Terug

2012_CBS_05466 - Milieuvergunningen Vlarem klasse 2 - F.R.T. Belgium bvba, Rijnkaai 14, 2000 Antwerpen. Dossiernummer AN2012/135/IB - Goedkeuring

college van burgemeester en schepenen
vr 01/06/2012 - 09:00 Collegezaal, stadhuis
Goedgekeurd

Samenstelling

Aanwezig

Patrick Janssens, burgemeester; Robert Voorhamme, schepen; Philip Heylen, schepen; Ludo Van Campenhout, schepen; Marc Van Peel, schepen; Luc Bungeneers, schepen; Guy Lauwers, schepen; Güler Turan, schepen; Leen Verbist, schepen; Roel Verhaert, stadssecretaris

Afwezig

Eddy Baelemans, korpschef

Secretaris

Roel Verhaert, stadssecretaris

Voorzitter

Patrick Janssens, burgemeester
2012_CBS_05466 - Milieuvergunningen Vlarem klasse 2 - F.R.T. Belgium bvba, Rijnkaai 14, 2000 Antwerpen. Dossiernummer AN2012/135/IB - Goedkeuring 2012_CBS_05466 - Milieuvergunningen Vlarem klasse 2 - F.R.T. Belgium bvba, Rijnkaai 14, 2000 Antwerpen. Dossiernummer AN2012/135/IB - Goedkeuring

Motivering

Regelgeving: bevoegdheid

Artikel 36,4° van Vlarem I bepaalt dat het college een uitspraak dient te doen over een milieuvergunningsaanvraag klasse 2.

Aanleiding en context

Aanvrager: F.R.T. Belgium bvba, Kattendijkdok-Westkaai 55, 2000 Antwerpen. De aanvraag omvat een café met dansgelegenheid.

Argumentatie

Het college beslist op basis van het verslag van de dienst milieuvergunningen, dat als bijlage bij dit besluit is gevoegd.

Juridische grond

Het milieuvergunningendecreet van 28 juni 1985, meermaals gewijzigd, en haar uitvoeringsbesluiten (Vlarem I en II) bepalen dat niemand zonder vergunning of melding een hinderlijk inrichting mag exploiteren.

Besluit

Het college van burgemeester en schepenen beslist:

Artikel 1

Het college beslist een milieuvergunning goed te keuren aan F.R.T. Belgium bvba, Kattendijkdok-Westkaai 55, 2000 Antwerpen, voor de inrichting gelegen op het adres Rijnkaai 14, 2000 Antwerpen. De vergunning heeft als voorwerp de exploitatie van een café met dansgelegenheid.

Artikel 2

 Het college wijst erop dat de volgende algemene en sectorale voorwaarden van toepassing zijn:

V01 algemene milieuvoorwaarden (hoofdstuk 4.1);
V02 algemene milieuvoorwaarden, geluid (hoofdstuk 4.5);
V03 algemene milieuvoorwaarden, oppervlaktewater (hoofdstuk 4.2);
V35 elektriciteit (hoofdstuk 5.12);
V46A gevaarlijke producten, algemene bepalingen (hoofdstuk 5.17, afdeling 5.17.1);
V46C gevaarlijke producten, opslag in bovengrondse houders (hoofdstuk 5.17, afdeling 5.17.3);
V69 motoren met inwendige verbranding (hoofdstuk 5.31);
V70 ontspanningsinrichtingen, lokaal met dansgelegenheid (hoofdstuk 5.32, afdeling.

Artikel 3

Het college beslist dat de exploitant de volgende bijzondere- en brandweervoorwaarden dient na te leven:

Bijzondere voorwaarden:

  1. de exploitant werkt een pakket maatregelen uit om de afgeleide hinder te beperken, inzonderheid met betrekking tot de mogelijke parkeerproblematiek;
  2. de exploitatie dient steeds te gebeuren met gesloten ramen en deuren;
  3. het maximum aantal bezoekers wordt vastgesteld op 450 personen;
  4. het sluitingsuur wordt voor elke dag vastgesteld op 5.00 uur;
  5. voor alle werkzaamheden dient een machtiging van onroerend erfgoed bekomen te worden.

