Op 6 oktober 2011 lanceerde de Europese Commissie haar voorstellen voor een nieuw Europees cohesiebeleid post-2013. Met het oog op de komende raadswerkgroepen en Europese ministerraden waarop deze voorstellen besproken zullen worden, treffen de EU-lidstaten (in het geval van België gaat het hier in eerste instantie over de gewesten) momenteel de nodige voorbereidingen om een standpunt te formuleren.
In de huidige programmeerperiode (2007-2013) maakt de stad Antwerpen op verschillende manieren gebruik van Europese cohesiemiddelen. Projecten in de regio Vlaanderen worden gefinancierd vanuit de zogenaamde structuurfondsen: EFRO (Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling) en ESF (Europees Sociaal Fonds). Als onderdeel van het huidige Vlaamse EFRO-programma ontvangt de stad Antwerpen een substantiële enveloppe van ongeveer 24 miljoen EUR, waarmee verschillende stadsontwikkelingsprojecten gefinancierd worden. Daarnaast neemt de stad Antwerpen deel aan verschillende INTERREG-projecten, die eveneens vanuit EFRO gesubsidieerd worden en tot doel hebben Europese Territoriale Samenwerking (ETS) te stimuleren. Ten slotte wil de stad ook meer kunnen intekenen op oproepen van het EFS-programma, waar een stedelijke dimensie momenteel nog ontbreekt.
Omwille van het belang van cohesiemiddelen voor de stad Antwerpen en gezien de ambitie om in de komende programmeerperiode (2014-2020) de huidige EFRO-enveloppe te bestendigen, kan een Antwerpse reactie op de voorstellen van de Europese Commissie niet uitblijven. Van het ganse pakket aan voorstellen dat de Europese Commissie op 6 oktober 2011 heeft neergelegd, zijn voor de stad Antwerpen volgende vier voorstellen tot verordening relevant: voorstel tot verordening inzake gemeenschappelijke bepalingen voor de fondsen die onder het Gemeenschappelijk Strategisch Kader vallen en algemene bepalingen voor EFRO, ESF en het Cohesiefonds; voorstel tot verordening inzake EFRO; voorstel tot verordening inzake ESF; voorstel tot verordening inzake ETS. Niet enkel betreffen deze voorstellen tot verordening de fondsen en programma's (EFRO, ESF, ETS) die in de regio Vlaanderen van kracht zullen zijn, maar ze bevatten één voor één elementen die van belang zijn voor stedelijke ontwikkeling.
Om te wegen op de Vlaamse standpuntbepaling inzake deze voorstellen, is het van cruciaal belang dat de stad Antwerpen zo snel als mogelijk haar standpunt kenbaar maakt aan het Vlaamse beleidsniveau. Om die reden werd door de Eurodesk van de stad Antwerpen in een zeer korte tijdspanne een standpunt uitgewerkt, dat zowel binnen de stuurgroep van de Eurodesk als binnen het Europa-overleg van de groep stad werd getoetst. Tevens werd ervoor geopteerd om de stad Gent te betrekken bij de uitwerking van dit standpunt, omwille van de gelijklopende belangen in het kader van EFRO, ESF en ETS. Het finale ontwerp van standpunt gaat als bijlage bij dit collegebesluit. In het standpunt wordt in hoofdzaak gepleit voor een krachtige stedelijke dimensie in de besteding van cohesiemiddelen, alsook voor het betrekken van stedelijke en lokale overheden bij het opstellen en opvolgen van de zogenaamde partnerschapscontracten (die tussen elke EU-lidstaat en de Europese Commissie gesloten worden) en de verschillende operationele programma's.
Op basis van collegiale brieven wordt dit standpunt kenbaar gemaakt aan de minister-president van de Vlaamse regering (bevoegd voor Europees beleid), de Vlaamse minister van steden, en de algemeen vertegenwoordiger van de Vlaamse regering bij de Europese unie (die de leiding neemt bij het uitwerken van een ambtelijk standpunt op Vlaams niveau). Daarnaast zal de Eurodesk eveneens de aanspreekpunten binnen de Vlaamse administratie (in de eerste plaats het team stedenbeleid, het agentschap ondernemen en het ESF-agentschap), alsook VVSG, VLEVA en het kenniscentrum op de hoogte brengen van dit standpunt. Aangezien het een gemeenschappelijk standpunt van de steden Antwerpen en Gent betreft, gebeurt het toesturen ervan eveneens in naam van de stad Gent.
Het college hecht zijn goedkeuring aan het standpunt in bijlage inzake het Europees cohesiebeleid post-2013.
Het college ondertekent de collegiale brieven in bijlage, op basis waarvan het standpunt kenbaar wordt gemaakt aan de minister-president van de Vlaamse regering, de Vlaamse minister van steden en de algemeen vertegenwoordiger van de Vlaamse regering bij de Europese Unie.