Terug

2012_CBS_06410 - Milieuvergunningen Vlarem klasse 2 - LVT nv, Romeynsweel 1A, 2030 Antwerpen. Dossiernummer AN2011/708/AVG - Goedkeuring

college van burgemeester en schepenen
vr 22/06/2012 - 09:00 Collegezaal, stadhuis
Goedgekeurd

Samenstelling

Aanwezig

Patrick Janssens, burgemeester; Robert Voorhamme, schepen; Philip Heylen, schepen; Ludo Van Campenhout, schepen; Marc Van Peel, schepen; Luc Bungeneers, schepen; Guy Lauwers, schepen; Güler Turan, schepen; Leen Verbist, schepen; Roel Verhaert, stadssecretaris

Afwezig

Serge Muyters, waarnemend korpschef

Secretaris

Roel Verhaert, stadssecretaris

Voorzitter

Patrick Janssens, burgemeester
2012_CBS_06410 - Milieuvergunningen Vlarem klasse 2 - LVT nv, Romeynsweel 1A, 2030 Antwerpen. Dossiernummer AN2011/708/AVG - Goedkeuring 2012_CBS_06410 - Milieuvergunningen Vlarem klasse 2 - LVT nv, Romeynsweel 1A, 2030 Antwerpen. Dossiernummer AN2011/708/AVG - Goedkeuring

Motivering

Regelgeving: bevoegdheid

Artikel 36,4° van Vlarem I bepaalt dat het college een uitspraak dient te doen over een milieuvergunningsaanvraag klasse 2.

Aanleiding en context

Aanvrager: LVT nv - D'Herbouvillekaai 6, 2020 Antwerpen. De aanvraag omvat nieuwe klasse 2 voor een transportbedrijf.

Argumentatie

Het college beslist op basis van het verslag van de dienst milieuvergunningen, dat als bijlage bij dit besluit is gevoegd.

Juridische grond

Het milieuvergunningendecreet van 28 juni 1985, meermaals gewijzigd, en haar uitvoeringsbesluiten (Vlarem I en II) bepalen dat niemand zonder vergunning of melding een hinderlijk inrichting mag exploiteren.

Besluit

Het college van burgemeester en schepenen beslist:

Artikel 1

Het college beslist een milieuvergunning klasse 2 goed te keuren aan LVT nv, D’Herbouvillekaai 6, 2020 Antwerpen, om op de percelen gelegen te 2030 Antwerpen, Romeynsweel 1A, een transportbedrijf te exploiteren.

Artikel 2

Het college wijst erop dat de volgende algemene en sectorale milieuvoorwaarden van toepassing zijn:

1 Algemene voorwaarden:

V01

algemene milieuvoorwaarden – hoofdstuk 4.1, 4.6, 4.7, 4.9 en bijlagen 4.1.9.1.6, 4.1.9.2.3.1, 4.1.9.2.3.2, 4.1.9.2.3.4 en 4.8;

V02

algemene milieuvoorwaarden, geluid – hoofdstuk 4.5 en bijlagen 2.2.1, 2.2.2, 4.5.1, 4.5.2,4.5.3, 4.5.4, 4.5.5 en 4.5.6;

V03

algemene milieuvoorwaarden, oppervlaktewater – hoofdstuk 4.2 en bijlagen 4.2.5.1, 4.2.5.2 en 4.2.5.4.

 2 Sectorale voorwaarden:

V26

bedrijfsafvalwaters – afdeling 5.3.2 en bijlage 5.3.2, sector 59 car- en truckwashbedrijven

V37

garages, parkeerplaatsen en herstellingswerkplaatsen voor motorvoertuigen - hoofdstuk 5.15;

V38

gassen - gemeenschappelijke bepalingen - afdeling 5.16.1 en bijlage 5.16.5;

V40

gassen - koelinrichtingen / compressoren - afdeling 5.16.3;

V46a

opslag van gevaarlijke producten / ondergrondse en bovengrondse houders – afdeling 5.17.1, en bijlage 5.17.1;

V46b

opslag van gevaarlijke producten: ondergrondse houders – afdeling 5.17.2 en bijlagen 5.17.2, 5.17.3, 5.17.4, 5.17.5, 5.17.6 en 5.17.7

V46c

opslag van gevaarlijke producten: bovengrondse houders – afdeling 5.17.3 en bijlagen 5.17.2 tot 5.17.4 en bijlage 5.17.7;

V67

metalen – hoofdstuk 5.29;

V79

rubber - hoofdstuk 5.36.

