Het openbaar onderzoek liep van 15 november 2011 tot en met 13 januari 2012, tijdens deze periode werden er 12 bezwaarschriften ingediend. De behandeling van deze bezwaarschriften werd verwerkt in het advies van GECORO. In het kader van het openbaar onderzoek werden tevens adviezen ontvangen van de provincie Antwerpen en de Vlaamse overheid.
Artikel 2.2.14. §6 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, goedgekeurd bij besluit van de Vlaamse regering, zegt dat de gemeenteraad het ontwerp van gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan definitief vaststelt.
Op 24 oktober 2011 (jaarnummer 1149) werd het ontwerp-RUP voorlopig vastgesteld door de gemeenteraad. Hierna volgde het openbaar onderzoek. Na de verwerking van de adviezen en de ingediende bezwaarschriften kan het RUP definitief worden vastgesteld door de gemeenteraad.
In het kader van het openbaar onderzoek brachten de deputatie van de provincie Antwerpen het Agentschap Ruimte en Erfgoed, Vlaamse overheid, een gunstig advies uit met vermelding van enkele aandachtspunten en opmerkingen.
Advies Provincie Antwerpen, Departement Ruimtelijk Ordening en Mobiliteit, Dienst Ruimtelijke ordening
Er wordt een voorwaardelijk gunstig advies verleend. Enkele onduidelijkheden in de stedenbouwkundige voorschriften en de plannen worden aangehaald. Algemeen wordt opgemerkt dat het dossier moet aangepast worden zodat de parkeerdruk van het volledige project opgevangen wordt binnen het plangebied. De opgelegde parkeernormen bieden onvoldoende garanties voor. De parkeernorm voor wonen moet minimaal 1 parkeerplaats per woning bedragen.
Advies Vlaamse Overheid, Ruimte en Erfgoed, Ruimtelijke Ordening Antwerpen
Er wordt een voorwaardelijk gunstig advies verleend. Enkele onduidelijkheden in de stedenbouwkundige voorschriften en de plannen worden aangehaald. Algemeen worden fundamentele vragen gesteld bij het planonderdeel zorgcampus. Met name wordt de keuze van inplanting in relatie tot de spoorlijn in vraag gesteld. Er wordt aangedrongen op een advies van het Vlaams Agentschap Zorg en Gezondheid, afdeling volksgezondheid.
Advies GECORO (4 april 2012)
Het advies van GECORO wordt gevolgd met uitsluiting van de opmerking met betrekking tot de parkeernorm. Voorliggend dossier is voor de rest overeenkomstig het advies aangepast en/of aangevuld.
Opmerking GECORO met betrekking tot parkeernorm.
GECORO gaat niet akkoord met het aanpassen van de vork van de parkeernorm van minimum 0,6 PP/woning tot maximum tot 1,1 PP/woning naar 0,9 - 1,1 en 0.6 - 1.1 voor Woonhaven. Het aanpassen van de norm zou enkel het autogebruik stimuleren (enige motivering is de afwenteling naar het openbaar domein). Door een gebrek aan parkeerbeleidsplan binnen de stad Antwerpen zijn er geen objectieve criteria om de norm aan te passen. Tevens wordt er een differentiatie ingevoerd die geargumenteerd wordt vanuit sociale criteria wat noch wenselijk, noch deontologisch correct is. GECORO adviseert tevens om:
- dringend een parkeerbeleidsplan op te maken;
- werk te maken van een flankerend beleid voor dergelijke autoluwe wijken:
- bewoners aantrekken met het juiste (mobiliteits)profiel (weinig autobezit);
- ontradend werken naar autobezit (eventueel stimuleren van autodelen).
Weerlegging advies GECORO met betrekking tot parkeernorm.
Aan het advies van GECORO met betrekking tot de parkeernorm kan niet tegemoet gekomen worden. Het ontbreken van een parkeerbeleidsplan is een probleem op niveau van de stad maar op projectniveau is wel degelijk een duidelijke visie met betrekking tot een duurzame mobiliteitsaanpak geïntegreerd.
Er wordt voorgesteld om te werken met een vork van 0.9 -1.1 PP voor bewoners met een uitzondering voor de sociale woningen die een vork van 0.6-1.1 PP zullen hanteren.
Voor woningen wordt gewerkt met een minimumnorm én maximumnorm: de minimumnorm moet ervoor zorgen dat de parkeerdruk in het plangebied wordt opgevangen en niet op de omgeving wordt afgewenteld; de maximumnorm heeft een sturend karakter en vermijdt een te sterk autogerichte aanpak. Deze duurzame mobiliteitsaanpak wordt ondersteund door het toepassen van het STOP-principe. Het gemiddeld Vlaams wagenbezit is volgens de studiedienst van de Vlaamse regering gelijk aan 1,19 wagens per huishouden (2009). In Antwerpen is het gemiddeld wagenbezit per huishouden slechts 0,83 (ook 2009). De parkeernorm voor woningen houdt rekening met het specifieke bereikbaarheidsprofiel van het plangebied (goede openbaarvervoer-bereikbaarheid en fietsverbindingen).
