Terug

2012_CBS_11347 - Milieuvergunningen Vlarem klasse 2 - De Bock Gebroeders Transport nv, Luithagen-Haven 8, 2030 Antwerpen. Dossiernummer AN2012/454/AVG - Goedkeuring

college van burgemeester en schepenen
vr 09/11/2012 - 09:00 digitaal
Goedgekeurd

Samenstelling

Aanwezig

Patrick Janssens, burgemeester; Robert Voorhamme, schepen; Philip Heylen, schepen; Ludo Van Campenhout, schepen; Marc Van Peel, schepen; Luc Bungeneers, schepen; Guy Lauwers, schepen; Güler Turan, schepen; Leen Verbist, schepen; Roel Verhaert, stadssecretaris

Afwezig

Serge Muyters, waarnemend korpschef

Secretaris

Roel Verhaert, stadssecretaris

Voorzitter

Patrick Janssens, burgemeester
2012_CBS_11347 - Milieuvergunningen Vlarem klasse 2 - De Bock Gebroeders Transport nv, Luithagen-Haven 8, 2030 Antwerpen. Dossiernummer AN2012/454/AVG - Goedkeuring 2012_CBS_11347 - Milieuvergunningen Vlarem klasse 2 - De Bock Gebroeders Transport nv, Luithagen-Haven 8, 2030 Antwerpen. Dossiernummer AN2012/454/AVG - Goedkeuring

Motivering

Regelgeving: bevoegdheid

Artikel 36,4° van Vlarem I bepaalt dat het college een uitspraak dient te doen over een milieuvergunningsaanvraag klasse 2.

Aanleiding en context

Aanvrager: De Bock Gebroeders Transport nv - Kreek 31 - 9130 Kieldrecht. De aanvraag omvat de hernieuwing, wijziging en uitbreiding van een transportbedrijf.

Argumentatie

Het college beslist op basis van het verslag van de dienst milieuvergunningen, dat als bijlage bij dit besluit is gevoegd.

Juridische grond

Het milieuvergunningendecreet van 28 juni 1985, meermaals gewijzigd, en haar uitvoeringsbesluiten (Vlarem I en II) bepalen dat niemand zonder vergunning of melding een hinderlijke inrichting mag exploiteren.

Besluit

Het college van burgemeester en schepenen beslist:

Artikel 1

Het college beslist een milieuvergunning klasse 2 goed te keuren aan De Bock Gebroeders Transport nv, Kreek 31, 9130 Kieldrecht, om op de percelen gelegen te 2030 Antwerpen, Luithagen – Haven 8, een transportbedrijf verder te exploiteren, te wijzigen en uit te breiden.

Artikel 2

Het college wijst erop dat de volgende algemene en sectorale milieuvoorwaarden van toepassing zijn:

Algemene milieuvoorwaarden:

algemene milieuvoorwaarden – hoofdstuk 4.1, 4.7, 4.9 en bijlagen 4.1.9.1.6, 4.1.9.2.3.1, 4.1.9.2.3.2, 4.1.9.2.3.4 en 4.8;

algemene milieuvoorwaarden, geluid – hoofdstuk 4.5 en bijlagen 2.2.1, 2.2.2, 4.5.1, 4.5.2 ,4.5.3, 4.5.4, 4.5.5 en 4.5.6;

algemene milieuvoorwaarden, licht – hoofdstuk 4.6;

algemene milieuvoorwaarden, oppervlaktewater – hoofdstuk 4.2. en bijlagen 4.2.5.1., 4.2.5.2. en 4.2.5.4;

Sectorale milieuvoorwaarden:

garages, parkeerplaatsen en herstellingswerkplaatsen voor motorvoertuigen – hoofdstuk 5.15;

gassen – gemeenschappelijke bepalingen – afdeling 5.16.1 en bijlage 5.16.5;

gassen – koelinrichtingen / compressoren – afdeling 5.16.3;

gassen – opslagplaatsen in verplaatsbare recipiënten – afdeling 5.16.5. en bijlagen 5.16.1 en 5.16.2;

opslag van gevaarlijke stoffen / ondergrondse en bovengrondse houders – afdeling 5.17.1 en bijlage 5.17.1;

opslag van gevaarlijke stoffen: ondergrondse houders – afdeling 5.17.2 en bijlagen 5.17.2 tot 5.17.7;

opslag van gevaarlijke stoffen:  bovengrondse houders – afdeling 5.17.3 en bijlagen 5.17.2 tot 5.17.4 en bijlage 5.17.7.

