De demografische evolutie, in het bijzonder de vergroening en verzilvering van de bevolking, doet de behoefte aan bijkomende voorzieningen zoals kinderdagverblijven, scholen, serviceflats en rust- en verzorgingsinstellingen ontstaan.
De richtlijn 2008/50/EG betreffende de luchtkwaliteit en schonere lucht voor Europa bevat luchtkwaliteitsnormen voor verschillende polluenten waaronder stikstofdioxide (NO2) en fijn stof en dringt erop aan dat de blootstelling van de bevolking tot het minimum wordt beperkt. Specifiek voor kwetsbare groepen (kinderen, ouderen en mensen met luchtweg- en hartaandoeningen) moeten gezondheidsaspecten in acht genomen worden.
Bij gebrek aan een duidelijk afwegingskader worden Vlaamse gezondheidsadviezen over de inplanting of capaciteitsuitbreiding van genoemde voorzieningen op dit ogenblik gebaseerd op de voorschriften van het Nederlandse Landelijk Besluit voor gevoelige bestemmingen (2008) en de, strengere, Amsterdamse richtlijn met betrekking tot gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit (2009). Daarin wordt aangegeven dat de bouw van nieuwe scholen en andere bestemmingen voor gevoelige groepen op een ruime afstand van drukke wegen moet gebeuren. Zogenaamde gevoelige bestemmingen kunnen volgens deze richtlijn niet gebouwd worden binnen een afstand van minder dan 300 meter van de rand van een snelweg of binnen 50 meter van de rand van een provinciale weg. Ook voor drukke lokale wegen met een verkeersintensiteit van meer dan 10.000 motorvoertuigbewegingen per etmaal is bepaald dat binnen een afstand van 50 meter gemeten van de rand van de weg geen gevoelige bestemmingen in de eerstelijnsbebouwing ingeplant worden.
De lineaire toepassing van de Amsterdamse afstandsrichtlijnen maakt een groot deel van de beschikbare ruimte in de stad Antwerpen onbruikbaar voor inplanting of uitbreiding van gevoelige bestemmingen. Bovendien houdt deze richtlijn geen rekening met andere factoren die een belangrijke impact op de luchtkwaliteit hebben.
De Amsterdamse richtlijn is geschikt om als handvat te gebruiken bij gebrek aan detailgegevens over de lokale context. Ze heeft echter ook een aantal beperkingen en gaat voorbij aan factoren die de lokale leefomgevingskwaliteit positief kunnen beïnvloeden. Zo houdt ze geen rekening met de reële of berekende luchtkwaliteit in, met bestaande bufferzones, overheersende windrichting, meteorologie, verhoogde of verdiepte ligging van de weg, verkeerssamenstelling (aandeel vrachtwagens) of milderende maatregelen die genomen worden om de gebruikers van de genoemde instellingen afdoende te beschermen.
Rechtlijnige toepassing van de Amsterdamse richtlijn is bijgevolg niet werkbaar in de Antwerpse context door de aanwezigheid van een snelweg en een aantal drukke gewestwegen die tot in de kernstad doordringen. Gezien de beschikbaarheid van gegevens op detailniveau wordt daarom een meer genuanceerd en door modelberekeningen onderbouwd afwegingskader voorgesteld. Nieuwe ontwikkelingen kunnen namelijk afgetoetst worden aan de luchtkwaliteitskaarten die voor Antwerpen zijn opgemaakt. De kaarten zijn aangemaakt op basis van de Europese normen voor verschillende polluenten, in functie van een lokaal actieplan (in opdracht van het stadsbestuur) en met het oog op de implementatie van bijkomende maatregelen in het kader van de uitstelaanvraag voor NO2 (in opdracht van de Vlaamse overheid).