De initiële parkeernorm van 0.6-1.1 PP voor bewoners voor de volledige woonontwikkeling wordt dus aangepast. Indien systematisch slechts 0,6 parkeerplaatsen per woning zou worden aangelegd, zou de parkeerdruk op de omgeving immers kunnen toenemen, wat niet wenselijk is.
Voor sociale woningen, die in uitvoering van het grond- en pandendecreet zullen moeten worden gerealiseerd, wordt voorgesteld om de minimumnorm (0,6 PP per woning) wel te behouden.
Uit het onderzoek naar het verplaatsingsgedrag van Vlamingen (rapport IMOB, OVG 4.2 - september 2009 - september 2010) blijkt immers dat het wagenbezit sterk gerelateerd is aan het gezinsinkomen: volgens de uitgevoerde enquêtes hebben gezinnen met een netto-gezinsinkomen van < € 1.000 een gemiddeld autobezit van 0,38 (ipv gemiddeld 1,16); voor gezinnen met een netto-gezinsinkomen van € 1.000 - € 2.000 is het gemiddeld autobezit 0,81 (ipv gemiddeld 1,16) (merk op dat dit gemiddelde cijfers zijn voor Vlaanderen, onafhankelijk van de stedelijkheidsgraad en het beschikbare openbaarvervoeraanbod).
Als maximumnorm blijft zowel voor gewone als voor sociale woningen 1,1 PP per woning behouden. Dit laat toe om meer parkeerplaatsen te voorzien zodat de toekomstige bewoners de kans krijgen om hun voertuigen langer te stallen indien niet nodig voor dagdagelijks gebruik. Er wordt gestreefd naar een ruim aanbod ondergronds parkeren waardoor de eigen nieuwe wijk maar ook de aangrenzende buurten geen bijkomende parkeerdruk krijgen. De huidige tekorten van de omliggende buurten krijgen mogelijks zo een bijkomend (huur)aanbod voor stallingsplaatsen. Deze maximumnorm ligt tevens in de lijn van de wens van het district Hoboken, en wordt ook gehanteerd in de ontwikkeling van Nieuw Zurenborg wat vergelijkbaar is qua context en schaal.
Voor bezoekersparkeren blijft de norm van 0,2 parkeerplaasten per woning (mogelijk te realiseren op openbaar domein) gehandhaafd. Deze norm laat ook toe om de beperkte parkeerbehoefte van nevenfuncties die in de zone voor wonen toegelaten zijn op te vangen.
Volgens kencijfers uit het Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water- en Wegenbouw en de Verkeerstechniek (CROW) “parkeerkencijfers – basis voor parkeernormering (maart 2004)” moeten er 0.2 parkeerplaatsen voorzien worden voor bezoekers.
Door een norm te hanteren van 0.9 - 1.1 voor bewoners en 0.6 - 1.1 voor het sociale deel, plus 0.2 voor bezoekers zal er geen parkeertekort optreden, met sluikparkeren in de omliggende buurten tot gevolg. Rekening houdend met het laag voorzieningen niveau en de goede ontsluiting van openbaar vervoer kan gesteld worden dat de parkeerbalans voor de volledige ontwikkeling positief is.
Aanpassen definitie brutovloeroppervlakte
In de begrippenlijst die in het RUP is opgenomen, wordt de definitie van brutovloeroppervlakte aangepast in die zin dat ondergrondse parkeergarages en halfondergrondse parkeergarages niet tot de bruto-vloeroppervlakte moeten worden gerekend (zoals ook voorgesteld in het advies van GECORO).
|
Stap |
Datum |
|
aanvraag adressen adviesinstanties |
8 december 2010 |
|
raadpleging adviesinstanties |
17 december 2010 |
|
rappelbrief raadpleging adviesinstanties |
17 januari 2011 |
|
dossier verstuurd aan dienst MER |
13 juli 2011 |
|
beslissing dienst MER |
12 september 2011 |
Besluit dienst MER
De dienst MER van de Vlaamse overheid, Departement Leefmilieu, Natuur en Energie, gaf op 12 september 2011 volgend advies op de vraag tot ontheffing van MER-plicht:
“Op basis van de screeningsnota, de aangepaste mobiliteitstoets en de adviezen die door het studiebureau Anteagroup geadresseerd werden, is de dienst MER uiteindelijk van mening dat het voorgenomen plan geen aanleiding geeft tot aanzienlijke milieueffecten en dat derhalve de opmaak van een plan-MER niet nodig is.”
