Terug

2013_CBS_03317 - Milieuvergunningen Vlarem klasse 2 - Onze-Lieve-Vrouwinstituut vzw - Grotesteenweg 489 - 2600 Berchem-Antwerpen. Dossiernummer AN2012/722/JW - Goedkeuring

college van burgemeester en schepenen
vr 05/04/2013 - 09:00 digitaal
Goedgekeurd

Samenstelling

Aanwezig

Bart De Wever, burgemeester; Ludo Van Campenhout, schepen; Claude Marinower, schepen; Nabilla Ait Daoud, schepen; Liesbeth Homans, schepen; Roel Verhaert, stadssecretaris

Afwezig

Koen Kennis, schepen; Philip Heylen, schepen; Marc Van Peel, schepen; Rob Van de Velde, schepen; Serge Muyters, waarnemend korpschef

Secretaris

Roel Verhaert, stadssecretaris

Voorzitter

Bart De Wever, burgemeester
2013_CBS_03317 - Milieuvergunningen Vlarem klasse 2 - Onze-Lieve-Vrouwinstituut vzw - Grotesteenweg 489 - 2600 Berchem-Antwerpen. Dossiernummer AN2012/722/JW - Goedkeuring 2013_CBS_03317 - Milieuvergunningen Vlarem klasse 2 - Onze-Lieve-Vrouwinstituut vzw - Grotesteenweg 489 - 2600 Berchem-Antwerpen. Dossiernummer AN2012/722/JW - Goedkeuring

Motivering

Regelgeving: bevoegdheid

Artikel 36,4° van Vlarem I bepaalt dat het college een uitspraak dient te doen over een milieuvergunningsaanvraag klasse 2.

Aanleiding en context

Aanvrager: Onze-Lieve-Vrouwinstituut vzw - Grotesteenweg 489 - 2600 Berchem-Antwerpen. De aanvraag omvat een school voor kleuter-, lager en algemeen secundair onderwijs.

Argumentatie

Het college beslist op basis van het verslag van de dienst milieuvergunningen, dat als bijlage bij dit besluit is gevoegd.

Juridische grond

Het milieuvergunningendecreet van 28 juni 1985, meermaals gewijzigd, en haar uitvoeringsbesluiten (Vlarem I en II) bepalen dat niemand zonder vergunning of melding een hinderlijk inrichting mag exploiteren.

Besluit

Het college van burgemeester en schepenen beslist:

Artikel 1

Het college beslist een milieuvergunning, zoals geformuleerd in de argumentatie, goed te keuren aan Onze-Lieve-Vrouwinstituut vzw (Pulhof), Grotesteenweg 489, 2600 Berchem-Antwerpen, voor de inrichting gelegen op hetzelfde adres. De vergunning heeft als voorwerp het exploiteren van een school voor kleuter-, lager en algemeen secundair onderwijs.

Artikel 2

Het college wijst erop dat de volgende algemene en sectorale voorwaarden van toepassing zijn:

 Algemene voorwaarden:

algemene milieuvoorwaarden – algemeen

hoofdstuk 4.1, 4.7, 4.9 en bijlagen 4.1.9.1.6, 4.1.9.2.3.1, 4.1.9.2.3.2, 4.1.9.2.3.4 en 4.8;

algemene milieuvoorwaarden – geluid

hoofdstuk 4.5 en bijlagen 2.2.1, 2.2.2, 4.5.1, 4.5.2,4.5.3, 4.5.4, 4.5.5 en 4.5.6;

algemene milieuvoorwaarden – oppervlaktewater

hoofdstuk 4.2 en bijlagen 4.2.5.1, 4.2.5.2 en 4.2.5.4.

Sectorale voorwaarden:

elektriciteit

hoofdstuk 5.12;

schouwspelzalen

afdelingen 5.32.3, 5.32.4 en 5.32.5;

opslag van gevaarlijke stoffen / ondergrondse en bovengrondse houders

afdeling 5.17.1, en bijlage 5.17.1;

opslag van gevaarlijke stoffen: bovengrondse houders

afdeling 5.17.3 en bijlagen 5.17.2 tot 5.17.4 en bijlage 5.17.7;

niet in rubriek 2 en 28 begrepen verbrandingsinrichtingen

algemene bepalingen en immissiecontroleprocedures - afdeling 5.43.1 + 5.43.4;

niet in rubriek 2 en 28 begrepen verbrandingsinrichtingen - stookinstallaties, met uitzondering van gasturbines en stoom- en gasturbine-installaties – kleine stookinstallaties (300 kW-5 MW)

subafdeling 5.43.2.3;

niet-ingedeelde muziekactiviteiten

hoofdstuk 6.7.

Artikel 3

Het college beslist dat de exploitant de volgende bijzondere- en brandweervoorwaarden dient na te leven:

 Bijzondere voorwaarden:

  • bij elk relevant renovatie- of vernieuwingsproject onderzoekt de exploitant de mogelijkheid het hemelwater af te koppelen van de openbare riolering en nuttig toe te passen.
  • afvalwater uit de didactische laboratoria dat potentieel gevaarlijke stoffen bevat, wordt opgevangen en afgevoerd via een erkende verwerker.

