Terug

2012_GR_01074 - Selectie korpschef - Functiebeschrijving en profielvereisten mandaat lokale korpschef - Kennisneming

gemeenteraad
ma 24/09/2012 - 19:00 Raadzaal, stadhuis
Kennis genomen

Samenstelling

Aanwezig

Patrick Janssens, burgemeester-voorzitter; Robert Voorhamme, schepen; Philip Heylen, schepen; Ludo Van Campenhout, schepen; Marc Van Peel, schepen; Luc Bungeneers, schepen; Guy Lauwers, schepen; Güler Turan, schepen; Leen Verbist, schepen; Hilda Vienne, raadslid; Johan Van Brusselen, raadslid; Bob Hulstaert, raadslid; Filip Dewinter, raadslid; Nahima Lanjri, raadslid; Jan Penris, raadslid; Hugo Verhelst, raadslid; Erwin Pairon, raadslid; Claude Marinower, raadslid; Gerolf Annemans, raadslid; Kathleen Van Brempt, raadslid; Freya Piryns, raadslid; Caroline Drieghe, raadslid; Youssef Slassi, raadslid; Wim Wienen, raadslid; Suzette Verhoeven, raadslid; George Ver Eecke, raadslid; Ergün Top, raadslid; Staf Wouters, raadslid; Chris Calluy, raadslid; Anke Van dermeersch, raadslid; Fauzaya Talhaoui, raadslid; Maya Detiège, raadslid; Karim Bachar, raadslid; Bart De Wever, raadslid; Monica De Coninck, raadslid; Jurgen Verstrepen, raadslid; Bruno Valkeniers, raadslid; Sener Ugurlu, raadslid; Fatma Akbas, raadslid; Greet van Gool, raadslid; Bart Martens, raadslid; Eva Mangelschots, raadslid; Toon Wassenberg, raadslid; Peggy Pooters, raadslid; Jo Vermeulen, raadslid; Eva Wuyts, raadslid; Wim Van Osselaer, raadslid; Kris Luyckx, raadslid; Nancy Verrijke, raadslid; Angie Bosmans, raadslid; Christophe Wuyts, raadslid; Roel Verhaert, stadssecretaris

Afwezig

Tanja Smit, raadslid; Frank Hosteaux, raadslid; Seppe De Blust, raadslid; Ilse Buyst, raadslid; Serge Muyters, waarnemend korpschef

Secretaris

Roel Verhaert, stadssecretaris

Voorzitter

Patrick Janssens, burgemeester-voorzitter
2012_GR_01074 - Selectie korpschef - Functiebeschrijving en profielvereisten mandaat lokale korpschef - Kennisneming 2012_GR_01074 - Selectie korpschef - Functiebeschrijving en profielvereisten mandaat lokale korpschef - Kennisneming

Motivering

Regelgeving: bevoegdheid

Artikel 48 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus.

Aanleiding en context

De functiebeschrijving van een bepaald bij mandaat te begeven ambt en de daaruit voortvloeiende profielvereisten kunnen, in voorkomend geval, verschillen naar gelang van de concrete aard en omvang van het ambt en de concrete plaats waar het ambt wordt uitgeoefend. (art. VII.III.4. van Koninklijk Besluit van 30 maart 2011 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten (RpPol)).

De minister bepaalt de functiebeschrijving en de daaruitvloeiende profielvereisten van een korpschef, na advies van de adviesraad van burgemeesters en van de vaste commissie van de lokale politie (art. VII.III.5. RpPol, miniserieel besluit van 11 januari 2006 tot vaststelling van de functiebeschrijving en de daaruit voorvloeiende profielvereisten van een korpschef).

Argumentatie

Het minsisterieel besluit van 11 januari 2006 tot vaststelling van de functiebeschrijving en de daaruit voortvloeiende profielvereisten van een korpschef bepaalt de volgende functiebeschrijving en profielvereisten:

I. Aanwijzing.

De korpschef van de lokale politie wordt door de Koning in zijn functie aangewezen op gemotiveerde voordracht van de gemeenteraad of van de politieraad en na gemotiveerd advies van de procureur-generaal bij het hof van beroep en van de gouverneur, uit de door een selectiecommissie geschikt bevonden kandidaten

II. Plaats in de organisatie.

De korpschef van de lokale politie staat in voor de leiding van het lokale politiekorps en dit onder het gezag van de burgemeester of van het politiecollege.