In toepassing van artikel 8 van het decreet betreffende het integraal waterbeleid van 18 juli 2003 moeten alle uitvoeringsplannen worden onderworpen aan een watertoets. Voor dit plan werd de watertoets onderzocht. In zijn advies op de MER-screening van 18 januari 2011 stelt de Vlaamse Milieumaatschappij (VMM) dat: “Voor wat betreft het aspect infiltratie kunnen de schadelijke effecten worden ondervangen indien de aanvraag minstens voldoet aan de gewestelijke stedenbouwkundige verordening (GSV), gewestelijke stedenbouwkundige verordening inzake hemelwaterputten, infiltratievoorzieningen, buffervoorzieningen en gescheiden lozing van afvalwater en hemelwater, in werking sinds 1 februari 2005). Bij invulling van het plangebied zal de verharding afnemen en daarnaast zal de GSV gerespecteerd worden. Met betrekking tot het grondwaterstromingspatroon wordt aangegeven dat er mogelijk plaatselijke effecten te verwachten zijn ten gevolge van ondergrondse constructies. Op basis van de Biologische Waarderingskaart (BWK) komen er in de nabije omgeving geen grondwaterafhankelijke vegetaties voor. In dit stadium worden dan ook nog geen significant negatieve effecten verwacht. Indien bij verdere uitwerking toch belangrijke negatieve effecten worden verwacht, kan de VMM nog steeds bijkomende maatregelen adviseren. De screening wordt gunstig geadviseerd.”
Aanvullend stelde de VMM in zijn advies op het voorontwerp RUP van 18 juli 2011 dat : “het RUP gunstig wordt geadviseerd en in overeenstemming is met de doelstellingen en beginselen van het decreet integraal waterbeleid. Als aandachtspunt werd wel gevraagd om het principe van maximaal hergebruik van hemelwater en maximale infiltratie op te nemen in de algemeen stedenbouwkundige voorschriften.”
In de volledige zone voor groen, buurtpark, is het voorkooprecht van toepassing voor 15 jaar. Het voorkooprecht wordt toegekend aan:
Art. 2.2.13 en volgende van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, goedgekeurd bij besluit van de Vlaamse Regering op 15 mei 2009, die de procedure vastleggen voor de opmaak van de gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen (RUP).
Met de goedkeuring van het besluit betreffende de milieueffectrapportage over plannen en programma’s door de Vlaamse regering op 12 oktober 2007, moet de initiatiefnemer van een plan met – mogelijk – aanzienlijke milieueffecten, zoals bijvoorbeeld ruimtelijke uitvoeringsplannen, deze milieueffecten en eventuele alternatieven in kaart brengen.
Decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, artikel 8, §1 en 2;
Besluit van de Vlaamse Regering van 20 juli 2006 tot vaststelling van nadere regels voor de toepassing van de watertoets, artikel 2 en 4;
Besluit van de Vlaamse Regering van 20 juli 2006 tot vaststelling van nadere regels voor de toepassing van de watertoets in bijlage IX tot XV opgenomen kaarten.
|
Stap |
Datum |
|
collegebesluit: goedkeuring proces- en richtnota |
22 oktober 2010 (jaarnummer 12854) |
|
collegebesluit kennisneming voorontwerp RUP |
10 juni 2011 (jaarnummer 11138) |
|
districtraad: advies |
27 juni 2011 (jaarnummer 765) |
|
plenaire vergadering en adviezen |
12 augustus 2011 |
|
collegebesluit: voorstel aan gemeenteraad om ontwerp-RUP voorlopig vast te stellen |
30 september 2011 (jaarnummer14093) en 21 oktober 2011 |
|
gemeenteraad: voorlopige vaststelling ontwerp-RUP |
24 oktober 2011 (jaarnummer 1149) |
|
openbaar onderzoek |
15 november 2011 tot en met 13 januari 2012 |
|
collegebeslissing: sluiting openbaar onderzoek |
3 februari 2012 (jaarnummer 2012_CBS_01127) |
|
GECORO advies |
4 april 2012 |
|
collegebeslissing: voorstel aan gemeenteraad om RUP definitief vast te stellen |
27 april 2012 |
|
gemeenteraad: definitieve vaststelling |
29 mei 2012 |
|
deputatie: goedkeuring |
|
De gemeenteraad stelt het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan (RUP) Scanfil Hoboken definitief vast.
Dit RUP bestaat uit een grafisch plan, een plan van de bestaande en juridische toestand, de stedenbouwkundige voorschriften, een toelichtingsnota, het register van percelen die aanleiding kunnen geven tot planschadevergoeding, planbatenheffing of compensatie en bijlagen.