Artikel 36,4° van Vlarem I bepaalt dat het college een uitspraak dient te doen over een milieuvergunningsaanvraag klasse 2.
Artikel 20 van het Milieuvergunningendecreet bepaalt dat naast de geldende algemene en sectorale vergunningsvoorwaarden aan inrichtingen van klasse 3 bijzondere vergunningsvoorwaarden kunnen worden opgelegd.
Aanvrager: Dibo Car- & Truckwash nv - Sint-Jansveld 7 - 2160 Wommelgem. De aanvraag omvat een self-carwash.
Het college beslist op basis van het verslag van de dienst milieuvergunningen, dat als bijlage bij dit besluit is gevoegd.
Het milieuvergunningendecreet van 28 juni 1985, meermaals gewijzigd, en haar uitvoeringsbesluiten (Vlarem I en II) bepalen dat niemand zonder vergunning of melding een hinderlijk inrichting mag exploiteren.
Het college neemt kennis van de klasse 3-inrichtingen zoals vermeld in het verslag van de dienst milieuvergunningen dat werd opgenomen als bijlage.
Het college wijst erop dat volgende algemene en sectorale voorwaarden van toepassing zijn:
|
V01 |
algemene milieuvoorwaarden (hoofdstuk 4.1); |
|
V02 |
algemene milieuvoorwaarden, geluid (hoofdstuk 4.5); |
|
V03 |
algemene milieuvoorwaarden, oppervlaktewater (hoofdstuk 4.2); |
|
V26 |
bedrijfsafvalwater (afdeling 5.3.2 en bijlage 5.3.2); |
|
V37 |
garages en parkeerplaatsen (hoofdstuk 5.15); |
|
V46A |
gevaarlijke producten, algemene bepalingen (hoofdstuk 5.17, afdeling 5.17.1). |
Het college beslist dat de exploitant de volgende bijzondere voorwaarden en brandweervoorwaarden dient na te leven:
Bijzondere voorwaarden:
Brandweervoorwaarden:
B1
Onafhankelijk van de verplichtingen aan de houder van de milieuvergunning opgelegd via de vigerende milieureglementering alsmede via het milieuvergunningsbesluit, en onverminderd de maatregelen ter voorkoming en bestrijding van brand, door de houder van de milieuvergunning te treffen in uitvoering van de algemene en sectorale milieuvoorwaarden, dient de houder van de milieuvergunning reeds te voorzien in de hierna vermelde blusmiddelen voor eerste tussenkomst:
S1
Er dienen minstens twee snelblustoestellen van minstens 6 kg poeder type ABC te worden aangebracht.
Er mogen snelblustoestellen van een ander type aangewend worden op de plaats waar zij meer aangewezen zijn, voor zover de aangebrachte blusmiddelen minstens evenwaardig zijn aan de bovenvermelde.