 Brandweervoorwaarden:

  • Muurhaspels met axiale voeding (conform NBN EN 671-1) + muurhydrant (volgens de norm NBN 571 en voorzien van vaste koppelstukken doormeter 45 mm volgens KB van 30 januari 1975) met gemeenschappelijke watertoevoer met een binnendiameter van tenminste 70 mm dienen op oordeelkundig gekozen plaatsen opgesteld zodanig dat elk punt van de inrichting kan bespoten worden.

Hun aantal wordt zodanig bepaald dat de af te leggen afstand vanaf om het even welk punt tot het dichtst bijgelegen toestel niet meer bedraagt dan de lengte van de gebruikte haspels.

De haspels dienen gevoed met een leiding onder druk zodanig dat het debiet bij de minst bedeelde haspel gelijk is aan of groter dan 24 liter per minuut.

De leidingen voor bluswater dienen vervaardigd in staal of in een metaal dat minstens dezelfde waarborgen biedt.

De geplaatste muurhaspels dienen voorzien van een vergrendeling derwijze dat men het afsluitmondstuk niet kan verwijderen zonder het openen van een handbediende afsluiter op de watertoevoer.

De waterlevering moet te allen tijde, ook tijdens vorstperiode, gewaarborgd zijn.

Gezien de omvang van de school wordt het aanbevolen om eveneens muurhydranten te voorzien.

Er werd opgemerkt dat de meeste haspels niet goed opgerold waren. Periodiek onderhoud is ook op dit vlak vereist!

  • Snelblustoestellen van minstens één bluseenheid conform NBN EN 3-7 - bijvoorbeeld 6 kg poeder type ABC - dienen aangebracht op volgende plaatsen:

-          nabij elke muurhaspel

-          in risico-lokalen (labo's, keukens, ateliers, ... )

Verder dient men de overige snelblustoestellen van minstens één bluseenheid doelmatig te verdelen over de inrichting tot men in totaal over 1 toestel per 150 m² beschikt.

  • Rondom de school dienen, op onderlinge afstanden van circa 80 m, bovengrondse hydranten, van het type BH 100, volgens de norm NBN S 21.019 geplaatst te worden, welke mogen aangesloten worden, met een aansluiting van het directe type op een leiding van minimaal 6" hetzij op het net van de openbare waterleiding, hetzij in eigen beheer gevoed, waarbij tenminste gedurende 2 uren voldoende waterdebiet onder de vereiste druk kan geleverd worden.

De uitgeefkanten van 70 mm diameter dienen bijkomend met gepaste afsluitkranen te worden uitgerust.

De aansluiting op het voedingsnet dient zodanig te zijn dat het maximum debiet onmiddellijk beschikbaar is bij gebruik van de hydranten.

  • Extra nooduitgang(en) te voorzien (deuren die openen in de vluchtzin) om de gewenste bezetting kunnen toe te laten (onder andere feestzaal, .... ). Zoniet moet de bezetting beperkt worden op basis van de bruikbare uitgangen (trappen).
  • Enkele trappen moeten gecompartimenteerd worden zodat steeds een gecompartimenteerd trappenhuis te bereiken is. Om brand- en rookuitbreiding te voorkomen moeten de verschillende vleugels ten opzichte van elkaar gecompartimenteerd worden.
  • In het gebouw dienen maatregelen genomen om melding van brand en alarm door te geven.
  • De inrichting moet voorzien worden van veiligheidsverlichting, die onmiddellijk en automatisch in dienst treedt bij het uitvallen van de stroom.
  • Minimaal dienen armaturen aangebracht te worden boven elke uitgangsdeur, in alle evacuatiewegen (gangen en trappen), in de nabijheid van de brandbestrijdingsmiddelen en in alle lokalen die uitsluitend door kunstlicht bediend worden.

De veiligheidsverlichting dient verder uitgebreid te worden zodanig dat de plaatsing en de verlichtingssterkte voldoende is om een gemakkelijke ontruiming te waarborgen.

De veiligheidsverlichting moet tenminste gedurende 1 uur zonder onderbreking kunnen functioneren.

  • Een interventieplan dient opgesteld te worden voor de volledige instelling. Aan de hoofdinkom(men) van de instelling dient in een daartoe voorzien rood kastje voor de brandweer het interventieplan bewaard te worden, evenals alle noodzakelijke sleutels om toegang te verschaffen tot afgesloten lokalen en serviceflats.

Het rood kastje dient duidelijk zichtbaar gesignaleerd te zijn door middel van het opschrift: "brandweer interventieplan" en het logo van brandweer Antwerpen).

Als richtlijn voor het opstellen van het interventieplan wordt gebruikt gemaakt van het "Technisch Dossier nr.114 van het ANPI..

  • Verschillende mensen moeten worden opgeleid om in geval van brand of een incident adequaat te kunnen optreden. Ze moeten samen een interventieploeg kunnen vormen en voorbereid zijn op hun taken (aansturen ontruiming, eerste bluspoging, afsluiten gas en elektra, opvang brandweer, organiseren evacuatieoefeningen, ....)

Artikel 4

Het college beslist dat de milieuvergunning wordt verleend voor een periode van 240 maanden, met als startdatum de dag waarop de stedenbouwkundige vergunning definitief verleend wordt.

Artikel 5

Het college beslist dat de vergunde inrichting in gebruik moet genomen binnen de 3 jaar vanaf de startdatum van deze vergunning, zoniet vervalt de vergunning van rechtswege.

Artikel 6

Dit besluit heeft in principe geen financiƫle gevolgen voor de stad of het OCMW.