Terug

2012_CBS_10267 - Milieuvergunningen Vlarem klasse 2 - British Auto Center nv, Boomsesteenweg 949, 2610 Wilrijk-Antwerpen. Dossiernummer AN2012/335/PV - Goedkeuring

college van burgemeester en schepenen
vr 05/10/2012 - 09:00 Collegezaal, stadhuis
Goedgekeurd

Samenstelling

Aanwezig

Robert Voorhamme, schepen; Philip Heylen, schepen; Ludo Van Campenhout, schepen; Marc Van Peel, schepen; Luc Bungeneers, schepen; Guy Lauwers, schepen; Güler Turan, schepen; Leen Verbist, schepen; Roel Verhaert, stadssecretaris

Afwezig

Patrick Janssens, burgemeester; Serge Muyters, waarnemend korpschef

Secretaris

Roel Verhaert, stadssecretaris
2012_CBS_10267 - Milieuvergunningen Vlarem klasse 2 - British Auto Center nv, Boomsesteenweg 949, 2610 Wilrijk-Antwerpen. Dossiernummer AN2012/335/PV - Goedkeuring 2012_CBS_10267 - Milieuvergunningen Vlarem klasse 2 - British Auto Center nv, Boomsesteenweg 949, 2610 Wilrijk-Antwerpen. Dossiernummer AN2012/335/PV - Goedkeuring

Motivering

Gekoppelde besluiten

Regelgeving: bevoegdheid

Artikel 36,4° van Vlarem I bepaalt dat het college een uitspraak dient te doen over een milieuvergunningsaanvraag klasse 2.

Aanleiding en context

Aanvrager: British Auto Center nv, Boomsesteenweg 949, 2610 Wilrijk-Antwerpen. De aanvraag omvat een garagebedrijf met toonzaal.

Argumentatie

Het college beslist op basis van het verslag van de dienst milieuvergunningen, dat als bijlage bij dit besluit is gevoegd.

Juridische grond

Het milieuvergunningendecreet van 28 juni 1985, meermaals gewijzigd, en haar uitvoeringsbesluiten (Vlarem I en II) bepalen dat niemand zonder vergunning of melding een hinderlijk inrichting mag exploiteren.

Besluit

Het college van burgemeester en schepenen beslist:

Artikel 1

Het college beslist een milieuvergunning klasse 2 goed te keuren aan British Auto Center nv, Boomsesteenweg 949, 2610 Wilrijk-Antwerpen, om op het perceel gelegen op hetzelfde adres, de vergunning van een garagebedrijf met toonzaal te hernieuwen na uitbreiding.

Artikel 2

Het college wijst erop dat de volgende algemene en sectorale milieuvoorwaarden van toepassing zijn:

algemene milieuvoorwaarden - algemeen hoofdstuk 4.1, 4.7, 4.9 en bijlagen 4.1.9.1.6, 4.1.9.2.3.1, 4.1.9.2.3.2, 4.1.9.2.3.4 en 4.8;
algemene milieuvoorwaarden - geluid hoofdstuk 4.5 en bijlagen 2.2.1, 2.2.2, 4.5.1, 4.5.2,4.5.3, 4.5.4, 4.5.5 en 4.5.6;
algemene milieuvoorwaarden - oppervlaktewater hoofdstuk 4.2 en bijlagen 4.2.5.1, 4.2.5.2 en 4.2.5.4;
bedrijfsafvalwaters afdeling 5.3.2 + bijlage 5.3.2;
bedekkingsmiddelen (verven, vernissen, inkten, emails, metaalpoeders en analoge producten, afbijt en beitsmiddelen), kleurstoffen en pigmenten algemene bepalingen - afdeling 5.4.1;
bedekkingsmiddelen (verven, vernissen, inkten, emails, metaalpoeders en analoge producten, afbijt en beitsmiddelen), kleurstoffen en pigmenten - aanbrengen van bedekkingsmiddelen afdeling 5.4.3;
gassen - gemeenschappelijke bepalingen afdeling 5.16.1 en bijlage 5.16.5;
gassen - koelinrichtingen / compressoren afdeling 5.16.3;
opslag van gevaarlijke stoffen / ondergrondse en bovengrondse houders afdeling 5.17.1, en bijlage 5.17.1;
opslag van gevaarlijke stoffen - bovengrondse houders afdeling 5.17.3 en bijlagen 5.17.2 tot 5.17.4 en bijlagen- 5.17.7;
niet in rubriek 2 en 28 begrepen verbrandingsinrichtingen - algemene bepalingen en Immissiecontroleprocedures afdeling 5.43.1 + 5.43.4;
niet in rubriek 2 en 28 begrepen verbrandingsinrichtingen - stookinstallaties, met uitzondering van gasturbines en stoom- en gasturbine-installaties - kleine stookinstallaties (300 kW - 5 MW) subafdeling 5.43.2.3.

