Terug

2011_CBS_14933 - Parallelwegenstructuur E34. Ontwerptekst Plan-MER - Advies - Goedkeuring

college van burgemeester en schepenen
vr 28/10/2011 - 09:00 Collegezaal, stadhuis
Goedgekeurd

Samenstelling

Aanwezig

Patrick Janssens, burgemeester; Robert Voorhamme, schepen; Philip Heylen, schepen; Ludo Van Campenhout, schepen; Luc Bungeneers, schepen; Guy Lauwers, schepen; Leen Verbist, schepen; Roel Verhaert, stadssecretaris

Afwezig

Marc Van Peel, schepen; Monica De Coninck, schepen; Eddy Baelemans, korpschef

Secretaris

Roel Verhaert, stadssecretaris

Voorzitter

Patrick Janssens, burgemeester
2011_CBS_14933 - Parallelwegenstructuur E34. Ontwerptekst Plan-MER - Advies - Goedkeuring 2011_CBS_14933 - Parallelwegenstructuur E34. Ontwerptekst Plan-MER - Advies - Goedkeuring

Motivering

Regelgeving: bevoegdheid

Artikel 57 van het Gemeentedecreet bepaalt de bevoegdheid van het college

Aanleiding en context

Op 30 september 2011 heeft de stad Antwerpen een uitnodiging ontvangen van de dienst milieueffectenrapportage (dienst MER) voor een bespreking van de ontwerptekst van het plan-milieueffectenrapport (plan-MER) voor de parallelwegenstructuur E34. Dit is geen stap die formeel is opgenomen in de procedure om een plan-MER op te maken. 

Het project parallelwegenstructuur E34 situeert zich op het grondgebied van de gemeente Beveren in de provincie Oost-Vlaanderen en de gemeente Zwijndrecht in de provincie Antwerpen.

Het project heeft invloed op de ontsluitingsstructuur van stad en haven. Het bestaat uit de gedeeltelijke ontdubbeling van de E34 door de aanleg van een primair parallelwegensysteem en de gedeeltelijke verbreding van de E34 tot 2x3 rijstroken. De verbreding vormt de overgang tussen dit parallelwegensysteem en het parallelwegensysteem op Linkeroever dat gepland is in het kader van het Masterplan Antwerpen.

De parallelwegenstructuur heeft twee uitwisselingspunten met de E34, ten westen van het Polderhuiscomplex en ten oosten van het complex Melsele. De bestaande aansluitingen – Polderhuiscomplex, Stenen Goot (geplande aansluiting van de westelijke ontsluiting), R2 en Melsele – worden afgekoppeld van de hoofdweg, eventueel geherdimensioneerd en aangesloten op de parallelwegen. Deze parallelwegenstructuur kan de weefbewegingen, die in de huidige situatie op het hoofdwegennet gebeuren, op die manier opvangen. 

In de procedure om tot een goedgekeurd MER en vervolgens tot een gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan te komen, moet eerst een kennisgevingsnota worden opgesteld door de MER-deskundige. In deze kennisgevingsnota wordt aangegeven welke onderzoeken volgens de deskundige gevoerd moeten worden om de milieueffecten van een plan in te schatten. Op 28 mei 2010 (jaarnummer 6350) heeft het college naar aanleiding van de terinzagelegging van de kennisgevingsnota aan de dienst MER gevraagd om volgende aspecten verder te onderzoeken:

  • Hoe verhoudt dit project zich tot de maatregelen beschreven in het Masterplan 2020 zoals de optimalisatie van de R2, Liefkenshoektunnel en Tijsmanstunnel, en tot het voorstel van de Wase burgemeesters?
  • Hoe rijmt dit voorstel zich met de wegencategorisering van een verbinding tussen de R2 en de E34 op niveau van hoofdweg, met varianten op het primaire parallelwegensysteem (noord-west of oost-west georiënteerd)?
  • Legt dit project geen hypotheek op een westelijke tangent tussen de E34 en de E19?
  • De verbinding tussen de R2 en de E34 op niveau van hoofdweg moet als basisuitgangspunt worden meegenomen, in lijn met de mobiliteitsvisie van het Masterplan 2020.
  • Hoe verhoudt tenslotte dit project zich tot de Nederlandse beslissing om de A4 volledig af te werken? 

