Artikel 36,4° van Vlarem I bepaalt dat het college een uitspraak dient te doen over een milieuvergunningsaanvraag klasse 2.
Aanvrager: Jura Nightlife bvba - Napoleonkaai 55 - 2000 Antwerpen. De aanvraag omvat een dinner-dance-concept.
Het college beslist op basis van het verslag van de dienst milieuvergunningen, dat als bijlage bij dit besluit is gevoegd.
Het milieuvergunningendecreet van 28 juni 1985, meermaals gewijzigd, en haar uitvoeringsbesluiten (Vlarem I en II) bepalen dat niemand zonder vergunning of melding een hinderlijk inrichting mag exploiteren.
Het college beslist de milieuvergunning klasse 2, zoals geformuleerd in de argumentatie, goed te keuren aan Jura Nightlife bvba, Napoleonkaai 55, 2000 Antwerpen, om op het perceel gelegen 2030 Antwerpen, Limbastraat 1, kadastraal gekend als Antwerpen afdeling 7 sectie G nummer 1446/2A, een dinner-dance-concept te exploiteren.
Het college wijst erop dat de volgende algemene en sectorale voorwaarden van toepassing zijn:
Algemene voorwaarden
|
algemene milieuvoorwaarden – algemeen |
hoofdstuk 4.1, 4.7, 4.9 en bijlagen 4.1.9.1.6, 4.1.9.2.3.1, 4.1.9.2.3.2, 4.1.9.2.3.4 en 4.8 |
|
algemene milieuvoorwaarden – geluid |
hoofdstuk 4.5 en bijlagen 2.2.1, 2.2.2, 4.5.1, 4.5.2, 4.5.3, 4.5.4, 4.5.5 en 4.5.6 |
|
algemene milieuvoorwaarden – licht |
hoofdstuk 4.6 |
|
algemene milieuvoorwaarden – oppervlaktewater |
hoofdstuk 4.2 en bijlagen 4.2.5.1, 4.2.5.2 en 4.2.5.4 |
Sectorale voorwaarden
|
gassen - gemeenschappelijke bepalingen |
afdeling 5.16.1 en bijlage 5.16.5 |
|
gassen - koelinrichtingen / compressoren |
afdeling 5.16.3 |
|
gassen - opslagplaatsen in verplaatsbare recipiënten |
afdeling 5.16.5. en bijlagen 5.16.1 en 5.16.2 |
|
lokalen met dansgelegenheid |
afdeling 5.32.2 |
Het college beslist dat de exploitant de volgende bijzondere voorwaarden en brandweervoorwaarden dient na te leven:
Bijzondere voorwaarden
wanneer de inrichting geopend is, dient de poort, verbonden aan de patio, te allen tijde verankerd geopend te zijn. Aangezien één van de nooduitgangen van de clubruimte uitkomt op het plantaanterras, dient ook de toegangspoort van de openbare weg naar dit terras tijdens de exploitatie van het clubgedeelte te allen tijde verankerd geopend te zijn.
Opmerkingen van de brandweer en brandbestrijdingsmiddelen:
Volgende tekortkomingen werden vastgesteld:
Art. 200.1
De trappen, gangen en deuren evenals de wegen, die er naartoe leiden, hierna met de term "uitgang" aangeduid, moeten een snelle en gemakkelijke ontruiming van de inrichting mogelijk maken.
Er is steeds minimum één uitgang die rechtstreeks toegang geeft op de openbare weg of op een hiermee gelijkgestelde plaats.
Inrichtingen of gedeelten van inrichtingen, waar het maximum aantal personen honderd of meer bedraagt, moeten over ten minste twee afzonderlijke uitgangen beschikken.
Drie afzonderlijke uitgangen zijn vereist voor inrichtingen of gedeelten van inrichtingen waar het maximum aantal personen vijfhonderd of meer bedraagt.
Het berekenen van het aantal uitgangen moet gesteund zijn op de onderstelling dat, bij het verlaten van het gebouw, alle personen van een verdieping zich samen naar de naburige verdieping begeven en dat deze al ontruimd is, als zij er aankomen.
Niet in orde :
De patio dient over ten minste twee afzonderlijke uitgangen te beschikken.
Art. 200.6
De deuren in de uitgangswegen moeten ofwel in beide richtingen ofwel in vluchtzin opendraaien.
