Het idee van een omgevingsvergunning is gebaseerd op Nederlands model, waar in oktober 2010 de omgevingsvergunning werd ingevoerd ter vervanging van diverse vergunningen op het gebied van milieu en ruimtelijke ordening. Ook Wallonië heeft een omgevingsvergunning ingevoerd.
Op 22 juli 2011 keurde de Vlaamse regering een startnota goed over het integreren van de milieuvergunning en de stedenbouwkundige vergunning tot een ‘omgevingsvergunning’.
In een eerste fase zal de omgevingsvergunning louter gelden voor gemengde projecten, dat wil zeggen projecten waar tegelijkertijd zowel een stedenbouwkundige als een milieuvergunning voor nodig is. Gezamenlijk aanvragen van beide zal verplicht worden en de omgevingsvergunning vervangt de 2 vergunningen door één.
In een latere fase is het de bedoeling dat de stedenbouwkundige en de milieuvergunning helemaal verdwijnen en vervangen worden door de omgevingsvergunning. Bovendien zullen hierin dan ook andere vergunningen of machtigingen maximaal worden opgenomen (natuurvergunning, kapmachtiging, sociaal-economische vergunning, …).
Deze startnota zal verder uitgewerkt worden in een conceptnota, maar die is momenteel nog niet beschikbaar. De Vlaamse regering vroeg onder meer aan de VVSG om een formeel standpunt in te leveren tegen 30 november 2011. De Vlaamse Regering is van plan om hierover nog eind dit jaar een ontwerp van decreet vast te stellen. Een verdere timing (goedkeuring decreet, uitvoeringsbesluiten, reorganisaties, inwerkingtreding) is nog niet bepaald.
Het invoeren van een omgevingsvergunning is een goede zaak. De omgevingsvergunning brengt wel serieuze implicaties mee voor het vergunningenbeleid op lokaal niveau en voor de bevoegdheidsverdeling.
Wijziging aan bevoegdheden
Nu verschilt de bevoegdheidsverdeling voor beide vergunningen. Als beide worden geïntegreerd, dan moet de bevoegdheidsverdeling minstens voor de ‘gemengde’ projecten worden gelijk getrokken. Voor de omgevingsvergunning wordt de gemeente de principieel vergunningverlenende overheid. De hoedanigheid van de aanvrager (overheid of niet) zal niet meer relevant zijn. Uitzonderingen:
De impact van deze bevoegdheidswijziging
De bedrijven die klasse 1 blijven zijn Seveso bedrijven, aanvragen van ‘geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging’ bedrijven (waarvoor Europa een milieuvergunningsstelsel oplegt) of aanvragen waarvoor een MER vereist is. Voor deze bedrijven verliest de stad haar bevoegdheid over stedenbouwkundige vergunning. Dit betekent een uitholling van de ontvoogding. De meeste van deze bedrijven liggen in havengebied. De stad en het havenbedrijf zijn nu bezig om het gebiedsgericht en op maat stedenbouwkundig beleid voor het havengebied te verankeren in een aparte bouwcode voor de haven en wil dit verder zetten.
Er komt een 2de stelsel van ontvoogding waarbinnen gemeenten ook deze klasse 1 bedrijven van de provincie zal overnemen. Over de voorwaarden en modaliteiten hiervan is nog niets bekend.
Voor strategische projecten zal het Vlaams Gewest beslissen. De impact van het lokaal beleid op strategische projecten wordt geminimaliseerd. In die hypothese zal het college geen advies meer kunnen uitbrengen over deze projecten. De stad zal enkel nog een adviserende stem krijgen in een overlegcommissie.
Andere wijzigingen
Gezien de hoedanigheid van de aanvrager niet meer relevant is, verdwijnt voor stedenbouwkundige vergunningen het onderscheid tussen de reguliere en de bijzondere procedure.
Voor de milieuvergunningen komt het voorstel neer op een massale klasseverlaging. Van de huidige 25 000 inrichtingen klasse 1 in Vlaanderen zouden er nog 2000 klasse 1 blijven. Het gros wordt klasse 2 en dient dus behandeld te worden door de gemeenten. Er zou ook een verschuiving komen van vergunningplichtig (klasse 2) naar meldingen (klasse 3). Dit betekent dat de helft meer aanvragen door de stad behandeld moeten worden. Dit vergt bijkomende middelen.
De bedoeling is ook om een permanente milieuvergunning in te voeren. In de startnota wordt dit voorgesteld als noodzakelijk om beide vergunningen te integreren, gezien de stedenbouwkundige vergunning permanent is. In Wallonië is met de ‘permis unique’ wel dit onderscheid in geldigheidstermijn behouden. De stad is geen voorstander van een permanente milieuvergunning. De innovatie van milieutechnologie moet continu mogelijk zijn (cfr ook Europese regelgeving: steeds best beschikbare technieken), de vergunning voor werfinstallaties moet tijdelijk blijven om de hinder zoveel mogelijk te beperken. Bovendien mag de permanente vergunning er niet toe leiden dat de administratieve last volledig bij de overheid wordt gelegd.
De startnota vermeldt nu niets over (geïntegreerde) handhaving. Door de ‘deklassering van de inrichtingen’ zullen er minder vooraf beoordeeld worden dus is er een slagkrachtige handhaving nodig. Ook door meer meldingsplichten is de handhaving belangrijker voor de gemeenten. De wijze van handhaving verschilt nu ook sterk tussen bouw- en milieuwetgeving.
De deputatie wordt de beroepsinstantie voor aanvragen voor de omgevingsvergunning die door het college zijn behandeld. Als in eerste aanleg beslist door provincie: beroep bij college met de 2 bevoegde ministers. Daarna Vlaamse Raad voor Vergunningsbetwisting.
Het college keurt nu een brief aan de VVSG goed waarin het standpunt van de stad Antwerpen over de omgevingsvergunning wordt toegelicht.
De Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en zijn uitvoeringsbesluiten.
Het milieuvergunningsdecreet van 28 juni 1985, meermaals gewijzigd en uitvoeringsbesluiten Vlarem I en II.
Het college beslist de collegiale brief gericht aan de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten vzw goed te keuren.