De Opera voor Vlaanderen werd in 1981 opgericht als intercommunale, met als leden de Vlaamse Gemeenschap en de steden Antwerpen en Gent. Op 4 juli 1988 ging de Opera voor Vlaanderen in vereffening. De vereffening is momenteel nog niet afgesloten, onder andere omdat er nog een aantal statutaire personeelsleden in dienst van deze vereniging zijn, die in disponibiliteit wegens ambtsopheffing werden geplaatst. Tevens kunnen sommige gepensioneerde personeelsleden nog rechten doen gelden ten overstaan van de Opera voor Vlaanderen.
De Vlaamse regering stelde aan het college van vereffenaars van de Opera voor Vlaanderen om deze personeelsproblematiek definitief te regelen door middel van een dading tot slot van alle rekening, waarbij ook alle nog lopende gerechtelijke geschillen definitief worden geregeld.
Met haar brief van 24 november 2012 vroeg de vertegenwoordiger van de stad Antwerpen in het college van vereffenaars van de Opera voor Vlaanderen aan de stad instructies met betrekking tot deze dading.
Het voorstel van dading van de Vlaamse regering voorziet in een opschortende voorwaarde, volgens welke alle (voormalige) personeelsleden van de Opera voor Vlaanderen en diens opvolger, de Vlaamse Opera Organisatie, door de ondertekening van de dadingovereenkomst uitdrukkelijk hun akkoord dienen te verlenen met het voorstel van dading vóór een nog te bepalen datum. Het aanbod van de Vlaamse regering vervalt als minstens één personeelslid weigert om tijdig de dading te ondertekenen, waarna elke schadevergoeding ten laste van de OVV komt. Het college drukt in de bijgevoegde collegiale brief zijn bezorgdheid uit voor de mogelijke financiële consequenties die dit laatste voor de stad Antwerpen zou kunnen hebben, wanneer de dading geen doorgang vindt en de personeelsleden hun schade zouden verhalen op de stad als mede-oprichter.
De dading voorziet onder andere in een eenzijdig ontslag van de personeelsleden door de Opera voor Vlaanderen. Een dading waarbij met de personeelsleden wordt overeengekomen om vrijwillig ontslag te nemen brengt immers hun recht op werkloosheidsuitkeringen in het gedrang, zelfs na uitbetaling van de verschuldigde sociale afdrachten. Hierbij dient echter de vraag te worden gesteld of er inzake dit eenzijdig ontslag een dading kan worden afgesloten, vermits mag worden aangenomen dat de ontslaggronden van statutair personeel van openbare orde zijn en hun statuut niet in de ontbinding van de vereniging als ontslaggrond voorziet, zodat deze personeelsleden geen afstand kunnen doen van hun recht om conform hun statuut te worden ontslagen.
Het college vraagt tevens om van de Vlaamse regering te bekomen dat de stad Antwerpen gevrijwaard wordt van eventuele rechtsgevolgen die uit deze dading zouden kunnen voortvloeien.
Het college keurt de collegiale brief aan de vertegenwoordiger van de stad Antwerpen in het college van vereffenaars van de Opera voor Vlaanderen goed.