Artikel 3

Het college beslist dat de exploitant de volgende bijzondere en brandweervoorwaarden dient na te leven:

Bijzondere milieuvoorwaarden:

  • de exploitatie van ingedeelde activiteiten (in casu de stalplaatsen voor aanhangwagens of onderstellen) in natuurgebied of in de bouwvrije strook is verboden overeenkomstig de stedenbouwkundige voorschriften;
  • de exploitatie kan worden toegelaten tussen 06.00 uur en 20.00 uur op weekdagen.

Brandweervoorwaarden:

Snelblustoestellen van minstens één bluseenheid conform NBN EN 3-7 - bij voorkeur 6 kg poeder type ABC - dienen goed verdeeld aangebracht à rato van 1 toestel per 150 m² (binnenruimte). Voor brand compartimenten kleiner dan 300 m² dienen er in elk geval minstens twee toestellen aanwezig te zijn.

Er mogen nochtans gedeeltelijk mobiele bluseenheden of snelblustoestellen van een ander type aangewend worden op de plaatsen waar zij meer aangewezen zijn, voor zover de aangebrachte blusmiddelen minstens eenzelfde bluseenheid conform NBN EN 3-7 bezitten en evenwaardig zijn aan de bovenvermelde.

Snelblustoestellen van minstens één bluseenheid conform NBN EN 3-7 - bij voorkeur 6 kg poeder type ABC – dienen aangebracht bij elk punt of lokaal met verhoogd risico, zoals ondermeer pompen, compressoren, lasposten, belangrijke elektriciteitsborden, enzovoort.

Muurhaspels met axiale voeding (conform NBN EN 671-1) aangesloten via een aangepaste leiding op de openbare waterbedeling of ander gelijkwaardig voedingssysteem, dienen op oordeelkundig gekozen plaatsen opgesteld zodanig dat elk punt van de inrichting kan bespoten worden.

Hun aantal wordt zodanig bepaald dat de afte leggen afstand vanaf om het even welk punt tot het dichtst bijgelegen toestel niet meer bedraagt dan de lengte van de gebruikte haspels. De haspels dienen gevoed met een leiding onder druk zodanig dat het debiet bij de minst bedeelde haspel gelijk is aan of groter dan 24 liter per minuut.

De leidingen voor bluswater dienen vervaardigd in staal of in een metaal dat minstens dezelfde waarborgen biedt.

De geplaatste muurhaspels dienen voorzien van een vergrendeling derwijze dat men het afsluitmondstuk niet kan verwijderen zonder het openen van een handbediende afsluiter op de watertoevoer.

De waterlevering moet te allen tijde, ook tijdens vorstperiode, gewaarborgd zijn.

Een bovengrondse hydrant BH 100, conform NBN S 21.019, maar met afsluiters op beide uitgeefkanten van 70 mm diameter dient voorzien.

De voeding gebeurt rechtstreeks op het net van de openbare waterbedeling, door een leiding waarvan de minimale binnendiameter 150 mm bedraagt.

De aansluiting op het voedingsnet dient zodanig te zijn dat het maximum debiet onmiddellijk beschikbaar is bij gebruik van de hydrant.

Artikel 4

Het college beslist dat de milieuvergunning ingaat op 9 november 2012 en eindigt op 9 november 2032.

Artikel 5

Dit besluit heeft in principe geen financiële gevolgen voor de stad of het OCMW.