Artikel 37, §1 b) van Vlarem I bepaalt dat het college een uitspraak dient te doen over een tijdelijke milieuvergunningsaanvraag klasse 1 of 2.
Aanvrager: Rijn- en Binnenvaartmuseum van Antwerpen vzw - Beatrijslaan 3 - 2900 Schoten. De aanvraag omvat de exploitatie van tijdelijke bedrijvenbeurs voor de binnenvaart.
Het college beslist op basis van het verslag van de dienst milieuvergunningen, dat als bijlage bij dit besluit is gevoegd.
Het milieuvergunningendecreet van 28 juni 1985, meermaals gewijzigd, en haar uitvoeringsbesluiten (Vlarem I en II) bepalen dat niemand zonder voorafgaande schriftelijke vergunning of melding een als hinderlijk ingedeelde inrichting klasse 1, 2 of 3 mag exploiteren of veranderen.
Het college beslist een tijdelijke milieuvergunning klasse 1, zoals geformuleerd in de argumentatie, goed te keuren aan het Rijn- en Binnenvaartmuseum van Antwerpen vzw, Beatrijslaan 3, 2900 Schoten, om op de locatie gelegen te Rijnkaai 28-29, 2000 Antwerpen een tijdelijke bedrijvenbeurs voor de binnenvaart van 17 september tot 30 september 2012 te exploiteren.
Het college wijst erop dat de volgende algemene en sectorale voorwaarden van toepassing zijn:
Algemene voorwaarden:
| V01 | algemene milieuvoorwaarden (hoofdstuk 4.1); |
| V02 | algemene milieuvoorwaarden, geluid (hoofdstuk 4.5); |
| V03 | algemene milieuvoorwaarden, oppervlaktewater (hoofdstuk 4.2). |
Sectorale voorwaarden:
| V35 | elektriciteit (hoofdstuk 5.12); |
| V38 | gassen, algemeen (hoofdstuk 5.16, afdeling 5.16.1); |
| V40 | gassen, compressoren en koelinrichtingen (hoofdstuk 5.16, afdeling 5.16.3); |
| V46A | gevaarlijke producten, algemene bepalingen (hoofdstuk 5.17, afdeling 5.17.1); |
| V46C | gevaarlijke producten, opslag in bovengrondse houders (hoofdstuk 5.17, afdeling 5.17.3); |
| V69 | motoren met inwendige verbranding (hoofdstuk 5.31). |
Het college beslist dat de exploitant de volgende bijzondere- en brandweervoorwaarden dient na te leven:
Bijzondere voorwaarde:
Brandweervoorwaarden:
B1
Onafhankelijk van de verplichtingen aan de houder van de milieuvergunning opgelegd via de vigerende milieureglementering alsmede via het milieuvergunningsbesluit, en onverminderd de maatregelen ter voorkoming en bestrijding van brand, door de houder van de milieuvergunning te treffen in uitvoering van de algemene en sectorale milieuvoorwaarden, dient de houder van de milieuvergunning reeds te voorzien in de hierna vermelde blusmiddelen voor eerste tussenkomst:
S1
Er dienen minstens twee snelblustoestellen van minstens 6 kg poeder type ABC te worden aangebracht.
Er mogen snelblustoestellen van een ander type aangewend worden op de plaats waar zij meer aangewezen zijn, voor zover de aangebrachte blusmiddelen minstens evenwaardig zijn aan de bovenvermelde.
S2
Snelblustoestellen van minstens 6 kg poeder type ABC dienen goed verdeeld aangebracht à rato van 1 per 150 m² (binnenruimte). Voor de oppervlakten kleiner dan 300 m² dienen er in elk geval minstens twee toestellen aanwezig te zijn.
Er mogen nochtans gedeeltelijk mobiele bluseenheden of snelblustoestellen van een ander type aangewend worden op de plaatsen waar zij meer aangewezen zijn, voor zover de aangebrachte blusmiddelen minstens evenwaardig zijn aan de bovenvermelde.
H1
Muurhaspels met axiale voeding (conform NBN EN 671-1) aangesloten via een aangepaste leiding op de openbare waterbedeling of ander gelijkwaardig voedingssysteem, dienen op oordeelkundige gekozen plaatsen opgesteld zodanig dat elk punt van de inrichting kan bespoten worden.
Hun aantal wordt zodanig bepaald dat de af te leggen afstand vanaf om het even welk punt tot het dichtst bijgelegen toestel niet meer bedraagt dan de lengte van de gebruikte haspels.
De haspels dienen gevoed met een leiding onder druk zodanig dat het debiet bij de minst bedeelde haspel gelijk is aan of groter dan 24 liter per minuut.
De leidingen voor bluswater dienen vervaardigd in staal of in een metaal dat minstens dezelfde waarborgen biedt.
De waterlevering moet te allen tijde, ook tijdens vorstperiodes, gewaarborgd zijn.