Op 27 juni 2011 (jaarnummer 920) werd het klimaatplan Antwerpen samen met de beleidsnota “Antwerpen, duurzame stad voor iedereen” door de gemeenteraad goedgekeurd. Dit klimaatplan bestaat uit de stedelijke visie op klimaatverandering, een CO2-nulmeting en een opsomming van de maatregelen binnen 7 domeinen. Deze maatregelen geven aan waar de stad Antwerpen de komende 10 jaar op wil inzetten om in 2020 de totale stedelijke CO2-uitstoot met 20% en de uitstoot van de stedelijke organisatie met 50% te reduceren ten opzichte van 2005.
Op 26 augustus 2011 (jaarnummer 13020) keurde het college de gunning aan VITO nv goed voor een impactberekening van de acties uit het klimaatplan. De opdracht hield in het effect tegen 2020 van de besliste maatregelen door te rekenen en indien nodig aanvullende maatregelen voor te stellen.
De resultaten van de impactstudie kunnen als volgt samengevat worden.
Uitgangspunt van de impactstudie was de CO2-nulmeting die in het kader van het klimaatplan Antwerpen opgemaakt werd. Daarnaast werd uitgegaan van de verschillende beleidsplannen en -nota’s waarin acties zijn gedefinieerd die een impact hebben op de CO2-uitstoot van het stedelijke grondgebied en de stedelijke organisatie.
Binnen het stedelijk grondgebied Antwerpen werd onderscheid gemaakt tussen volgende bronnen van CO2:
De CO2-uitstoot omvat zowel de directe CO2-emissies uit bronnen die zich op het stedelijk grondgebied Antwerpen bevinden (scope 1 emissies), als de indirecte CO2-emissies ten gevolge van het gebruik van, bijvoorbeeld, elektriciteit binnen het stedelijk grondgebied Antwerpen maar die buiten het stedelijk grondgebied geproduceerd werd (scope 2 emissies).
1. Gecorrigeerde CO2-nulmeting en maximum CO2-plafond
De bestaande nulmeting voor 2005 (en 2007) werd door de opdrachtnemer VITO verfijnd en aangevuld met specifiekere gegevens. De CO2-uitstoot op het stedelijk grondgebied Antwerpen bedroeg in 2005 ca. 4.178 kton. De CO2-uitstoot van de stedelijke organisatie bedroeg in dat jaar ca. 122 kton.
Gegeven de CO2-reductiedoelstelling van -20% ten opzichte van 2005 bedraagt de CO2-uitstoot in 2020 maximaal 3.342 kton op het stedelijk grondgebied Antwerpen. Gegeven CO2-reductiedoelstelling van -50% ten opzichte van 2005, mag de CO2-uitstoot in 2020 nog maximum 61 kton zijn voor de stedelijke organisatie.
2. Referentiescenario 2020: autonome evolutie en impact beslist beleid
Bij de berekening van de prognose voor 2020 (het referentiescenario) werd rekening gehouden met de autonome evolutie van de CO2-uitstoot tussen 2005 en 2020 (groei bevolking, groei economie …) en de impact van beslist Vlaams en federaal beleid op deze uitstoot. Ook de acties die in het kader van het klimaatplan Antwerpen goedgekeurd werden, zijn in het referentiescenario mee doorgerekend. Waar mogelijk werd uitgegaan van gegevensbronnen op schaalniveau van het stedelijk grondgebied Antwerpen, zoals bijvoorbeeld de evolutie van de voertuigkilometers uit het Masterplan Antwerpen of de evolutie van het aantal huishoudens in Antwerpen volgens de studiedienst van de Vlaamse regering.
Het referentiescenario komt tot de volgende uitkomst in 2020:
3. Bijkomend CO2-reductiepotentieel tegen 2020: selectie en doorrekening van maatregelen
Om een idee te krijgen van de mogelijke bijkomende maatregelen en het bijkomend CO2-reductiepotentieel op het stedelijk grondgebied Antwerpen werd een overlegronde met een aantal experten van de stedelijke diensten georganiseerd. Bijkomende maatregelen werden met open vizier opgelijst om daarna de maatregelen te selecteren waarvoor een implementatie tegen 2020 realistisch geacht wordt. Het merendeel van de geselecteerde, bijkomende maatregelen is gericht op verbetering van de energie-efficiëntie. Deze maatregelen realiseren ca. 79% van de totale CO2-reductie. De grootste bijkomende energiebesparing en CO2-reductie kan gerealiseerd worden door de residentiële sector en de tertiaire sector. Deze sectoren nemen, respectievelijk 48% en 29% van de bijkomende CO2-reductie voor hun rekening. De industriële sector neemt ca. 10% van de totale CO2-reductie voor zijn rekening, de transportsector ca. 8% en de stedelijke diensten ca. 5%.
Concreet gaat het om volgende maatregelen:
Na inzet van alle maatregelen uit het referentiescenario en alle bijkomende maatregelen kunnen tegen 2020 volgende resultaten bereikt worden:
In totaal leveren deze bijkomende maatregelen een jaarlijkse besparing van ruim 2 miljoen euro. De vermelde investeringen, kosten, besparingen en emissies zijn ramingen gebaseerd op algemene assumpties. Concrete bedragen zullen steeds op projectbasis in detail berekend dienen te worden.
4. Conclusies en aanbevelingen
Als algemene conclusie geldt dat het huidige besliste beleid op federaal, Vlaams en lokaal niveau en de geïnventariseerde mogelijke bijkomende maatregelen in Antwerpen nog niet voldoende zijn om de vooropgestelde CO2-reductiedoelstellingen tegen 2020 te realiseren. De stad Antwerpen, maar ook andere actoren, dienen een mix of een set van bijkomende maatregelen en instrumenten in te zetten opdat de sectoren de verdergaande energiebesparingen realiseren en de vereiste investeringen plaatsvinden.
De opdrachtnemer formuleert naast de maatregelene opgesomd onder punt 3 een aantal instrumenten om de vooropgestelde doelstellingen te realiseren:
Om de twee jaar (voor de even jaren) wordt de emissie-inventaris van de stad geactualiseerd om de evolutie richting doelstelling in kaart te brengen. De actualisatie van de emissie-inventaris met de cijfers voor het jaar 2010 zal dit jaar afgerond worden. In het kader van haar engagement in de Burgemeestersconvenant is de stad verplicht om tweejaarlijks een actualisatie van haar duurzaam energieactieplan (klimaatplan) op te maken en bij de Europese Unie in te dienen. Ten laatste bij de eerstvolgende actualisatie kunnen de door de opdrachtnemer geïnventariseerde bijkomende maatregelen opgenomen worden.
Het college neemt kennis van de inhoud van de impactstudie klimaatplan.
Het college geeft opdracht aan:
| Dienst | Taak |
| Stadsontwikkeling / Energie en Milieu Antwerpen | om samen met de betrokken diensten de haalbaarheid en de opportuniteit van de voorgestelde bijkomende maatregelen te onderzoeken ten laatste tegen de eerstvolgende actualisatie van het klimaatplan. |