Artikel 3

Het college wijst erop dat de volgende bijzondere en brandweervoorwaarden van toepassing zijn:

Bijzondere voorwaarden:

  • na opstart moet het bedrijf aan de hand van een aantal analyses op het geloosde bedrijfsafvalwater evalueren of een bijkomende zuivering noodzakelijk is om aan de algemene en sectorale voorwaarden te voldoen en of een aanpassing van de milieuvergunning noodzakelijk is voor de gevaarlijke stoffen. De informatie wordt bezorgd aan het college, p/a dienst milieuvergunningen, Grote Markt 1, 2000 Antwerpen, met als referentie AN2011/708/AVG;
  • al het bedrijfsafvalwater moet worden geloosd via een KWS-afscheider met coalescentiefilter. 

Brandweervoorwaarden:

Snelblustoestellen van minstens één bluseenheid conform NBN EN 3-7 – bij voorkeur 6 kg poeder type ABC - dienen aangebracht bij elk punt of lokaal met verhoogd risico, zoals ondermeer pompen, compressoren, lasposten, belangrijke elektriciteitsborden, enzovoort.

In de inrichting dienen minstens twee toestellen aanwezig te zijn.

Er mogen nochtans gedeeltelijk mobiele bluseenheden of snelblustoestellen van een ander type aangewend worden op de plaatsen waar zij meer aangewezen zijn, voor zover de aangebrachte blusmiddelen minstens eenzelfde bluseenheid conform NBN EN 3-7 bezitten en evenwaardig zijn aan de bovenvermelde. 

Muurhaspels met axiale voeding (conform NBN EN 671-1) + muurhydrant (volgens de norm NBN 571 en voorzien van vaste koppelstukken doormeter 45 mm volgens Koninklijk Besluit van 30 januari 1975) met gemeenschappelijke watertoevoer met een binnendiameter van tenminste 70 mm dienen op oordeelkundig gekozen plaatsen opgesteld zodanig dat elk punt van de inrichting kan bespoten worden. 

Hun aantal wordt zodanig bepaald dat de af te leggen afstand vanaf om het even welk punt tot het dichtst bijgelegen toestel niet meer bedraagt dan de lengte van de gebruikte haspels. De haspels dienen gevoed met een leiding onder druk zodanig dat het debiet bij de minst bedeelde haspel gelijk is aan of groter dan 24 liter per minuut. 

De leidingen voor bluswater dienen vervaardigd in staal of in een metaal dat minstens dezelfde waarborgen biedt.

De geplaatste muurhaspels dienen voorzien van een vergrendeling derwijze dat men het afsluitmondstuk niet kan verwijderen zonder het openen van een handbediende afsluiter op de watertoevoer. De waterlevering moet te allen tijde, ook tijdens vorstperiode, gewaarborgd zijn. Minstens vier bovengrondse hydranten BH 100, conform de norm NBN S 21.019, maar met afsluiters op beide uitgeefkanten van 70 mm diameter dienen voorzien.

De voeding gebeurt rechtstreeks op het net van de openbare waterbedeling, door een leiding waarvan de minimale binnendiameter 150 mm bedraagt, hetzij in eigen beheer gevoed. De aansluiting op het voedingsnet dient zodanig te zijn dat het maximum debiet onmiddellijk beschikbaar is bij gebruik van de hydranten.

Snelblustoestellen van het type 6 kg poeder ABC, conform NBN EN 3-7, dienen minstens op volgende plaatsen opgesteld te worden:

  • 1 toestel per pompeiland;
  • 1 toestel ter hoogte van de losplaats.

De losplaats voor de bevoorrading van het tankstation dient zodanig uitgevoerd dat geen vloeistoffen onder de tankwagens kunnen blijven staan. De vloer van de losplaats is tevens zodanig gemaakt dat de tankwagen niet kan wegrollen.

Artikel 4

Het college beslist dat de milieuvergunning ingaat op 22 juni 2012 en loopt tot 22 juni 2032.

Artikel 5

Dit besluit heeft in principe voor de stad geen financiële gevolgen.