Artikel 36,4° van Vlarem I bepaalt dat het college een uitspraak dient te doen over een milieuvergunningsaanvraag klasse 2.
Aanvrager: New Northern Railway Center nv - Klinkaardstraat 202, 2950 Kapellen. De aanvraag omvat de exploitatie van een nieuwe inrichting voor de opslag van niet IMDG-goederen en tabak.
Het college beslist op basis van het verslag van de dienst milieuvergunningen, dat als bijlage bij dit besluit is gevoegd.
Het milieuvergunningendecreet van 28 juni 1985, meermaals gewijzigd, en haar uitvoeringsbesluiten (Vlarem I en II) bepalen dat niemand zonder vergunning of melding een hinderlijk inrichting mag exploiteren.
Het college beslist een milieuvergunning klasse 2 goed te keuren aan New Northerm Railway Center nv, Klinkaardstraat 202, 2950 Kapellen, om op de percelen gelegen te 2030 Antwerpen, Noorderlaan 660, opslagplaatsen voor niet IMDG-goederen en tabak te exploiteren.
Het college wijst erop dat de volgende algemene en sectorale milieuvoorwaarden van toepassing zijn:
Algemene milieuvoorwaarden:
|
algemene milieuvoorwaarden – hoofdstuk 4.1, 4.7, 4.9 en bijlagen 4.1.9.1.6, 4.1.9.2.3.1, 4.1.9.2.3.2, 4.1.9.2.3.4 en 4.8; |
|
algemene milieuvoorwaarden, geluid – hoofdstuk 4.5 en bijlagen 2.2.1, 2.2.2, 4.5.1, 4.5.2,4.5.3, 4.5.4, 4.5.5 en 4.5.6; |
|
algemene milieuvoorwaarden, oppervlaktewater – hoofdstuk 4.2. en bijlagen 4.2.5.1, 4.2.5.2 en 4.2.5.4; |
|
algemene milieuvoorwaarden, licht – hoofdstuk 4.6. |
Sectorale milieuvoorwaarden:
|
bedrijfsafvalwaters – afdeling 5.3.2 en bijlage 5.3.2; |
|
elektriciteit – hoofdstuk 5.12; |
|
garages, parkeerplaatsen en herstellingswerkplaatsen voor motorvoertuigen – hoofdstuk 5.15; |
|
gassen – installaties voor het fysisch behandelen van gassen onder andere koelinstallaties, compressoren – afdeling 5.16.3; |
|
opslag van gevaarlijke producten – algemene bepalingen – afdeling 5.17.1 en bijlage 5.17.1; |
|
opslag van gevaarlijke producten – opslag van gevaarlijke vloeistoffen in ondergrondse houders – afdeling 5.17.2 en bijlagen 5.17.2, 5.17.3, 5.17.4, 5.17.5, 5.17.6 en 5.17.7; |
|
opslag van gevaarlijke producten – opslag van gevaarlijke vloeistoffen in bovengrondse houders – afdeling 5.17.3 en bijlage 5.17.2, bijlage 5.17.3, 5.17.4,5.17.7; |
|
opslag van gevaarlijke producten – brandstofverdeelinstallaties voor motorvoertuigen – afdeling 5.17.5; |
|
doorvoeropslagplaatsen in zeehavengebieden – hoofdstuk 5.48. |
Het college beslist dat de exploitant de volgende bijzondere en brandweervoorwaarden dient na te leven:
- Bijzondere milieuvoorwaarden:
- Brandweervoorwaarden:
Snelblustoestellen van minstens één bluseenheid conform NBN EN 3-7 - bij voorkeur 6 kg poeder type ABC - dienen goed verdeeld aangebracht à rato van 1 toestel per 150 m² (binnenruimte). Voor brandcompartimenten kleiner dan 300 m² dienen er in elk geval minstens twee toestellen aanwezig te zijn.
Er mogen nochtans gedeeltelijk mobiele bluseenheden of snelblustoestellen van een ander type aangewend worden op de plaatsen waar zij meer aangewezen zijn, voor zover de aangebrachte blusmiddelen minstens eenzelfde bluseenheid conform NBN EN 3-7 bezitten en evenwaardig zijn aan de bovenvermelde.
Snelblustoestellen van minstens één bluseenheid conform NBN EN 3-7 - bij voorkeur 6 kg poeder type ABC - dienen aangebracht bij elk punt of lokaal met verhoogd risico, zoals ondermeer pompen, compressoren, lasposten, belangrijke elektriciteitsborden, enzovoort.
In de inrichting dienen minstens twee toestellen aanwezig te zijn.
