Terug

2012_CBS_12579 - Milieuvergunningen Vlarem klasse 2 - Port Real Estate nv, Klein Zuidland 9, 2030 Antwerpen. Dossiernummer AN2012/534/AVG - Goedkeuring

college van burgemeester en schepenen
vr 07/12/2012 - 09:00 digitaal
Goedgekeurd

Samenstelling

Aanwezig

Patrick Janssens, burgemeester; Robert Voorhamme, schepen; Philip Heylen, schepen; Ludo Van Campenhout, schepen; Marc Van Peel, schepen; Luc Bungeneers, schepen; Guy Lauwers, schepen; Güler Turan, schepen; Leen Verbist, schepen; Roel Verhaert, stadssecretaris

Afwezig

Patrick Van Hoof, plaatsvervangend korpschef

Secretaris

Roel Verhaert, stadssecretaris

Voorzitter

Patrick Janssens, burgemeester
2012_CBS_12579 - Milieuvergunningen Vlarem klasse 2 - Port Real Estate nv, Klein Zuidland 9, 2030 Antwerpen. Dossiernummer AN2012/534/AVG - Goedkeuring 2012_CBS_12579 - Milieuvergunningen Vlarem klasse 2 - Port Real Estate nv, Klein Zuidland 9, 2030 Antwerpen. Dossiernummer AN2012/534/AVG - Goedkeuring

Motivering

Regelgeving: bevoegdheid

Artikel 36,4° van Vlarem I bepaalt dat het college een uitspraak dient te doen over een milieuvergunningsaanvraag klasse 2.

Aanleiding en context

Aanvrager: Port Real Estate nv - Noorderlaan 614, 2030 Antwerpen. De aanvraag omvat de uitbreiding van magazijnen voor de op- en overslag niet-gevaarlijke producten.

Argumentatie

Het college beslist op basis van het verslag van de dienst milieuvergunningen, dat als bijlage bij dit besluit is gevoegd.

Juridische grond

Het milieuvergunningendecreet van 28 juni 1985, meermaals gewijzigd, en haar uitvoeringsbesluiten (Vlarem I en II) bepalen dat niemand zonder vergunning of melding een hinderlijk inrichting mag exploiteren.

Besluit

Het college van burgemeester en schepenen beslist:

Artikel 1

Het college beslist een milieuvergunning klasse 2 goed te keuren aan Port Real Estate nv, Noorderlaan 614, 2030 Antwerpen, om op de percelen gelegen te 2030 Antwerpen, Klein Zuidland 9, magazijnen voor de op- en overslag niet-gevaarlijke producten uit te breiden.

Artikel 2

Het college wijst erop dat de volgende algemene en sectorale milieuvoorwaarden van toepassing zijn:

Algemene voorwaarden:

algemene milieuvoorwaarden – hoofdstuk 4.1, 4.7, 4.9 en bijlagen 4.1.9.1.6, 4.1.9.2.3.1, 4.1.9.2.3.2, 4.1.9.2.3.4 en 4.8;

algemene milieuvoorwaarden, geluid – hoofdstuk 4.5 en bijlagen 2.2.1, 2.2.2, 4.5.1, 4.5.2,4.5.3, 4.5.4, 4.5.5 en 4.5.6;

algemene milieuvoorwaarden, oppervlaktewater – hoofdstuk 4.2. en bijlagen 4.2.5.1, 4.2.5.2 en 4.2.5.4.

Sectorale voorwaarden:

elektriciteit - hoofdstuk 5.12;

garages, parkeerplaatsen en herstellingswerkplaatsen voor motorvoertuigen - hoofdstuk 5.15;

gassen - gemeenschappelijke bepalingen - afdeling 5.16.1 en bijlage 5.16.5;

gassen - koelinrichtingen / compressoren - afdeling 5.16.3;

voedingsnijverheid en handel - algemeen - afdeling 5.45.1;

hout - algemeen - afdeling 5.19.1;

motoren met inwendige verbranding - hoofdstuk 5.31.

Artikel 3

Het college beslist dat de exploitant de volgende bijzondere en brandweervoorwaarden dient na te leven:

Bijzondere milieuvoorwaarde:

  • conform subafdeling 6.2.2.4 (Vlarem II) moet de lozing van huishoudelijk afvalwater in het individueel te optimaliseren buitengebied gezuiverd worden door middel van een individuele behandelingsinstallatie voor afvalwater, waarvan de capaciteit is afgestemd op het aangesloten inwonersequivalenten (IE).

Brandweervoorwaarden:

Bluswatervoorzieningen buiten de magazijnen

Rondom de magazijnen dienen bovengrondse hydranten opgesteld te worden en dit in overleg met de brandweer. Deze hydranten moeten:

  • opgesteld op een onderlinge afstand van ongeveer 80 m en op een afstand van de gevel overeen te komen met de brandweer;
  • voldoen aan de norm NBN S 21-019 type BH 100;
  • worden uitgerust met afsluiters op de uitgeefkanten met een doormeter van 70 mm;
  • worden aangesloten, met een aansluiting van het directe type, op een ringleiding met een diameter aangepast aan het te bestrijden risico, doch minimaal 150 mm;

Voor de watervoorziening van deze hydranten dient men te voorzien in:

  • een debiet van minimaal 2 500 l/min/3 bar op het verst afgelegen afnamepunt gevoed via het openbaar net of via een autonome pompgroep.

