Op de Antwerpse gemeenteraad van 15 januari 2007 werd beslist om uitvoering te geven aan punt 430 van het bestuursakkoord 2007-2012. Dit punt stelt: “Het bestuur wil de diversiteit van het personeel aanmoedigen. Bij de stad moeten veel mensen met veel verschillende visies kunnen werken. Maar de uiterlijke tekenen van die persoonlijke overtuiging kunnen niet worden getoond bij rechtstreeks klantencontact. Dan staan neutraliteit van de dienstverlening en respect voorop. Uiterlijke symbolen van levensbeschouwelijke, religieuze, politieke of andere overtuigingen worden bij rechtstreeks klantencontact niet gedragen. Niet alleen moet dat elke schijn van partijdigheid vermijden. Tevens moet dit het draagvlak voor een divers personeelsbeleid als afspiegeling van een diverse stad bij personeel en bevolking vergroten.”
De stadssecretaris preciseert in een dienstnota van 7 maart 2007 dat voor stadspersoneel volgende kledijvoorschriften gelden (de zogenaamde “dresscode”):
Rond de dresscode is er de afgelopen zes jaar heel wat commotie geweest. De dresscode werd in 2007 eenzijdig opgemaakt en zonder enige vorm van overleg met het personeel ingevoerd. Hij heeft, in tegenstelling tot zijn initiële doelstelling, aanleiding gegeven tot polarisatie bij onze bevolking. De toepassing ervan heeft in het verleden ook tot inconsistenties geleid, bijvoorbeeld bij het in de dienstnota vermeld verbod op het dragen van een HIV-speldje terwijl het vorige stadsbestuur aansluitend heeft gevraagd om op wereldaidsdag zo’n speldje te dragen. Dergelijke inconsistenties geven de indruk dat, naargelang de omstandigheden, sommige symbolen dan wel en dan niet kunnen, wat leidt tot onzekerheid en een gevoel van willekeur.
Ook vandaag nog geeft de dienstnota aanleiding tot heel wat misverstanden en onnodige polarisatie die haaks staan op het initiële doel – met name meer samenhorigheid in de stedelijke diversiteit te realiseren – en die niet helpen bij het realiseren van de “stadsgemeenschap” waarvan sprake in het bestuursakkoord 2013-2018. Dat blijkt onder andere uit de discussie die is ontstaan na het verschijnen van een interview met de burgemeester in De Standaard van 2 februari 2013. In dit interview wenste de burgemeester de betekenis en draagwijdte van de dresscode te verduidelijken. Quod non.
Het opzet van de dresscode was nooit groepen of gemeenschappen van onze samenleving te viseren of te marginaliseren. In de praktijk heeft hij daar wel aanleiding toe gegeven. Een overheid die de diversiteit in voorkomen krampachtig probeert te neutraliseren bevestigt bovendien het vooroordeel dat iemand met een bepaalde overtuiging en een bepaald voorkomen niet in staat zou zijn om een “andersdenkende” correct te behandelen. In plaats van te willen verstoppen waar we van elkaar verschillen, zouden we beter focussen op wat we allemaal gemeen zouden moeten hebben: respect voor fundamentele rechten zoals de vrijheid van meningsuiting en godsdienst en het verbod op discriminatie.
Wij concluderen daarom dat een evaluatie van de huidige dresscode zich opdringt. Als we het voor sommige functies zo belangrijk vinden wat mensen aan hebben – bijvoorbeeld in een onthaalfunctie – dan is het logischer om te zeggen wat ze moeten aandoen in plaats van te zeggen wat ze niet mogen aandoen. Dat impliceert geenszins een veralgemeende invoering van een uniform– wat nu al bestaat voor het onthaalpersoneel in het stadshuis en in de politiekantoren. Functiekledij kan evengoed een sjaaltje of vestje zijn dat boven de gewone kledij wordt gedragen en dat uitstraalt: ‘Ik ben trots om te werken voor een stad die de gelijkheid van al zijn inwoners zo hoog in het vaandel draagt.’
Waar het uiteindelijk allemaal op neerkomt, is het volgende: als ambtenaar heb je je te houden aan de gelijke behandeling van alle mensen waarmee je te maken krijgt. Achter het loket of achter een bureau. Ongeacht je voorkomen.
Vraag
Gelet op de polarisatie, inconsistenties en vooroordelen waartoe de geldende dresscode aanleiding geeft, is de burgemeester bereid om de dienstnota van 7 maart 2007 in zijn geheel te evalueren en te herzien?
Deze interpellatie wordt samen besproken met de interpellatie met motie van raadslid Almaci (jaarnummer 39 en jaarnummer 1).
Raadslid Almaci houdt haar interpellatie met motie en raadslid Kherbache houdt haar interpellatie.
De burgemeester geeft antwoord op de vragen.
Raadsleden Almaci en Kherbache houden nog een wederwoord.
- Het volledige debat is opgenomen en is digitaal raadpleegbaar op het stadsarchief.
do 13/06/2013 - 16:24