Muurhaspels met axiale voeding (conform NBN EN 671-1) + muurhydrant (volgens de norm NBN 571 en voorzien van vaste koppelstukken doormeter 45 mm volgens het Koninklijk Besluit van 30 januari 1975) met gemeenschappelijke watertoevoer met een binnendiameter van tenminste 70 mm dienen op oordeelkundig gekozen plaatsen opgesteld zodanig dat elk punt van de inrichting kan bespoten worden.
Hun aantal wordt zodanig bepaald dat de af te leggen afstand vanaf om het even welk punt tot het dichtst bijgelegen toestel niet meer bedraagt dan de lengte van de gebruikte haspels.
De haspels dienen gevoed met een leiding onder druk zodanig dat het debiet bij de minst bedeelde haspel gelijk is aan of groter dan 24 liter per minuut.
De leidingen voor bluswater dienen vervaardigd in staal of in een metaal dat minstens dezelfde waarborgen biedt.
De geplaatste muurhaspels dienen voorzien van een vergrendeling derwijze dat men het afsluitmondstuk niet kan verwijderen zonder het openen van een handbediende afsluiter op de watertoevoer.
De waterlevering moet te allen tijde, ook tijdens vorstperiode, gewaarborgd zijn.
Op de ringvormige bluswaterleiding dienen, om de 60 à 80 meter ongeveer, bovengrondse hydranten te zijn voorzien welke minstens conform het type BH 100 volgens de Belgische norm NBN S21.019 zijn en voorzien zijn van afsluiters op de uitgeefkanten van 70 mm diameter. Deze hydranten leveren water onder voldoende druk zonder dat enige voorafgaande bediening noodzakelijk is. Rondom de hydranten dient voldoende afstand bewaard te worden zodat deze in gebruik kunnen gesteld worden door de brandweer.
In de inrichting dient een aan het risico aangepast automatisch blussysteem voorzien te worden. Deze installaties dienen volgens de gangbare normen of voorschriften te zijn (Belgische of uit een naburig land). De nodige bewijsstukken in dit verband (schema's, uitgebreide berekeningsmethode, enzovoort...) moeten daartoe later kunnen voorgelegd worden.
Als voorzieningen voor bluswater stelt de brandweer Antwerpen – in onderling overleg met brandweer Beveren – dat er een onderscheid gemaakt dient te worden tussen primaire, secundaire en tertiaire bluswater voorzieningen.
De primaire voorzieningen dienen onmiddellijk bruikbaar te zijn, de secundaire voorzieningen mogen iets meer tijd vergen voor ingebruikname. Het bedrijf dient zelf in te staan voor de primaire en secundaire bluswatervoorraad.
De tertiaire voorzieningen zijn deze van nagenoeg onuitputbare capaciteit zoals een kanaal, een rivier of een waterbekken van aanzienlijke capaciteit.
Al de voorraden dienen vlot toegankelijk te zijn en desgevallend voorzien te zijn van specifieke opstelplaatsen.
Teneinde de totale watervoorraad Vtotaal van een bedrijf te bepalen gaat men als volgt te werk:
Voor de bepaling van de klassen verwijst de brandweer naar het Koninklijk Besluit van 7 juli 1994, bijlage 6 - Industriegebouwen.
Indien het onduidelijk is welke klasse gehanteerd moet worden, wordt uitgegaan van de zwaarste klassering.
De brandweer dient te allen tijde minimaal twee gevels van de magazijnen op eenvoudige wijze te kunnen bereiken om een vlotte en efficiënte interventie te verwezenlijken. De opslag van containers mag de toegang tot de gevels niet verhinderen voor de brandweer. Hiertoe dient er voor gezorgd te worden dat de brandweer op elk ogenblik vlot toegang krijgt tot de magazijnen.
De inrichting dient uitgerust met een automatische branddetectie installatie, van het type algemene bewaking. De automatische branddetectie installatie is ontworpen en uitgevoerd volgens de vigerende reglementen en normen, in het bijzonder de Belgische norm NBN S21-100.
De keuze van de detectoren is aangepast aan de aanwezige risico's en in functie van een snelle ontdekking van de brand. De branddetectie installatie geeft automatisch een aanduiding van de brandmelding en de plaats ervan. De automatische branddetectie installatie dient aangevuld te worden met een manueel systeem om ontruiming te bevelen.
Het college beslist dat de milieuvergunning ingaat op 5 april 2013 en eindigt op 5 april 2033.
De vergunde inrichting dient in gebruik genomen te worden binnen de 3 jaar vanaf de datum van deze vergunning, zoniet vervalt deze vergunning van rechtswege.