Terug

2012_CBS_11006 - Milieuvergunning Vlarem klasse 3 bijzondere voorwaarden - Man Diesel & Turbo Benelux nv, Noorderlaan 181, 2030 Antwerpen. Dossiernummer AN2012/576/AVG - Kennisneming

college van burgemeester en schepenen
vr 26/10/2012 - 09:00 digitaal
Kennis genomen

Samenstelling

Aanwezig

Patrick Janssens, burgemeester; Robert Voorhamme, schepen; Philip Heylen, schepen; Ludo Van Campenhout, schepen; Marc Van Peel, schepen; Luc Bungeneers, schepen; Leen Verbist, schepen; Roel Verhaert, stadssecretaris

Afwezig

Guy Lauwers, schepen; Güler Turan, schepen; Serge Muyters, waarnemend korpschef

Secretaris

Roel Verhaert, stadssecretaris

Voorzitter

Patrick Janssens, burgemeester
2012_CBS_11006 - Milieuvergunning Vlarem klasse 3 bijzondere voorwaarden - Man Diesel & Turbo Benelux nv, Noorderlaan 181, 2030 Antwerpen. Dossiernummer AN2012/576/AVG - Kennisneming 2012_CBS_11006 - Milieuvergunning Vlarem klasse 3 bijzondere voorwaarden - Man Diesel & Turbo Benelux nv, Noorderlaan 181, 2030 Antwerpen. Dossiernummer AN2012/576/AVG - Kennisneming

Motivering

Gekoppelde besluiten

Regelgeving: bevoegdheid

Artikel 4 § 1 van Vlarem I bepaalt dat het college akte moet nemen van meldingen van klasse 3-inrichtingen.

Aanleiding en context

Meldingen van klasse 3-inrichtingen worden conform de wetgeving aan het college bekendgemaakt. De melding opgenomen als bijlage werd op de dienst milieuvergunningen binnengebracht en geregistreerd.

Argumentatie

De volgende melding van klasse 3-inrichtingen werd volledig en ontvankelijk bevonden zodat van deze melding akte kan worden genomen zoals voorzien in de Vlarem-procedure.

Juridische grond

Het milieuvergunningendecreet van 28 juni 1985, meermaals gewijzigd, en haar uitvoeringsbesluiten (Vlarem I en II) bepalen dat niemand zonder voorafgaande en schriftelijke vergunning of melding een als hinderlijk ingedeelde inrichting klasse 1, 2 of 3 mag exploiteren of veranderen. Artikel 4 § 2 van het milieuvergunningendecreet bepaalt dat niemand zonder daarvan vooraf melding te hebben gemaakt, een inrichting die tot de klasse 3 behoort, mag exploiteren of veranderen. Artikel 20 van het milieuvergunningendecreet en artikel 3.3.0.2 van Vlarem II bepalen dat aan inrichtingen van klasse 3 bijzondere vergunningsvoorwaarden kunnen worden opgelegd.

Besluit

Het college van burgemeester en schepenen beslist:

Artikel 1

Het college neemt akte van de klasse 3-inrichting zoals vermeld in het verslag van de dienst milieuvergunningen dat werd opgenomen als bijlage.

Artikel 2

Het college beslist dat de exploitant volgende algemene en sectorale voorwaarden dient na te leven:

1 Algemene voorwaarden:

algemene milieuvoorwaarden, algemeen – hoofdstuk 4.1, 4.7, 4.9 en bijlagen 4.1.9.1.6, 4.1.9.2.3.1, 4.1.9.2.3.2, 4.1.9.2.3.4 en 4.8;

algemene milieuvoorwaarden, geluid – hoofdstuk 4.5 en bijlagen 2.2.1, 2.2.2, 4.5.1, 4.5.2, 4.5.3, 4.5.4, 4.5.5 en 4.5.6;

algemene milieuvoorwaarden – oppervlaktewater – hoofdstuk 4.2 en bijlagen 4.2.5.1, 4.2.5.2 en 4.2.5.4;

algemene milieuvoorwaarden, lucht – hoofdstuk 4.4 en bijlagen 4.4.1 tot 4.4.6 en hoofdstuk 4.10;

algemene milieuvoorwaarden – licht – hoofdstuk 4.6.

2 Sectorale voorwaarden:

elektriciteit – hoofdstuk 5.12;

gassen – installaties voor het fysisch behandelen van gassen onder andere koelinstallaties, compressoren – afdeling 5.16.3;

gassen – gemeenschappelijke bepalingen – afdeling 5.16.1 en bijlage 5.16.5;

gassen – opslagplaatsen in verplaatsbare recipiënten – afdeling 5.16.5. en bijlagen 5.16.1 en 5.16.2;

opslag van gevaarlijke stoffen / ondergrondse en bovengrondse houders – algemene bepalingen – afdeling 5.17.1, en bijlage 5.17.1;

opslag van gevaarlijke stoffen: ondergrondse houders – afdeling 5.17.2 en bijlagen 5.17.2, 5.17.3, 5.17.4, 5.17.5, 5.17.6 en 5.17.7;

opslag van gevaarlijke stoffen: bovengrondse houders – afdeling 5.17.3 en bijlagen 5.17.2 tot 5.17.4 en bijlage 5.17.7;

metalen – hoofdstuk 5.29.

Artikel 3

Het college beslist dat de exploitant volgende bijzondere voorwaarden dient na te leven:

  1. de  werkplaatsen voor motoren en hun aanhorigheden zijn van alle bewoonde lokalen en hun toegangen afgescheiden door volle muren, schutsels, zolderingen, vloeren in metselwerk of in beton. Deuren met automatische sluiting die aan het vuur weerstaan mogen evenwel in de muren en schutsels worden aangebracht;
  2. de vloer van de werkplaats is effen, ondoordringbaar en onbrandbaar;
  3. de bewoonde lokalen dienen over tenminste een van de werkplaats onafhankelijke toegang te beschikken;
  4. de werkplaatsen worden voortdurend doeltreffend verlucht derwijze dat de atmosfeer er nooit giftig of ontplofbaar kan worden;
  5. het is verboden een ontploffingsmotor of een motor met inwendige verbranding werkingsklaar te maken of te herstellen, indien deze verrichtingen het langdurig draaien van deze motor vergen, tenzij er een opvanginrichting is voorzien die de afvalgassen rechtstreeks in de atmosfeer brengt.

Artikel 4

Dit besluit heeft in principe geen financiële gevolgen voor de stad of het OCMW.