Samenstelling
Aanwezig
Robert Voorhamme, schepen;
Ludo Van Campenhout, schepen;
Luc Bungeneers, schepen;
Guy Lauwers, schepen;
Güler Turan, schepen;
Leen Verbist, schepen;
Roel Verhaert, stadssecretaris
Afwezig
Patrick Janssens, burgemeester;
Philip Heylen, schepen;
Marc Van Peel, schepen;
Eddy Baelemans, korpschef;
Lucien Van Beylen, vervangend korpschef ad interim
Secretaris
Roel Verhaert, stadssecretaris
2012_CBS_03467 - Milieuvergunningen Vlarem klasse 2 - Lambrecht Nummer 1 In Banden nv, Jennevalstraat 20, 2600 Berchem-Antwerpen. Dossiernummer AN2012/5/PV - Goedkeuring
Motivering
Regelgeving: bevoegdheid
Artikel 36,4° van Vlarem I bepaalt dat het college een uitspraak dient te doen over een milieuvergunningsaanvraag klasse 2.
Aanleiding en context
Aanvrager: Lambrecht Nummer 1 In Banden nv, Oostjachtpark 7, 9100 Sint-Niklaas. De aanvraag omvat de opslag van autobanden.
Argumentatie
Het college beslist op basis van het verslag van de dienst milieuvergunningen, dat als bijlage bij dit besluit is gevoegd.
Juridische grond
Het milieuvergunningendecreet van 28 juni 1985, meermaals gewijzigd, en haar uitvoeringsbesluiten (Vlarem I en II) bepalen dat niemand zonder vergunning of melding een hinderlijke inrichting mag exploiteren.
Besluit
Het college van burgemeester en schepenen beslist:
Artikel 1
Het college beslist een milieuvergunning goed te keuren aan Lambrecht Nummer 1 In Banden nv, Oostjachtpark 7, 9100 Sint-Niklaas, voor de inrichting gelegen op het adres Jennevalstraat 20, 2600 Berchem-Antwerpen. De vergunning heeft als voorwerp de opslag van autobanden.
Artikel 2
Het college wijst erop dat de exploitant de volgende bijzondere- en brandweervoorwaarden dient na te leven:
- Bijzondere milieuvoorwaarde:
- De exploitant houdt de "interne" verplaatsingen van banden beperkt tot deze die strikt noodzakelijk zijn binnen de exploitatiebehoeften. Bovendien moeten deze bewegingen worden uitgevoerd op een wijze die zo weinig mogelijk hinder zal teweegbrengen op de openbare weg, ook indien dit betekent dat het materiaal handmatig moet worden overgebracht.
- Snelblustoestellen van minstens één bluseenheid conform NBN EN 3-7 – bij voorkeur 6 kg poeder type ABC – dienen goed verdeeld aangebracht à rato van 1 toestel per 150 m² (binnenruimte). Voor brandcompartimenten kleiner dan 300 m² dienen er in elk geval minstens twee toestellen aanwezig te zijn. Er mogen nochtans gedeeltelijk mobiele bluseenheden of snelblustoestellen van een ander type aangewend worden op de plaatsen waar zij meer aangewezen zijn, voor zover de aangebrachte blusmiddelen minstens eenzelfde bluseenheid conform NBN EN 3-7 bezitten en evenwaardig zijn aan de bovenvermelde.
- Muurhaspels met axiale voeding (conform NBN EN 671-1) aangesloten via een aangepaste leiding op de openbare waterbedeling of ander gelijkwaardig voedingssysteem, dienen op oordeelkundig gekozen plaatsen opgesteld zodanig dat elk punt van de inrichting kan bespoten worden. Hun aantal wordt zodanig bepaald dat de af te leggen afstand vanaf om het even welk punt tot het dichtst bijgelegen toestel niet meer bedraagt dan de lengte van de gebruikte haspels. De haspels dienen gevoed met een leiding onder druk zodanig dat het debiet bij de minst bedeelde haspel gelijk is aan of groter dan 24 liter per minuut. De leidingen voor bluswater dienen vervaardigd in staal of in een metaal dat minstens dezelfde waarborgen biedt.
- Er dient op een strategisch goed gekozen plaats voorzien in minstens één bestendig onder voldoende druk staand bovengronds hydrant, type BH100 conform de desbetreffende Belgische Norm NBN S21 – 019, voorzien van afsluiters op de uitgeefkanten van 70 mm diameter, aangesloten op het net van de openbare watervoorziening op een leiding van minstens 150 mm diameter door middel van een voldoende grote metalen buis en zijn nominaal debiet aan water leverend zonder dat enige vorm van voorafgaande bediening is vereist.
- De inrichting dient uitgerust te worden met een algemene en automatische branddetectie installatie, aangevuld met een manueel systeem om ontruiming te bevelen. Het aantal, de aard en de plaatsing van de toestellen wordt bepaald door de afmetingen van de lokalen en het risico, de aard en hoeveelheid van de opgeslagen materialen in de lokalen.
- De inrichting moet voorzien worden van veiligheidsverlichting, die onmiddellijk en automatisch in dienst treedt bij het uitvallen van de stroom. Minimaal dienen armaturen aangebracht te worden boven elke uitgangsdeur, in alle evacuatiewegen (gangen en trappen), in de nabijheid van de brandbestrijdingsmiddelen en in alle lokalen die uitsluitend door kunstlicht bediend worden. De veiligheidsverlichting dient verder uitgebreid te worden zodanig dat de plaatsing en de verlichtingssterkte voldoende is om een gemakkelijke ontruiming te waarborgen. De veiligheidsverlichting moet tenminste gedurende 1 uur zonder onderbreking kunnen functioneren.
- De inrichting moet afgescheiden zijn van de traphal naar de appartementen en de bovenliggende appartementen door wanden met een Rf van minimum 1 uur.
Artikel 3
Het college beslist dat de milieuvergunning ingaat op 6 april 2012 en eindigt op 28 april 2014, einddatum van de lopende vergunning.
Artikel 4
Dit besluit heeft in principe voor de stad geen financiële gevolgen.