Artikel 36, 4° van Vlarem I bepaalt dat het college een uitspraak dient te doen over een milieuvergunningsaanvraag klasse 2.
Aanvrager: CW Techniek nv - Smallandlaan 14 bus B - 2660 Hoboken-Antwerpen. De aanvraag omvat het exploiteren van een bedrijf voor het vervaardigen van metalen en kunststoffen producten.
Het college beslist op basis van het verslag van de dienst milieuvergunningen, dat als bijlage bij dit besluit is gevoegd.
Het milieuvergunningendecreet van 28 juni 1985, meermaals gewijzigd, en haar uitvoeringsbesluiten (Vlarem I en II) bepalen dat niemand zonder vergunning of melding een hinderlijke inrichting mag exploiteren.
Het college beslist een milieuvergunning klasse 2 goed te keuren aan CW Techniek nv, Smallandlaan 14 bus B, 2660 Hoboken-Antwerpen, voor de inrichting gelegen op het adres: Smallandlaan 4 unit 1, 2660 Hoboken-Antwerpen. De vergunning heeft als voorwerp de exploitatie van een bedrijf voor het vervaardigen van metalen en kunststoffen producten.
Het college wijst erop dat voor de exploitant de volgende algemene en sectorale voorwaarden van toepassing zijn:
|
algemene milieuvoorwaarden - algemeen |
hoofdstuk 4.1,4.7,4.9 en bijlagen 4.1.9.1.6, 4.1.9.2.3.1,4.1.9.2.3.2, 4.1.9.2.3.4 en 4.8; |
|
algemene milieuvoorwaarden - geluid |
hoofdstuk 4.5 en bijlage 2.2.1, 2.2.2, 4.5.1,4.5.2,4.5.3, 4.5.4,4.5.5 en 4.5.6; |
|
algemene milieuvoorwaarden - oppervlaktewater |
hoofdstuk 4.2 en bijlagen 4.2.5.1, 4.2.5.2 en 4.2.5.4; |
|
opslag van gevaarlijke stoffen - ondergrondse en bovengrondse houders |
afdeling 5.17.1 en bijlage 5.17.1; |
|
opslag van gevaarlijke stoffen - bovengrondse houders |
afdeling 5.17.3 en bijlagen 5.17.2 tot 5.17.4 en bijlagen- 5.17.7; |
|
kunststoffen |
hoofdstuk 5.23; |
|
metalen |
hoofdstuk 5.29. |
Het college beslist dat de exploitant de volgende brandweervoorwaarden dient na te leven:
Onafhankelijk van de verplichtingen aan de houder van de milieuvergunning opgelegd via de vigerende milieureglementering alsmede via het milieuvergunningbesluit, en onverminderd de maatregelen ter voorkoming en bestrijding van brand, door de houder van de milieuvergunning te treffen in uitvoering van de algemene en sectorale milieuvoorwaarden, dient de houder van de milieuvergunning reeds te voorzien in de hierna vermelde blusmiddelen voor eerste tussenkomst:
a) Bluswatervoorziening buiten de opslagplaatsen
Rondom de opslagplaatsen dienen bovengrondse hydranten opgesteld te worden en dit in overleg met de brandweer. Deze hydranten moeten:
- opgesteld op een onderlinge afstand van ongeveer 80 meter en op een afstand van de gevel overeen te komen met de brandweer;
- voldoen aan de norm NBN S 21-019 type BH 100;
- worden uitgerust met afsluiters op de uitgeefkanten met een doormeter van 70 mm;
- worden aangesloten, met een aansluiting van het directe type, op een ringleiding met een diameter aangepast aan het te bestrijden risico, doch minimaal 150 mm; hetzij op het net van de openbare waterleiding, hetzij in eigen beheer gevoed, zodat een minimale statische druk van 3 bar gegarandeerd is.
Voor de watervoorziening van deze hydranten dient men te voorzien in:
- hoeveelheid = nodige hoeveelheid voor het grootste compartiment (500 liter/minuut per 1 000 m2) + 1 000 liter/minuut en dit gedurende 2 uur;
- een reservoir van 400 m3 indien aan het gevraagde debiet niet door het openbaar waterbedelingsnet kan geleverd worden (deze voorraad staat los van de nodige behoeften voor het sprinkler systeem).
De aansluiting op het voedingsnet dient zodanig te zijn dat het maximumdebiet onmiddellijk beschikbaar is bij gebruik van de hydranten.
Op de ringleiding dienen op oordeelkundige plaatsen afsluiters aangebracht zodat bij een mogelijke breuk, het getroffen gedeelte kan afgesloten worden, zonder de totale watervoorziening in gedrang te brengen.
De leidingen dienen vervaardigd uit staal of uit een materiaal dat dezelfde waarborgen biedt. Ter staving dienen de nodige rapporten voorgelegd te worden.
b) Bluswatervoorzieningen binnen de opslagplaatsen
In de opslagplaatsen moet een natte bluswaterleiding van 70 mm diameter geplaatst worden, aangesloten op het hoger vermelde voedingsnet door middel van een buis van minstens 75 mm.
Op deze leiding dienen muurhaspels met axiale voeding (conform NBN 671-1) + muurhydrant (volgens NBN 571 en voorzien van koppelstukken 45 mm volgens KB 30 januari 1975) aangesloten te worden, al dan niet voorzien van een schuiminstallatie, dit in functie van de opgeslagen producten.
Hun aantal en plaats wordt zodanig bepaald dat ieder punt van het compartiment kan bereikt worden door de stralen van twee straalpijpen.
De leiding die de toestellen voedt met water onder druk, heeft de volgende kenmerken: de binnendiameter en de voedingsdruk moeten zodanig zijn dat de druk aan de minst bedeelde haspel beantwoordt aan de voorschriften van NBN 671-1, ermee rekening houdend dat 3 haspels met axiale voeding gelijktijdig moeten kunnen werken. De toestellen worden zonder voorafgaande bediening gevoed met water. Deze druk bedraagt ten minste 2,5 bar op het meest ongunstige punt.
c) Snelblustoestellen
Snelblustoestellen van minstens een bluseenheid conform NBN EN 3-7 - bij voorkeur 6 kg poeder type ABC - dienen aangebracht op volgende plaatsen:
- nabij de in gebruik zijnde poorten en vluchtdeuren;
- in de nabijheid van de muurhaspels;
- nabij de opslag ontvlambare vloeistoffen (Kast 1 + 2).
Verder dient men de overige snelblustoestellen van minstens een bluseenheid conform NBN EN 3-7 - bij voorkeur 6 kg poeder type ABC - doelmatig te verdelen over de inrichting tot men in totaal over 1 toestel per 150 m2 beschikt.
Maximaal de helft van de snelblustoestellen van tenminste een bluseenheid conform NBN EN 3-7 mag vervangen worden door voldoende aantal mobiele blusapparaten van tenminste 10 bluseenheden conform NBN EN 3-7 en NBN EN 1866, opdat het minimum aantal bluseenheden bereikt wordt.
Een snelblustoestel van 5 kg CO2 - 1/2 bluseenheid conform NBN EN 3-7 - dient in overtal aangebracht nabij elk belangrijk elektriciteitsbord.
Opmerking:
De voorwaarden opgelegd bij de bouwvergunning volgens het advies van de brandweer met referentie G.00194.HO.0005 blijven geldig.
Het college beslist dat de milieuvergunning ingaat op 23 november 2012 en eindigt op 23 november 2032.