III. Algemene functieomschrijving.

  • De korpschef is lid van de zonale veiligheidsraad die in elke politiezone wordt opgericht, en waarbinnen een systematisch overleg wordt georganiseerd tussen de burgemeester(s), de procureur des Konings, de korpschef van de lokale politie en de bestuurlijke directeur-coördinator van de federale politie of zijn afgevaardigde.
  • De korpschef is, onder het gezag van de burgemeester of van het politiecollege, verantwoordelijk voor de uitvoering van het lokale politiebeleid, en meer bepaald, voor de uitvoering van het zonaal veiligheidsplan.
  • De korpschef staat in voor de leiding, de organisatie en de verdeling van de taken binnen het lokale politiekorps en de uitvoering van het beheer van dit korps.
  • De korpschef is verantwoordelijk voor de uitvoering door het politiekorps van de lokale opdrachten, van de richtlijnen met betrekking tot de opdrachten met een federaal karakter en van de opvorderingen evenals van de toepassing van de organisatie- en uitrustingsnormen zoals bepaald in de artikelen 141 en 142 WGP.
  • Voor de uitoefening van zijn functie kan de korpschef de in artikel 104, 1°, van de WGP, bedoelde hulp inroepen.
  • Met het oog op een goed beheer van het politiekorps, licht de korpschef zo spoedig mogelijk de burgemeester of het politiecollege in over alles wat het lokale politiekorps en de uitvoering van zijn opdrachten aangaat. Hij licht hem ook in over de initiatieven die de lokale politie overweegt te nemen en die betrekking hebben op het zonale veiligheidsbeleid.
  • Hij moet elke maand verslag uitbrengen aan de burgemeester of aan het politiecollege over de werking van het korps en hem op de hoogte brengen van de klachten van buitenaf aangaande de werking van het korps of het optreden van zijn personeel.
  • Toezicht op en de uitvoering van de wettelijke taken zoals omschreven in de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt en in de titels II en IV van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus.
  • Toezicht op en uitoefenen van de bevoegdheid gekoppeld aan de hoedanigheid van officier van bestuurlijke politie.
  • Toezicht op en uitoefenen van de bevoegdheid gekoppeld aan de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings.
  • Eindverantwoordelijke met betrekking tot het intern toezicht.
  • Het onderhoud van externe relaties.
  • Het voeren van functionerings- en evaluatiegesprekken.

 IV. Algemene voorwaarden.

  De aanwijzingen gebeuren uitsluitend op vrijwillige basis.

  Voor de aanwijzing voor een mandaat komt uitsluitend in aanmerking het personeelslid dat:

  • deel uitmaakt van het operationeel kader;
  • beantwoordt aan de profielvereisten van een korpschef van de lokale politie;
  • geen evaluatie met eindvermelding "onvoldoende" verkreeg in de loop van de 5 jaar die de indiening van de kandidatuur voorafgaan;
  • zich bevindt in een administratieve stand waar het zijn aanspraken op bevordering en baremische loopbaan kan doen gelden;
  • geen zware tuchtstraf heeft opgelopen die nog niet is uitgewist;
  • minimum 30 jaar oud is of 5 jaar in een graad van officier heeft of in één van de graden die in aanmerking komen om zich kandidaat te stellen;
  • de leeftijd van zestig jaar niet heeft bereikt.

  Deze voorwaarden moeten vervuld zijn uiterlijk op de datum van de indiening van de kandidaatstelling.

V. Specifieke voorwaarden.

 

  A. Kennis.

  • Grondige kennis van de wettelijke bepalingen met betrekking tot het politiewezen.
  • Grondige kennis van de organisatie, structuren en de verschillende bevoegdheden van de twee niveaus van de geïntegreerde politiedienst.
  • Beschikken over een elementaire kennis van de bevoegdheden van de toezichtsorganen en voogdijoverheden.
  • Beschikken over een elementaire kennis van het financieel - en middelenbeheer van een politiezone.
  • Beschikken over een elementaire kennis van de HR-technieken.
  • Beschikken over een grondige kennis van de tuchtwetgeving en de daaraan gekoppelde procedures.
  • Beschikken over een grondige kennis van de deontologische code en de toepassing ervan.
  • Kennis van algemeen organisatiemanagement.
  • Kennis van projectmanagement.
  • Grondige kennis van alle aspecten van basispolitiezorg en inzicht hebben in criminaliteitsfenomenen en -problemen.

  B. Vaardigheden.

  • Leidinggevende vaardigheden:

