Volgens artikel 57, §3, 1° van het Gemeentedecreet is het college bevoegd voor de daden van beheer over de gemeentelijke inrichtingen en eigendommen.
De Conventie van den Haag, met inbegrip van het eerste Protocol, werd op 14 mei 1954 op initiatief van de UNESCO aangenomen naar aanleiding van de grootschalige vernielingen en beschadigingen toegebracht aan het culturele erfgoed tijdens de Tweede Wereldoorlog. Dit verdrag is van kracht sinds 7 augustus 1956 en werd door België geratificeerd op 16 september 1960. Het geldt voor onroerend en roerend erfgoed: gebouwen, (kunst)historische monumenten, archeologische sites, kunstwerken, handschriften, boeken en andere artefacten van (kunst)historische of archeologische waarde, alsook voor wetenschappelijke verzamelingen, onafgezien de oorsprong of de eigenaar ervan.
Misdaden tegen het erfgoed die plaatsvonden tijdens talrijke conflicten in de jaren '80 en '90 legden de beperkingen van de uitvoering van de Conventie van 1956 bloot. Een nieuw Protocol werd uitgewerkt waarbij rekening werd gehouden met genoemde gebeurtenissen, de nieuwe ontwikkelingen op het vlak van het internationaal humanitair recht en van de wetgeving aangaande de bescherming van het erfgoed. De bepalingen van de Conventie werden aanzienlijk uitgebreid: een nieuwe categorie omschreven als erfgoed van uitzonderlijk belang voor de mensheid dient voortaan te genieten van versterkte bescherming. Het tweede Protocol van den Haag werd op 26 maart 1999 goedgekeurd en door België geratificeerd op 13 oktober 2010.
Van de lidstaten die het genoemde verdrag en de protocollen onderschreven, wordt nu verwacht dat zij voorstellen doen om erfgoed voor te dragen dat in aanmerking komt voor de versterkte bescherming. Vanuit België wordt gedacht aan alle sites die erkend zijn als Unesco-werelderfgoed. In een eerste fase wil België het Museum Plantin-Moretus/Prentenkabinet, de kathedraal van Doornik en de woning van Victor Horta voordragen, respectievelijk voor het Vlaamse, Waalse en het Brusselse gewest. Aan de versterkte bescherming zijn drie basisvoorwaarden gekoppeld: het erfgoed dient van het grootste belang te zijn voor de mensheid, het geniet bescherming door zijn interne werking, door juridische en administratieve maatregelen waaruit de erkenning als erfgoed van uitzonderlijke waarde volgt en die de hoogst mogelijke bescherming waarborgen, het wordt niet ingezet, noch rechtstreeks, noch onrechtstreeks, voor militaire doeleinden.
Het Koninklijk Besluit van 25 maart 1938 bepaalt de bescherming als monument van de binnenplaats en de voorgevel van het Museum Plantin-Moretus. Het Koninklijk Besluit van 2 september 1976 breidt de bescherming uit met de gevels van de panden in de Heilige Geeststraat. Het volledige complex inclusief het roerend erfgoed werd bij ministerieel besluit als momument beschermd op 10 juli 1997. In het kader van het museumdecreet werd het Museum Plantin-Moretus/Prentenkabinet op 15 februari 1999 erkend als museum van landelijk belang. Op 15 juli 2005 volgde de inschrijving van het 'Complex woning-ateliers-museum Plantin-Moretus' op de lijst van het UNESCO-Werelderfgoed.
Het is duidelijk dat het Museum Plantin-Moretus/Prentenkabinet als erfgoedsite aan de hogergenoemde basisvoorwaarden beantwoordt en bijgevolg in aanmerking komt om van versterkte bescherming te kunnen genieten. Bijgevolg zal het Museum Plantin-Moretus/Prentenkabinet door het leveren van de nodige, reeds bestaande, documenten zijn medewerking verlenen aan de samenstelling van het dossier dat in de loop van 2013 zal ingediend worden door de federale regering in samenwerking met de bevoegde diensten van het ministerie van de Vlaamse gemeenschap.
Het college keurt goed dat het Museum Plantin-Moretus/Prentenkabinet zijn medewerking verleent aan de Vlaamse en federale overheid voor de samenstelling en indiening van een dossier met het oog op de versterkte bescherming als waardevol erfgoed volgens het tweede Protocol van den Haag van 26 maart 1999.