Tijdens de openingsuren van de inrichting mogen zij in geen geval vergrendeld of met een sleutel gesloten worden.
Uitgangsdeuren, die zich op minder dan hun breedte van de rooilijn bevinden, draaien naar binnen open en moeten tijdens de openingsuren van de inrichting permanent en vergrendeld openblijven.
Uitzondering wordt gemaakt voor uitgangsdeuren van een bijzonder type, die bij gewone druk alleen naar binnen kunnen draaien maar bij een sterkere druk ook naar buiten kunnen draaien; deze hoeven niet permanent en vergrendeld open te blijven tijdens de openingsuren van de inrichting.
De deuren in de uitgangswegen die twee uitgangen verbinden moeten in beide richtingen opendraaien.
Automatisch werkende deuren mogen gebruikt worden voor uitgangen die rechtstreeks naar buiten uitgeven, mits zij bij het uitvallen van de elektrische stroom of een ander defect automatisch in open stand worden gebracht. Trommeldeuren en draaipaaltjes zijn in uitgangen slechts in overtal toegelaten.
Niet in orde :
De draairichting van de deuren in de patio is niet aangegeven. Op het uitvoeringsplan is een deur extra voorzien van de club naar plantaanterras, op het grondplan van “the villa” is dit niet terug te vinden.
Art. 200.8
De plaats van elke uitgang evenals de richting van de wegen, uitgangswegen en trappen, die naar deze uitgangen leiden, worden aangeduid door de in onderafdeling 7 vermelde pictogrammen. De zichtbaarheid van de pictogrammen wordt verzekerd zowel door de normale verlichting als door de veiligheidsverlichting. Zij moeten vanuit alle delen van de voor het publiek toegankelijke lokalen goed waarneembaar zijn en in verhouding staan tot de afmeting van de ruimte. De tweede of derde uitgang mag eventueel aangeduid worden met het pictogram “nooduitgang”, vermeld in onderafdeling 7.
Opmerking: De pictogrammen dienen nog opgehangen volgens het begeleidend schrijven.
Art. 201.2
De inrichting moet voorzien worden van veiligheidsverlichting, die onmiddellijk en automatisch in dienst treedt bij het uitvallen van de stroom. Minimaal dienen armaturen aangebracht te worden boven elke uitgangsdeur, in alle evacuatiewegen (gangen en trappen), in de nabijheid van de brandbestrijdingsmiddelen en in alle lokalen die uitsluitend door kunstlicht bediend worden. De veiligheidsverlichting dient verder uitgebreid te worden zodanig dat de plaatsing en de verlichtingssterkte voldoende is om een gemakkelijke ontruiming te waarborgen. De veiligheidsverlichting moet tenminste gedurende 1 uur zonder onderbreking kunnen functioneren.
Opmerking: De veiligheidsverlichting dient voldoende te zijn om een gemakkelijke ontruiming te waarborgen.
Art. 204.1
De exploitant moet voldoende brandblusmiddelen aanbrengen, aangepast aan de omstandigheden.
In de inrichtingen toegankelijk voor publiek, moeten snelblustoestellen van het type 6 kg poeder ABC aangebracht worden à rato van 1 stuk per 150 m² totale oppervlakte met een minimum van twee snelblustoestellen. Deze snelblustoestellen dienen goed over de oppervlakte toegankelijk voor het publiek te worden verdeeld. Op elke verdieping moet minstens 1 snelblustoestel worden aangebracht.
Opmerking: De plaatsing van de brandblussers dient op het plan aangeduid.
Art. 204.7
Al het personeel moet omtrent de gevaren van brand in de inrichting ingelicht worden. Sommige personeelsleden, vooraf aangeduid omwille van de permanentie en de aard van hun functies, moeten geoefend worden in het hanteren van de brandbestrijdingsmiddelen en de ontruiming van de inrichting.
Opmerking: Het personeel dient geschoold te worden.
Art. 205.1
De binnenwanden, die de scheiding vormen van de voor het publiek toegankelijke lokalen en hun uitgangen, met de overige delen van het gebouw, dienen een Rf van ten minste een uur te hebben. De deuren in deze binnenwanden dienen een Rf van ten minste een half uur te hebben. Plafonds bestaande uit houten roosteringen, bekleed en eventueel geïsoleerd op een wijze die analoog is aan deze die beschreven is voor een getest plafond met een Rf van ten minste een uur, kunnen toegestaan worden.
