Artikel 43 van het Gemeentedecreet van 15 juli 2005 stelt dat de gemeenteraad bevoegd is voor de beslissingen tot oprichting van, deelname aan of vertegenwoordiging in instellingen, verenigingen en ondernemingen.
De stad Antwerpen is deelnemer in de opdrachthoudende Intercommunale Grondbeleid en Expansie Antwerpen Milieu en Veiligheid (IGEAN milieu en veiligheid).
Het decreet van 6 juli 2001 betreffende de intergemeentelijke samenwerking voorziet dat binnen de eerste drie maanden van het jaar volgend op dat van de gemeenteraadsverkiezingen, een algemene vergadering wordt bijeengeroepen waarbij tot een algehele vernieuwing van de raad van bestuur wordt overgegaan, voor zover de raden van de deelnemende besturen die de voordracht moeten doen, reeds in hun nieuwe samenstelling vergaderd hebben.
De stad Antwerpen mag 1 afgevaardigde voordragen voor de raad van bestuur van IGEAN milieu en veiligheid en het directiecomité van IGEAN milieu en veiligheid.
Artikel 29 van de statuten van Igean milieu en veiligheid bepaalt dat er een adviescomité milieu wordt opgericht dat bestaat uit de schepenen van leefmilieu van de betrokken deelnemers.
Het decreet van 6 juli 2001 betreffende de intergemeentelijke samenwerking.
De gemeenteraad keurt eenparig artikel 4 goed.
De gemeenteraad neemt kennis van artikel 5.
Bij artikelen 1, 2 en 3 wordt er geheim gestemd.
De gemeenteraad beslist met 39 stemmen tegen 13, er is 1 onthouding en 1 raadslid bracht geen stem uit om Koen Raets voor te dragen bij IGEAN milieu en veiligheid voor een mandaat als bestuurder.
De gemeenteraad beslist met 39 stemmen tegen 13, er is 1 onthouding en 1 raadslid bracht geen stem uit om Koen Raets voor te dragen bij IGEAN milieu en veiligheid voor een mandaat in het directiecomité.
De gemeenteraad beslist met 40 stemmen tegen 13 en 1 raadslid bracht geen stem uit om de schepen voor jeugd, leefmilieu en dierenwelzijn, Nabilla Ait Daoud, af te vaardigen naar het adviescomité milieu van Igean milieu en veiligheid.
De gemeenteraad beslist dat de stadsafgevaardigde, bij het uitoefenen van de verplichtingen verbonden aan de afvaardiging, steeds het bestuursakkoord als uitgangspunt moet nemen en waar nodig dient te overleggen met het college.