    • op een transparante wijze doelstellingen kunnen formuleren;
    • effectief kunnen organiseren;
    • helder en open kunnen communiceren;
    • wederzijdse betrokkenheid en vertrouwen creëren;
    • samen evolueren en verder leren.
  • De bekwaamheid tot het ontwikkelen van een missie, visie en waarden voor zijn politieorganisatie, en het vervullen van een voorbeeldrol.
  • Persoonlijke betrokkenheid bij het verzekeren dat het managementsysteem van de organisatie ontwikkeld, geïmplementeerd en voortdurend verbeterd wordt.
  • Persoonlijke betrokkenheid bij klanten, partners en vertegenwoordigers van de gemeenschap.
  • De bekwaamheid om de bij wet bepaalde en door de overheden opgelegde opdrachten uit te voeren.
  • De bekwaamheid om de verschillende opdrachten van de diverse opdrachtgevers op een coherente wijze tot een goed einde te brengen, en dit met de ter beschikking gestelde werkvormen en middelen.
  • De bekwaamheid tot organiseren: de bekwaamheid een organisatiestructuur te ontwikkelen voor de efficiënte en effectieve uitvoering van de opdrachten van de lokale politie.
  • De bekwaamheid tot delegeren: eigen beslissingsbevoegdheden en verantwoordelijkheden op efficiënte wijze aan collega's/medewerkers toebedelen.
  • De bekwaamheid om de principes van het human resources management toe te passen binnen de organisatie.
  • De bekwaamheid om de medewerkers te motiveren.
  • Inzetten van de juiste medewerker op de juiste plaats.
  • De bekwaamheid tot plannen van de werkzaamheden van de dienst: op effectieve wijze prioriteiten bepalen en aangeven welke acties nodig zijn om de gestelde doelen op korte - en lange termijn te realiseren.
  • De bekwaamheid tot relativeren.
  • Politiezone-overschrijdend kunnen denken.
  • Zelfstandige beslissingen kunnen nemen: beslissingen kunnen nemen zonder problemen voor zich uit of in de schoenen van anderen te schuiven.
  • Initiatief durven nemen.
  • Bekwaamheid tot onderhandelen.
  • Bekwaamheid tot samenwerken: samen met de medewerkers bijdragen tot een gezamenlijk resultaat.
  • Een realistisch zicht hebben op de verhoudingen politieke beleidsvoering - korpswerking.
  • Over goede mondelinge en schriftelijke communicatieve vaardigheden beschikken.
  • Probleemoplossend ingesteld zijn: efficiënt zijn in het opsporen van mogelijke oorzaken van problemen alsook bijdragen tot het zoeken naar oplossingen.
  • Contactvaardig zijn.
  • In staat zijn een beleid inzake integriteit te ontwikkelen.

  C. Attitudes.

  • Dynamisch en creatief zijn: met de nodige verbeeldingskracht langs onbetreden paden een doel nastreven en de bereidheid om het risico te nemen om met onzekerheden om te gaan, de capaciteit en bereidheid om nieuwe of alternatieve doelstellingen te formuleren die een breuk zijn met tradities en oude vertrouwde gewoontes.
  • Over een grote integriteit beschikken: respect voor anderen, noch favoritisme noch discriminatie.
  • Over het nodige gezag beschikken: niet alleen een voldoende dominante persoonlijkheid hebben om mensen en situaties te beheersen en te leiden, maar ook dit gezag weten uit te stralen zodat men als vanzelfsprekend als leider wordt aanvaard.
  • Duidelijkheid, transparantie: geen mysterieuze of wisselvallige figuur van wie men zelden weet wat hij bedoelt of waar hij naar toe wil; wel iemand die zich helder, duidelijk en vatbaar weet uit te drukken zodat de boodschap exact begrepen kan worden.
  • Hoge frustratietolerantie en incasseringsvermogen.
  • Stressbestendig zijn.
  • Openstaan voor de problemen van alle personeelsleden en deze discreet kunnen behandelen.
  • Innovatief en creatief denken.
  • In alle omstandigheden blijk geven van een correcte ingesteldheid en van een voorbeeldfunctie.
  • Aanpassingsbereid zijn.

  D. Specifieke vereisten.

  • Cognitief engagement: de wil en het vermogen om zich steeds verder te vervolmaken in de uitoefening van zijn functie, ook via schriftelijke documentatiebronnen, het bijwonen van colloquia, vormingssessies, symposia, ...
  • Sociaal engagement: het vermogen empathisch en sociaal voelend het maatschappelijke probleemveld aan te pakken vanuit een politioneel vaktechnische achtergrond.
  • Ervaring in de toepassing van moderne managementtechnieken.
  • In staat zijn om in contact te treden met de bevolking en om in te spelen op de behoeften van de bevolking.
  • Het kunnen inschatten van de te vragen materiële en menselijke ondersteuning aan het federale niveau voor de uitvoering van de eigen lokale opdrachten.
  • Het kunnen inschatten van de te leveren materiële en menselijke ondersteuning aan het federale niveau, en dit in functie van het verzekeren van de continuïteit in de lokale basispolitiezorg.
  • Beschikken over de vereiste visie op de ontwikkeling van de nodige bilaterale akkoorden met de andere lokale zones om een volwaardige politieorganisatie te kunnen garanderen binnen het arrondissement.
  • Beschikken over de vereiste vaardigheden en over de ingesteldheid om in dialoog te treden met de politieke overheden (federale en lokale).

Juridische grond

  • Wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus.
  • Koninklijk Besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten.
  • Ministerieel besluit van 28 december 2001 tot uitvoering van sommige bepalingen van het Koninklijk Besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten.
  • Ministerieel besluit van 11 januari 2006 tot vaststelling van de functiebeschrijving en de daaruit voortvloeiende profielvereisten van een korpschef.

Besluit

De gemeenteraad neemt kennis van het volgende besluit.

De gemeenteraad beslist:

Artikel 1

De gemeenteraad neemt kennis van onderstaande functiebeschrijving en profielvereisten voor het mandaat van korpschef.

Artikel 2

Dit besluit heeft in principe voor de stad geen financiële gevolgen.