Volgende aanhorigheden mogen beschouwd worden als deel uitmakend van het publiek toegankelijke gedeelte:
Opmerking: Op de plannen is niet waar te nemen welke deuren een Rf waarde hebben.
Art. 205.7
Wanneer uitbreidingswerken worden uitgevoerd aan een bestaande inrichting, moet de ganse inrichting voldoen aan de bepalingen van dit artikel tenzij het bestaande gedeelte van de inrichting brandwerend gecompartimenteerd wordt ten opzichte van de nieuwe delen van de inrichting. Wanneer de uitbreiding gebeurt buiten het lokaal toegankelijk voor publiek dient de uitbreiding met haar bijhorende evacuatiewegen aan onderhavig reglement te voldoen.
Opmerking: Op de plannen is niet waar te nemen welke wanden een Rf waarde hebben.
Opmerking
De aandacht van de aanvrager(s) wordt erop gevestigd dat indien later in het hierboven vernoemde gebouw personeel wordt tewerkgesteld conform artikel 2 §1 van de Wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, er dan ook zal dienen rekening gehouden met alle eventueel hierop van toepassing zijnde bepalingen uit het Algemeen Reglement voor de Arbeidsbescherming (ARAB) en de Codex voor Welzijn op het Werk.
Het toezicht hierop berust echter bij de Arbeidsinspectie.
Brandbestrijdingsmiddelen
1. Muurhaspels met axiale voeding (conform NBN EN 671-1) aangesloten via een aangepaste leiding op de openbare waterbedeling of ander gelijkwaardig voedingssysteem, dienen op oordeelkundig gekozen plaatsen opgesteld zodanig dat elk punt van de inrichting kan bespoten worden.
Hun aantal wordt zodanig bepaald dat de af te leggen afstand vanaf om het even welk punt tot het dichtst bijgelegen toestel niet meer bedraagt dan de lengte van de gebruikte haspels.
De haspels dienen gevoed met een leiding onder druk zodanig dat het debiet bij de minst bedeelde haspel gelijk is aan of groter dan 24 liter per minuut.
De leidingen voor bluswater dienen vervaardigd in staal of in een metaal dat minstens dezelfde waarborgen biedt.
De geplaatste muurhaspels dienen voorzien van een vergrendeling derwijze dat men het afsluitmondstuk niet kan verwijderen zonder het openen van een handbediende afsluiter op de watertoevoer.
De waterlevering moet te allen tijde, ook tijdens vorstperiode, gewaarborgd zijn.
2. Snelblustoestellen van minstens één bluseenheid conform NBN EN 3-7 - bij voorkeur 6 kg poeder type ABC - dienen aangebracht op volgende plaatsen: in elk publiek toegankelijke plaats minimaal 1 toestel.
Snelblustoestellen van minstens één bluseenheid conform NBN EN 3-7 – bij voorkeur 6 kg poeder type ABC – dienen goed verdeeld aangebracht à rato van 1 toestel per 150 m² (binnenruimte). Voor brandcompartimenten kleiner dan 300 m² dienen er in elk geval minstens twee toestellen aanwezig te zijn.
3. In het gebouw dienen maatregelen genomen om melding van brand en alarm door te geven.
4. De inrichting moet voorzien worden van veiligheidsverlichting, die onmiddellijk en automatisch in dienst treedt bij het uitvallen van de stroom.
Minimaal dienen armaturen aangebracht te worden boven elke uitgangsdeur, in alle evacuatiewegen (gangen en trappen), in de nabijheid van de brandbestrijdingsmiddelen en in alle lokalen die uitsluitend door kunstlicht bediend worden.
De veiligheidsverlichting dient verder uitgebreid te worden zodanig dat de plaatsing en de verlichtingssterkte voldoende is om een gemakkelijke ontruiming te waarborgen.
De veiligheidsverlichting moet ten minste gedurende 1 uur zonder onderbreking kunnen functioneren.