Uit de luchtkwaliteitskaarten blijkt voor Antwerpen de volgende situatie :
De NO2-luchtkwaliteitskaarten geven het beste weer welke zones in Antwerpen omwille van polluenten afkomstig van verkeer minder geschikt zijn voor inplanting of uitbreiding van gevoelige bestemmingen. Het voorstel van afwegingskader voor stadsontwikkelingsprojecten, vooral nieuwbouw- of uitbreidingsplannen met betrekking tot gevoelige bestemmingen, vertrekt bijgevolg van de beschikbare luchtkwaliteitskaarten voor Antwerpen en de Europese norm voor NO2 van 40 µg/m³, met een prognose van de toestand in 2015.
Bij toepassing van het afwegingskader voor de beoordeling van vergunningsaanvragen worden volgende stappen in de beslissingsboom doorlopen:
Bijkomende milderende maatregelen zijn, waar mogelijk gecumuleerd, noodzakelijk op drie niveaus: bovenlokaal, lokaal en op gebouwniveau.
De voorgestelde werkmethode zal nog steeds een belangrijke impact hebben op de realiseerbaarheid van geplande stadsontwikkelingsprojecten in Antwerpen (waaronder scholen, kinderopvang …). Om de stadsontwikkeling, leefbaarheid en groei van de stad niet te hypothekeren dringen bijgevolg bijkomende maatregelen aan de bron zich op. Eerder besliste het Antwerpse stadsbestuur om een lage emissiezone in te voeren met het oog op de verbetering van de stedelijke luchtkwaliteit. Zoals gestipuleerd in Pact2020 (ViA) zijn ook andere, bovenlokale, brongerichte maatregelen vereist om een verdere inkrimping van de overschrijdingsgebieden en een drastische reductie van de luchtverontreiniging te realiseren.
Om een implementatie van het afwegingskader nauwkeurig uit te voeren is een driejaarlijkse actualisatie van de luchtkwaliteitskaarten wenselijk. Daarnaast moet voor de effectberekening van maatregelen door microsimulaties een raamcontract worden afgesloten met een expertbureau. Als aanvulling van de effectberekening voor de verschillede maatregelen is het ook belangrijk dat er een gerichte en actuele controle kan uitgeoefend worden op de stedelijke luchtkwaliteit, zoals in de Europese richtlijn is aanbevolen. Daarbij is een verdere uitbreiding van het bestaande luchtkwaliteitsmeetnet van de VMM met bijkomende meetposten langs de Ring, op een stedelijke achtergrond en op een druk verkeerspunt in de kernstad onontbeerlijk.
In de collegiale brief aan de Vlaamse regering wordt er op gewezen dat er nood is aan een duidelijk en genuanceerd afwegingskader om vergunningsaanvragen voor stadsontwikkelingsprojecten in het algemeen en gevoelige bestemmingen in het bijzonder te kunnen beoordelen. De zogenaamde Amsterdamse richtlijn die voorlopig in gezondheidsadviezen voor deze gevoelige bestemmingen wordt gehanteerd is onvoldoende afgestemd op de Antwerpse context. Het college verzoekt de Vlaamse overheid daarom om het voorgestelde afwegingskader goed te keuren en de verdere verfijning ervan te ondersteunen. De collegiale brief wordt ook verzonden aan de bevoegde Vlaamse ministers voor leefmilieu, welzijn, onderwijs, mobiliteit en ruimtelijke ordening.
Het college keurt het afwegingskader voor inplanting van functies in relatie tot luchtkwaliteit goed en beslist om dit afwegingskader vanaf nu te gebruiken bij de beoordeling van bouwvergunningen
Het college keurt de collegiale brieven aan de Vlaamse regering met het betrekking tot het afwegingskader goed.
Het college geeft opdracht aan:
| Dienst | Taak |
| SW/EMA | Actualiseren van de luchtkwaliteitskaarten |
| GAC | Raamcontract afsluiten om op microniveau impact van lokale en gebouwgebonden maatregelen te simuleren |
| Betrokken entiteiten | Bij voorbereiding vergunningsaanvragen afwegingskader in rekening brengen en indien vereist milderende maatregelen voorzien |