 

Artikel 3

Het college beslist dat de exploitant de volgende bijzondere en brandweervoorwaarden dient na te leven: 

Bijzondere voorwaarden:

  • In de ruimte waar de verwarmingsinstallatie zich bevindt moeten alle nodige veiligheidsmaatregelen genomen worden om oververhitting, ontploffing en brand te voorkomen. In de omgeving van deze installatie dient alles wat het brandrisico verhoogt te worden geweerd. De ruimte mag niet gebruikt worden als opslagplaats.

Brandweervoorwaarden:

Snelblustoestellen van minstens één bluseenheid conform NBN EN 3-7 - bij voorkeur 6 kg poeder type ABC - dienen goed verdeeld aangebracht a rato van 1 toeste1 per 150 m² (binnenruimte). Voor brandcompartimenten kleiner dan 300 m² dienen er in elk geval minstens twee toestellen aanwezig te zijn. Snelblustoestellen van minstens een bluseenheid conform NBN EN 3-7 - bij voorkeur 6 kg poeder type ABC - dienen aangebracht op volgende plaatsen (steeds 1/150 m²):

  • Showroom
  • Showroom oldtimers
  • Magazijn
  • Atelier
  • Carrosserie werkplaats
  • Magazijn banden
  • Parking
  • Olie-lokaal

Muurhaspels met axiale voeding (conform NBN EN 671-1) aangesloten via een aangepaste leiding op de openbare waterbedeling of ander gelijkwaardig voedingssysteem, dienen op oordeelkundig gekozen plaatsen opgesteld zodanig dat elk punt van de inrichting kan bespoten worden. Hun aantal wordt zodanig bepaald dat de af te leggen afstand vanaf om het even welk punt tot het dichtst bijgelegen toestel niet meer bedraagt dan de lengte van de gebruikte haspels. De haspels dienen gevoed met een lei ding onder druk zodanig dat het debiet bij de minst bedeelde haspel gelijk is aan of groter dan 24 liter per minuut. De leidingen voor bluswater dienen vervaardigd in staal of in een metaal dat minstens dezelfde waarborgen biedt. De geplaatste muurhaspels dienen voorzien van een vergrendeling derwijze dat men het afsluitmondstuk niet kan verwijderen zonder het openen van een handbediende afsluiter op de watertoevoer. Een bovengrondse hydrant BH 100, conform NBN S 21.019, maar met afsluiters op beide uitgeefkanten van 70 mm doormeter dient voorzien. De voeding gebeurt rechtstreeks op het net van de openbare waterbedeling, door een leiding waarvan de minimale binnendiameter 150 mm bedraagt. De aansluiting op het voedingsnet dient zodanig te zijn dat het maximum debiet onmiddellijk beschikbaar is bij gebruik van de hydrant.

Er dienen inrichtingen voorzien voor melding, waarschuwing en alarm.

De inrichting moet voorzien worden van veiligheidsverlichting, die onmiddellijk en automatisch in dienst treedt bij het uitvallen van de stroom. Minimaal dienen armaturen aangebracht te worden boven elke uitgangsdeur, in alle evacuatiewegen (gangen en trappen), in de nabijheid van de brandbestrijdings-middelen en in alle lokalen die uitsluitend door kunstlicht bediend worden.

De veiligheidsverlichting dient verder uitgebreid te worden zodanig dat de plaatsing en de verlichtingssterkte voldoende is om een gemakkelijke ontruiming te waarborgen. De veiligheidsverlichting moet tenminste gedurende 1 uur zonder onderbreking kunnen functioneren.

Artikel 4

Het college beslist dat de milieuvergunning ingaat op 5 oktober 2012 en eindigt op 5 oktober 2032.

Artikel 5

Dit besluit heeft in principe geen financiële gevolgen voor de stad of het OCMW.