Brandweervoorwaarden:

De brandweer wijst erop dat er volledig rekening moet gehouden worden met volgende inzake brandbeveiliging van toepassing zijnde wetten, verordeningen en besluiten:

*          Code van de Gemeentelijke Politiereglementen,

Titel I Hoofdstuk 5: "Inrichtingen toegankelijk voor het publiek en recreatie"

Afdeling 1 - Inrichtingen toegankelijk voor het publiek

            -      Onderafdeling 2: Maatregelen tot het voorkomen en bestrijden van brand;

            -      Onderafdeling 5: Maatregelen van toepassing op inrichtingen toegankelijk voor het publiek waar 50  of meer personen toegang kunnen hebben;

            -      Onderafdeling 6: Controle, afwijkingen en administratieve maatregelen;

            -      Onderafdeling 7: Pictogrammen.

 De feestzaal met een oppervlakte van circa 363 m² gelegen op het gelijkvloers beschikt over 2 afzonderlijke uitgangen.

De uitgangen (die momenteel nog moeten verbouwd worden) dienen volledig in overeenstemming met de voorschriften van bovenvermeld politiereglement uitgevoerd te worden.

Bijzondere aandacht dient geschonken te worden aan volgende artikels:

200.1

De trappen, gangen en deuren evenals de wegen, die er naartoe leiden, hierna met de term “uitgang” aangeduid, moeten een snelle en gemakkelijke ontruiming van de inrichting mogelijk maken. Er is steeds minimum één uitgang die rechtstreeks toegang geeft op de openbare weg of op een hiermee gelijkgestelde plaats. Inrichtingen of gedeelten van inrichtingen, waar het maximum aantal personen honderd of meer bedraagt, moeten over ten minste twee afzonderlijke uitgangen beschikken. Drie afzonderlijke uitgangen zijn vereist voor inrichtingen of gedeelten van inrichtingen waar het maximum aantal personen vijfhonderd of meer bedraagt.‘…’

200.2

De uitgangswegen en deuren moeten een totale breedte hebben die ten minste gelijk is - in centimeter - aan het aantal personen, die ze moeten gebruiken om de inrichting te ontruimen.

Elke uitgang moet evenwel een vrije breedte hebben van minimum 80 cm‘…’ en een minimum vrije hoogte van2 meter. Wanneer de inrichting op bovenverdiepingen of in kelderverdiepingen voor het publiek toegankelijke lokalen heeft, moeten deze door vaste trappen bediend worden. Verdiepingen waar het maximum aantal personen honderd of meer bedraagt, moeten over ten minste twee afzonderlijke trappen beschikken. Verdiepingen waar het maximum aantal personen vijfhonderd of meer bedraagt, moeten over ten minste drie afzonderlijke trappen beschikken. De trappen moeten een totale breedte hebben in centimeter ten minste gelijk aan het aantal personen, door wie zij moeten gebruikt worden om de uitgangen van de inrichting te bereiken, vermenigvuldigd met 1,25 indien het om dalende trappen gaat en vermenigvuldigd met 2 indien het om stijgende trappen gaat. Het berekenen van deze breedten moet gesteund zijn op de onderstelling dat, bij het verlaten van het gebouw, alle personen van een verdieping zich samen naar de naburige verdieping begeven en dat deze al ontruimd is, als zij er aankomen. De minimumbreedte voor elke trap bedraagt minimum 80 cm‘…’.

200.3

Om aan de eisen van artikel 200.2 te voldoen:

-    komen rol- en spiltrappen evenals hellende vlakken met een helling van meer dan tien procent niet in aanmerking;

-    moeten de trappen uit rechte delen bestaan en een aantrede hebben van minimum 20 cm;

-    draaitrappen kunnen toegestaan worden, mits de aantrede op de looplijn minimum 24 cm bedraagt.

200.6

De deuren in de uitgangswegen moeten ofwel in beide richtingen ofwel in de vluchtzin opendraaien. Tijdens de openingsuren van de inrichting mogen zij in geen geval vergrendeld of met een sleutel gesloten worden. Uitgangsdeuren, die zich op minder dan hun breedte van de rooilijn bevinden, draaien naar binnen open en moeten tijdens de openingsuren van de inrichting permanent en vergrendeld openblijven. Uitzondering wordt gemaakt voor uitgangsdeuren van een bijzonder type, die bij gewone druk alleen naar binnen kunnen draaien maar bij een sterkere druk ook naar buiten kunnen draaien; deze hoeven niet permanent en vergrendeld open te blijven tijdens de openingsuren van de inrichting. ‘…’

Bijkomende voorschriften inzake oprichting, inrichting en herinrichting.

