. Snelblustoestellen van minstens één bluseenheid conform NBN EN 3-7 - bij voorkeur 6 kg poeder type ABC - dienen aangebracht op volgende plaatsen:

• bij elke haspel

• 1 stuk

Verder dient men de overige snelblustoestellen van minstens één bluseenheid conform NBN EN 3-7 - bij voorkeur 6 kg poeder type ABC - doelmatig te verdelen over de inrichting tot men in totaal over 1 toestel per 150 m² beschikt.

Deze dienen verder aangevuld met snelblustoestellen van minstens één bluseenheid conform NBN EN 3-7 - bij voorkeur 6 kg poeder type ABC - bij elk punt of lokaal met verhoogd risico, zoals ondermeer pompen, compressoren, lasposten, belangrijke elektriciteitsborden, enz.

Maximaal de helft van de snelblustoestellen van tenminste één bluseenheid conform NBN EN 3-7 mag vervangen worden door voldoende aantal mobiele blusapparaten van tenminste 10 bluseenheden conform NBN EN 3-7 en NBN EN 1866, opdat het minimum aantal bluseenheden bereikt wordt.

4. Een snelblustoestel van 5 kg CO2 – 1/2 bluseenheid conform NBN EN 3-7 – dient aangebracht nabij de toegang tot de hoogspanningscabine.

5. In het gebouw dienen maatregelen genomen om melding van brand en alarm door te geven.

6. De inrichting moet voorzien worden van veiligheidsverlichting, die onmiddellijk en automatisch in dienst treedt bij het uitvallen van de stroom.

Minimaal dienen armaturen aangebracht te worden boven elke uitgangsdeur, in alle evacuatiewegen (gangen en trappen), in de nabijheid van de brandbestrijdingsmiddelen en in alle lokalen die uitsluitend door kunstlicht bediend worden.

De veiligheidsverlichting dient verder uitgebreid te worden zodanig dat de plaatsing en de verlichtingssterkte voldoende is om een gemakkelijke ontruiming te waarborgen.

De veiligheidsverlichting moet tenminste gedurende 1 uur zonder onderbreking kunnen functioneren.

Artikel 4

Het college beslist dat de milieuvergunning ingaat op 14 juni 2013 en eindigt op 14 juni 2033.

Artikel 5

Dit besluit heeft in principe geen financiƫle gevolgen voor de stad of het OCMW.