Volgens artikel 57, §1, 9° is het college bevoegd voor het vertegenwoordigen van de gemeente in buitengerechtelijke gevallen.
De gemeenteraad stelde op 19 november 2012 (jaarnummer 1267) de gecoördineerde versie van de rechtspositieregeling van het stadspersoneel vast.
De gouverneur schorste met haar besluit van 19 februari 2013 artikel 2, §2 van titel 6.1 salaris en bijlage I van titel 3.1, dit laatste voor wat de modaliteiten algemene aanwervingsvoorwaarden en de modaliteiten specifieke voorwaarden betreft.
De schorsing werd door de toezichthoudende overheid als volgt gemotiveerd.
Volgens artikel 2, §2 van titel 6.1 salaris volstaat het dat de beroepservaring die in aanmerking wordt genomen voor het vaststellen van de geldelijke anciënniteit wordt aangetoond door een verklaring op eer en een vermelding op de curriculum vitae. Het stadsbestuur kan contact opnemen met de betrokken werkgever voor verificatie van de tewerkstelling. Volgens de toezichthoudende overheid zou dit ingaan tegen artikel 115 van het besluit van de Vlaamse regering van 7 december 2007 houdende onder andere de minimale voorwaarden van de rechtspositieregeling van het stadspersoneel (verder “besluit rechtspositieregeling” genoemd), volgens welke het personeelslid zelf de bewijsstukken van de gepresteerde diensten dient te leveren.
Van bijlage I schorste de toezichthoudende overheid de “modaliteiten algemene aanwervingsvoorwaarden”, waarin voor het bewijs van het voldoen aan de diplomavoorwaarden, het bewijs van de taalkennis en het bewijs van de relevante beroepservaring om in aanmerking te komen voor de hogere rangen van de niveaus A, B, C en D een curriculum vitae en een verklaring op eer is vereist. Tevens schorste de gouverneur van deze bijlage de “modaliteiten specifieke voorwaarden”, volgens welke het bezit van een vereist diploma, getuigschrift, doctoraat of bekwaamheidsakte kan aangetoond worden door een verklaring op eer dat men in het bezit is van het gevraagde diploma. Dit zou in strijd zijn met artikel 17, §2 van het genoemde besluit van de Vlaamse regering. Volgens dit artikel moet de aanstellende overheid de geldigheid van de kandidaturen en de voorgelegde bewijzen beoordelen en beslissen welke kandidaten tot de selectie worden toegelaten, zodat de bewijzen voor de selectieprocedure moeten worden voorgelegd. Omdat een verklaring op eer geen bewijs zou zijn in de zin van het genoemde artikel 17, §2, is het niet mogelijk om de kandidaten, die de vereiste stukken niet voorleggen, toe te laten tot de selectie.
De toezichthoudende overheid schorst bijgevolg de genoemde bepalingen uit de rechtspositieregeling omdat de verklaring op eer niet als een bewijs in de zin van artikel 17, §2 en 115 van het besluit rechtspositieregeling zou gelden.
De stad hecht er een groot belang aan dat kandidaten voor een functie voldoen aan de benoemingsvoorwaarden, en doet op dit vlak geen enkele toegeving. Voorts wijkt de rechtspositieregeling van de stad slechts af van het besluit rechtspositieregeling voor zover dit laatste de stad daartoe een discretionaire bevoegdheid geeft.
Het invoeren van de verklaring op eer in bovengenoemde gevallen werd ingegeven door de behoefte aan een administratieve vereenvoudiging in het voordeel van de klant, en ten bate van een betere benutting van het personeel waarover de stad beschikt. Fraude wordt uitgesloten of tot aanvaardbare proporties beperkt door de strenge sancties die er staan op het afleggen van valse verklaringen. Statutaire personeelsleden kunnen worden ontslagen omdat zij niet voldoen aan de benoemingsvoorwaarden of bij tuchtmaatregel, en contractuele personeelsleden kunnen worden ontslagen met een dringende reden wegens het afleggen van een valse verklaring. Het invoeren van de verklaring op eer is niet in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur. Het optreden van een bestuur vereist inderdaad de uiterste zorgvuldigheid, maar het zorgvuldigheidsbeginsel wordt ook getemperd door het beginsel van de redelijkheid, vooral wanneer een bestuur de middelen waarover het beschikt zuinig en optimaal moet aanwenden om zijn opdrachten tegenover de burger te kunnen vervullen.
Artikel 115 bepaalt niet op welke wijze het bewijs moet worden geleverd van de gepresteerde diensten. Ook het verslag aan de Vlaamse regering behorende bij het besluit rechtspositieregeling specificeert niet dat dit bewijs door middel van attesten dient te worden geleverd. De verklaring op eer is eveneens een geldig bewijsmiddel, ook omdat bij de minste twijfel of bij wijze van steekproef het bestuur contact kan opnemen met de betrokken werkgever om de gepresteerde diensten te verifiëren. Wenst een personeelslid een dergelijke verificatie te vermijden, kan het nog steeds attesten binnen brengen. Het bewijs door middel van attesten sluit bovendien geenszins fraude uit, terwijl de genoemde verificatie bij de werkgever de kans op fraude gevoelig kan beperken. Bovendien is een personeelslid gebonden door de eed, zodat er strenge sancties mogelijk zijn, wanneer fraude wordt vastgesteld.
Artikel 17 bepaalt weliswaar dat voor de deelname aan een selectieprocedure een kopie of gewoon afschrift van de bewijzen volstaat, waarbij eventuele eensluidend verklaarde afschriften alleen worden gevraagd aan de kandidaten die geslaagd zijn voor de selectie. Dit artikel bepaalt geenszins dat het bewijs inzake het voldoen aan de algemene en specifieke aanwervingsvoorwaarden moet worden geleverd door het voorleggen van een afschrift van de bewijzen, maar wel dat het niet vereist is om eensluidend verklaarde stukken voor te leggen. Een verklaring op eer betreffende het curriculum vitae is bijgevolg geenszins uitgesloten, temeer omdat het bestuur steeds de originele documenten kan opvragen bij de kandidaat. Wanneer een diploma wettelijk is vereist, moet het steeds worden voorgelegd.
Op grond van bovenstaande overwegingen dienen de geschorste onderdelen uit de rechtspositieregeling te worden gehandhaafd.
Artikel 248 en volgende van het Gemeentedecreet betreffende het bestuurlijke toezicht.
De rechtspositieregeling van het stadspersoneel zoals goedgekeurd door de gemeenteraad op 30 januari 2012 (jaarnummer 70) en gewijzigd op 24 september 2012 (jaarnummer 881) en 19 november 2012 (jaarnummer 1267).
Het college neemt kennis van het besluit van de gouverneur van 19 februari 2013, waarbij artikel 2, §2 en bijlage I (voor wat betreft de in het schorsingsbesluit geciteerde onderdelen van de “modaliteiten algemene aanwervingsvoorwaarden” en de “modaliteiten specifieke voorwaarden”) van de rechtspositieregeling in uitvoering worden geschorst.
Het college beslist om de in artikel 1 genoemde onderdelen van de rechtspositieregeling te rechtvaardigen op grond van bovenstaande motivering.
Het college beslist om de provinciegouverneur in kennis te stellen van dit rechtvaardigingsbesluit.