205.1

De binnenwanden, die de scheiding vormen van de voor het publiek toegankelijke lokalen en hun uitgangen, met de overige delen van het gebouw, dienen een Rf van tenminste een uur te hebben. De deuren in deze binnenwanden dienen een Rf van ten minste een half uur te hebben. ‘…’

Volgende aanhorigheden mogen beschouwd worden als deel uitmakend van het publiek toegankelijke gedeelte:

-          aanrechtkeukens;

-          keukens waarin alle vaste bak- en braadtoestellen uitgerust zijn met een vaste automatische blusinstallatie, welke gekoppeld is aan een mechanisme dat bij in werking treden van de blusinstallatie de brandstoftoevoer afsluit;

-          muurkasten;

-          lokalen die als drankopslagplaats gebruikt worden.

205.5

De minimumbreedte van de uitgangen, uitgangswegen en uitgangstrappen is 80 cm.

Opmerking

De aandacht van de aanvrager(s) wordt erop gevestigd dat indien later in het hierboven vernoemde gebouw personeel wordt tewerkgesteld conform artikel 2 §1 van de Wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, er dan ook zal dienen rekening gehouden met alle eventueel hierop van toepassing zijnde bepalingen uit het Algemeen Reglement voor de Arbeidsbescherming (ARAB) en de Codex voor Welzijn op het Werk.

Het toezicht hierop berust echter bij de Arbeidsinspectie.

Brandvoorzorgsmaatregelen

Onafhankelijk van de verplichtingen aan de houder van de milieuvergunning opgelegd via de vigerende milieureglementering alsmede via het milieuvergunningsbesluit, en onverminderd de maatregelen ter voorkoming en bestrijding van brand, door de houder van de milieuvergunning te treffen in uitvoering van de algemene en sectorale milieuvoorwaarden, dient de houder van de milieuvergunning reeds te voorzien in de hierna vermelde blusmiddelen voor eerste tussenkomst:

1. Muurhaspels met axiale voeding (conform NBN EN 671-1) aangesloten via een aangepaste leiding op de openbare waterbedeling of ander gelijkwaardig voedingssysteem, dienen op oordeelkundig gekozen plaatsen opgesteld zodanig dat elk punt van de inrichting kan bespoten worden.

Hun aantal wordt zodanig bepaald dat de af te leggen afstand vanaf om het even welk punt tot het dichtst bijgelegen toestel niet meer bedraagt dan de lengte van de gebruikte haspels.

De haspels dienen gevoed met een leiding onder druk zodanig dat het debiet bij de minst bedeelde haspel gelijk is aan of groter dan 24 liter per minuut.

De leidingen voor bluswater dienen vervaardigd in staal of in een metaal dat minstens dezelfde waarborgen biedt.

De geplaatste muurhaspels dienen voorzien van een vergrendeling derwijze dat men het afsluitmondstuk niet kan verwijderen zonder het openen van een handbediende afsluiter op de watertoevoer.

2. Snelblustoestellen van minstens één bluseenheid conform NBN EN 3-7 – bij voorkeur 6 kg poeder type ABC – dienen aangebracht op volgende plaatsen:

•       In de zaal op het gelijkvloers: 3 toestellen;

•       In de vestiaire (gelijkvloers): 1 toestel;

•       Op de verdieping: 2 toestellen.

 3. De inrichting moet voorzien worden van veiligheidsverlichting, die onmiddellijk en automatisch in dienst treedt bij het wegvallen van de stroom. Minimaal dienen armaturen aangebracht te worden boven elke uitgangsdeur, in alle evacuatiewegen (gangen en trappen), in de nabijheid van de brandbestrijdingsmiddelen en in alle lokalen die uitsluitend door kunstlicht bediend worden. De veiligheidsverlichting dient verder uitgebreid te worden zodanig dat de plaatsing en de verlichtingssterkte voldoende is om een gemakkelijke ontruiming te waarborgen. De veiligheidsverlichting moet tenminste gedurende 1 uur zonder onderbreking kunnen functioneren.

Artikel 4

Het college beslist dat de milieuvergunning ingaat op 1 juni 2012 en eindigt op 1 juni 2015.

Artikel 5

Dit besluit heeft in principe voor de stad geen financiële gevolgen.