De bevoegdheid van het college om het openbaar onderzoek te organiseren en advies te verlenen is gebaseerd op artikel 4.2.8 §4 en 4.2.11 §1 van het decreet van 5 april 1995 houdende de algemene bepalingen inzake milieubeleid.
In stroomgebiedbeheerplannen worden per stroomgebied doelstellingen, maatregelen en acties vastgesteld. Deze dienen om een goede toestand van het oppervlaktewater en het grondwater te verkrijgen en als bescherming tegen overstromingen.
De Vlaamse regering stelde op 8 oktober 2010 de eerste stroomgebiedbeheerplannen voor Schelde en Maas vast. Samen met het bijhorende maatregelenprogramma voor Vlaanderen lopen deze tot en met 2015.
De tweede generatie stroomgebiedbeheerplannen zal maatregelen en acties voor de periode 2016 - 2021 bevatten. De Vlaamse regering zal deze uiterlijk tegen 22 december 2015 vaststellen.
Op 28 december 2012 ontving de stad Antwerpen een brief (LNE/MER/PL0130/2012/30990). Hierin vraagt de dienst MER om het kennisgevingdsdossier plan-MER ‘Milieubeoordeling van de tweede generatie stroomgebiedbeheerplannen voor Schelde en Maas' ter inzage te leggen. Men vraagt aan het college ook om advies te geven over het dossier.
Het opstellen van de plannen moet voldoen aan de kenmerken van de milieueffectrapportage. De eerste stap is een kennisgeving en openbaar onderzoek voor de milieubeoordeling van de beheerplannen.
Het kennisgevingsdossier bestaat uit 2 delen:
Het kennisgevingsdossier lag ter inzage van het publiek van 19 december 2012 tot en met 18 februari 2013 in alle districtshuizen van de stad Antwerpen en bij de dienst stadsontwikkeling/ruimte & mobiliteit/ruimtelijk beleid (Francis Wellesplein 1, 2018 Antwerpen).
Binnen deze periode kon iedereen opmerkingen geven over het kennisgevingsdossier.
Volgende stappen:
De stad Antwerpen hecht groot belang aan een nauwe betrokkenheid van de inwoners bij de milieubeoordeling en de opmaak van de tweede generatie stroomgebiedbeheerplannen voor het stroomgebied van de Schelde. Een duidelijk juridisch kader voor het pakket maatregelen en acties, alsmede de afdwingbaarheid en het kader voor de budgettering ervan, dient geformuleerd te worden.
Het college adviseert als volgt:
Voor het luik 'plannen':
Een van de randvoorwaarden om met de stroomgebiedbeheerplannen een bijdrage te leveren aan de goede toestand van het watersysteem is meer duidelijkheid in de wetgeving van de bestaande instrumenten.
Deze instrumenten zijn: de in kaart gebrachte effectieve en mogelijke overstroombare gebieden, de aandachtsgebieden (voormalige signaalgebieden) en risicozones, de oeverzones, de watertoets. Daarnaast, ook alle andere instrumenten die momenteel worden ingezet om de negatieve gevolgen van toenemende stedelijke verhardingen te compenseren of te vermijden. De handhaving van het gevoerde én het te voeren beleid en haar instrumenten is hierbij een essentiële voorwaarde.
Gebieden die om specifieke aandacht vragen om maatregelen en beoordeling van mogelijke effecten op de waterhuishouding en waterkwaliteit zijn:
Een van de doelstellingen van de stroomgebiedbeheerplannen is een toetsing van de waarschijnlijke effecten van de klimaatveranderingen. We denken hier aan meer intense regenbuien tijdens de zomers en een zeespiegelstijging.
Het pakket maatregelen en actieplannen dat wordt beschreven in de tweede generatie beheerplannen moet vergezeld worden door een concrete timing, technische haalbaarheid en een indicatieve raming van het nodige budget. Per actiepunt en maatregel moet de meest geschikte overheidsinstantie - één verantwoordelijke uitvoerder of waterbeheerder - aangeduid worden en moeten de instrumenten voorzien worden.
Voor het luik 'methode':
Er is een duidelijke en tijdige communicatie nodig naar de inwoners en bedrijven die gevestigd zijn in effectief overstroombare en mogelijk overstroombare gebieden waarvoor maatregelen worden voorgesteld. Zij moeten maximaal participeren bij de opstelling en de opmaak van de beschrijving en de beoordeling van mogelijke milieueffecten.
Zo worden milieueffecten ook door ervaringsdeskundigen aan de praktijk getoetst.
Lokale water- en rioolbeheerders, zoals stad, gemeenten en polders/wateringen, moeten nauw bij de opmaak van de milieueffecten van de stroomgebiedbeheerplannen betrokken worden. Op lokaal bestuurlijk niveau is veel kennis over plaatselijke waterknelpunten aanwezig. Voor veel burgers is een districtshuis of stadhuis vaak het eerste aanspreekpunt. De constructieve opmerkingen uit het openbaar onderzoek moeten maximaal opgenomen worden in het verdere proces.
Titel IV van het decreet van 5 april 1995 houdende de algemene bepalingen inzake milieubeleid bepaalt de voorwaarden en procedure voor de opmaak van een plan-MER.
Het college beslist het advies voor het kennisgevingsdossier van het plan-MER 'Milieubeoordeling van de tweede generatie stroomgebiedbeheerplannen voor Schelde en Maas' goed te keuren.