De aansluiting op het voedingsnet dient zodanig te zijn dat het maximumdebiet onmiddellijk beschikbaar is bij gebruik van de hydranten.

Op de ringleiding dienen op oordeelkundige plaatsen afsluiters aangebracht zodat bij een mogelijke breuk, het getroffen gedeelte kan afgesloten worden, zonder de totale watervoorziening in gedrang te brengen.

De leidingen dienen vervaardigd uit staal of uit een materiaal dat dezelfde waarborgen biedt. Ter staving dienen de nodige rapporten voorgelegd te worden.

Een permanente watervoorraad van 450 m³ dient zodanig ingepland dat de maximale afstand tot alle punten van de gevels maximaal 400 m bedraagt.

De watervoorraad moet toegankelijk zijn voor de brandweer, via twee vaste zuigleidingen 100 mm met vast koppelstuk type AR 110 mm.

De toegang tot het reservoir moet te allen tijde gevrijwaard zijn. De plaats hiervan dient duidelijk op de gevel gesignaleerd.

De zuigleiding wordt uitgevoerd met een bocht onderaan en voorzien van een vuil opvang(zeef). De aanzuighoogte mag niet meer dan 6 m bedragen.

Bluswatervoorzieningen binnen de magazijnen

Muurhaspels met axiale voeding (conform NBN EN 671-1) + muurhydrant (volgens de norm NBN 571 en voorzien van vaste koppelstukken doormeter 45 mm volgens Koninklijk Besluit van 30 januari 1975) met gemeenschappelijke watertoevoer met een binnendiameter van tenminste 70 mm dienen op oordeelkundig gekozen plaatsen opgesteld zodanig dat elk punt van de inrichting kan bespoten worden.(ook de technische ruimte!)

Hun aantal wordt zodanig bepaald dat de af te leggen afstand vanaf om het even welk punt tot het dichtst bijgelegen toestel niet meer bedraagt dan de lengte van de gebruikte haspels.

De haspels dienen gevoed met een leiding onder druk zodanig dat het debiet bij de minst bedeelde haspel gelijk is aan of groter dan 24 liter per minuut.

De leidingen voor bluswater dienen vervaardigd in staal of in een metaal dat minstens dezelfde waarborgen biedt.

De geplaatste muurhaspels dienen voorzien van een vergrendeling derwijze dat men het afsluitmondstuk niet kan verwijderen zonder het openen van een handbediende afsluiter op de watertoevoer.

Snelblustoestellen :

Snelblustoestellen van minstens één bluseenheid conform NBN EN 3-7 - bij voorkeur 6 kg poeder type ABC - dienen aangebracht op volgende plaatsen:

  • hetzij langsheen de centrale rijwegen;
  • nabij de poorten. en vluchtdeuren;
  • in de nabijheid van de muurhaspels.

Deze dienen verder aangevuld met snelblustoestellen van minstens één bluseenheid conform NBN EN 3-7 - bij voorkeur 6 kg poeder type ABC - bij elk punt of lokaal met verhoogd risico, zoals ondermeer pompen, compressoren, lasposten, enzovoort.

Verder dient men de overige snelblustoestellen van minstens één bluseenheid conform NBN EN 3-7 - bij voorkeur 6 kg poeder type ABC - doelmatig te verdelen over de inrichting tot men in totaal over I toestel per 150 m² beschikt.

Maximaal de helft van de snelblustoestellen van tenminste één bluseenheid conform NBN EN 3-7 mag vervangen worden door voldoende aantal mobiele blusapparaten van tenminste 10 bluseenheden conform NBN EN 3-7 en NBN EN 1866, opdat het minimum aantal bluseenheden bereikt wordt.

Een snelblustoestel van 5 kg CO2 – ½ bluseenheid conform NBN EN 3-7 - dient in overtal aangebracht nabij :

  • belangrijke elektriciteitsborden;
  • technische ruimtes - 1 CO2 per lokaal;
  • HS cabine 1 CO2;
  • batterijlokaal 1 CO2.

Automatische blusinstallatie (Sprinkler)

Het nieuwe magazijn, luifel en middenzone wordt voorzien van een automatisch blussysteem, aangepast aan het risico.

Deze installaties dienen volgens de gangbare normen of voorschriften te zijn (Belgische of uit een naburig land).

De nodige bewijsstukken in dit verband (schema's, uitgebreide berekeningsmethode, enzovoort...) moeten daartoe later kunnen voorgelegd worden.

Na installatie zal door een bevoegd persoon of instelling een attest afgeleverd worden waaruit blijkt dat aan de gangbare normen of voorschriften is voldaan.

Opmerking

De voorwaarden opgenomen in de bouwvergunning, conform het advies van de brandweer met referentie BWIDV/ H.00219.A3.0004 blijven onverminderd van kracht.

Artikel 4

Het college beslist dat de milieuvergunning ingaat op 7 december 2012 en eindigt op 7 december 2032.

Artikel 5

Dit besluit heeft in principe geen financiële gevolgen voor de stad of het OCMW.