Noot
Vermits de exploitant ervoor gekozen heeft te behoren tot de inrichtingen die vanaf 1 januari 2013 vallen onder rubriek 32.1.2° van de indelingslijst, zijn vanaf dan volgende sectorale voorwaarden inzake geluid van toepassing:
1° het maximaal geluidsniveau mag LAeq,60min 100 dB(A) niet overschrijden. Als het maximale geluidsniveau, gemeten als LAeq,15min 102 dB(A) niet overschreden wordt, wordt geacht hieraan te zijn voldaan. Bij het meten van het geluidsniveau wordt zowel het geluid van muziek als het omgevingsgeluid in rekening gebracht;
2° het geluidsniveau geldt ter hoogte van de meetplaats, vermeld in artikel 1 van bijlage 5.32.2.2bis;
3° op initiatief en op kosten van de exploitant wordt LAeq,60min continu gemeten en geregistreerd door middel van meetapparatuur die voldoet aan de vereisten, vermeld in artikel 2 van bijlage 5.32.2.2bis en kan LAeq,15min gemeten worden. Het geluidsniveau wordt gemeten ter hoogte van de meetplaats, vermeld in artikel 1 van bijlage 5.32.2.2bis. Het geluidsniveau is tijdens de muziekactiviteit continu zichtbaar voor en wordt continu bewaakt door de exploitant of door een door hem aangestelde persoon.
De geregistreerde gegevens worden ter beschikking gehouden van de toezichthoudende overheid gedurende een periode van ten minste een maand.
De verplichting tot het meten en registreren van het geluidsniveau geldt niet als door de exploitant een geluidsbegrenzer gebruikt wordt die zo wordt afgesteld dat de norm, vermeld in het eerste lid, gerespecteerd wordt. De geluidsbegrenzer moet voldoen aan de vereisten, vermeld in artikel 2 van bijlage 5.32.2.2bis.
4° de exploitant neemt de volgende maatregelen om de bezoekers te beschermen tegen gehoorschade:
a) het kosteloos ter beschikking stellen aan alle bezoekers van gehoorbescherming voor eenmalig gebruik; en
b) het opmaken van een geluidsplan om het geluidsniveau in de inrichting te optimaliseren in geval van permanente geluidsinstallaties die tot de inrichting behoren. Het geluidsplan moet ten minste de volgende gegevens bevatten:
Het geluidsplan wordt opgemaakt door een milieudeskundige die erkend is in de discipline geluid en trillingen. Dat plan maakt in voorkomend geval deel uit van het akoestische onderzoek, vermeld in artikel 5.32.2.3, § 1. Het geluidsplan is aanwezig in de inrichting en ligt ter inzage van de toezichthoudende overheid.
Bijlage 5.32.2.2bis: meet- en registratiemethode voor het meten van het geluidsniveau van muziek in inrichtingen
Artikel 1. Meetplaats
Tenzij anders bepaald in de milieuvergunning, voldoet de meetplaats aan de volgende voorwaarden:
1° de meetplaats bevindt zich op een hoogte tussen 1,5 en 3 meter boven de vloer en op ten minste 0,5 meter van het plafond en de wanden;
2° de meetplaats bevindt zich ter hoogte van de mengtafel, voor zover de mengtafel zich tussen het publiek en centraal tussen de belangrijkste luidsprekers bevindt;
3° indien niet voldaan wordt aan de voorwaarden, vermeld in 2°, bevindt de meetplaats zich tussen het publiek en centraal tussen de belangrijkste luidsprekers;
4° de meetplaats is toegankelijk voor de toezichthoudende overheid.
Artikel 2: eisen waaraan de meetketen moet voldoen
De meetketen moet bestaan uit apparatuur die ten minste voldoet aan volgende voorwaarden:
1° de meet- en registratieapparatuur voldoet aan de eisen gesteld voor klasse 2-meetinstrumenten in de NBN-normen (NBN EN 60651 (1996) of recenter);
2° de meet- en registratieapparatuur moet zo geïnstalleerd worden dat die niet kan gemanipuleerd worden door derden. Dit geldt ook voor de meetmicrofoon;
3° de meetmicrofoon van de meet- en registratieapparatuur moet zo geïnstalleerd worden dat hij niet afgeschermd wordt voor het geluid waaraan de bezoekers worden blootgesteld;
4° de meet- en registratieapparatuur moet zo uitgerust zijn dat gedurende de volledige activiteit kan gemeten worden;
5° de meet- en registratieapparatuur kan te allen tijde gecontroleerd worden door de toezichthoudende overheid.
Het college beslist dat de milieuvergunning vergund wordt voor een periode van 60 maanden, ingaande vanaf de dag dat de stedenbouwkundige vergunning definitief verleend wordt.