Op basis van de adviezen van de aangeschreven instanties heeft de dienst MER op 29 juni de richtlijnen waaraan het plan-MER moet voldoen gepubliceerd. De belangrijkste richtlijnen zijn:

  • Er dient onderzocht te worden op welke manier de verkeersdruk en de congestie op het hoofdwegennet kan worden verlaagd en de doorstroming kan worden verbeterd. Zowel de relatie met de Waaslandhaven als met de omliggende (woon-)gebieden is hierbij van belang.
  • Alle haalbare aansluitingsalternatieven moeten in de plan-MER in beeld komen.
  • Het Masterplan 2020 moet in matrix met de beleidsmatige context worden opgenomen.
  • De ruimtelijk-fysieke randvoorwaarden van de aansluiting van Kallo-Haasdonk op de diverse alternatieven van het parallelwegensysteem E34 zullen bekeken worden.
  • Er dient in het plan-MER de nodige aandacht geschonken te worden aan de fietspadenstructuur, de landschappelijke inpassing en de impact van het plan op de aangrenzende landbouwpercelen en op het lokale wegennet.

Op 22 november 2011 organiseert de dienst MER de bespreking van de ontwerptekst van de plan-MER. Op 17 november 2011 ten laatste moeten de opmerkingen aan dienst MER bezorgd zijn. 

In de plan-MER zoals het nu voorligt, worden volgende planalternatieven voorgesteld:

  1. Nulalternatief.
  2. Verbreding E34 met een bijkomend complex Waaslandhaven-West.
  3. Volledige realisatie primaire weg type II van Vrasene tot Melsele.
    1. Primaire structuur, parallel aan E34 (basisvoorstel uit de nota voor publieke consultatie).
    2. Primaire structuur, parallel aan E34, met rechtstreekse aansluiting tussen R2 en E34, en tussen primaire parallelwegen en R2.
    3. Realisatie van een primaire weg type II binnen de haven. Opwaardering Hazopweg – Steenlandlaan – Keetberglaan als primaire weg type II.
    4. Gedeeltelijke realisatie primaire weg type II ter hoogte van Vrasene en Waaslandhaven-West: dit resulteert in het samenvoegen van twee complexen. De E34 tussen het complex Waaslandhaven-West en Melsele wordt verbreed met één rijstrook in elke richting. Hierbij zijn volgende subvarianten uitgewerkt:
      1. beperken van weefbewegingen op de parallelstructuur;
      2. volledig vermijden van kruisingen op de parallelstructuur;
      3. meer ruimte geven aan weefbewegingen op de E34 door twee aparte afritten aan de noordkant. 

De verschillende alternatieven worden als volgt beoordeeld:

I De bestaande situatie kan de verwachte intensiteiten niet aan.

II Verbreding van E34 wordt als een valabel alternatief beschouwd ondanks dat dit alternatief slecht scoort op het vlak van verkeersveiligheid door de vele weefbewegingen.

III Volledige realisatie primaire weg type II van Vrasene tot Melsele

  1. Het voorstel om de R2 enkel op de parallelwegen aan te sluiten wordt niet langer meegenomen omdat dit tot een onsamenhangend hoofdwegennet leidt.
  2. Een aansluiten van R2 op E34 én de parallelwegen wordt niet weerhouden omwille van het lage afwikkelingsniveau op sommige segmenten van de parallelstructuur. Om de afwikkelingsproblemen op de parallelstructuur op te lossen zou (opnieuw) bijkomende de infrastructuur noodzakelijk zijn. Daarnaast zijn er diverse problemen op vlak van verkeersveiligheid door de gecombineerde aansluiting van parallelstructuur en E34 op R2 te verwachten.
  3. De opwaardering van  de as Hazopweg – Steenlandlaan – Keetberglaan tot primaire weg type II wordt wegens de vele problemen (spoorwegovergangen, noodzakelijke onteigeningen…) als niet realistisch beschouwd.

IV De basisvariant met een gedeeltelijke realisatie primaire weg type II thv Vrasene en Waaslandhaven-West leidt tot een te laag afwikkelingsniveau. Daarom is deze variant niet weerhouden.

  1. Het beperken van weefbewegingen op de parallelstructuur leidt niet tot een voldoende hoog afwikkelingsniveau. Bovendien is links invoegen op een hoofdstroom onaanvaardbaar.
  2. Bij het volledig vermijden van kruisingen op de parallelstructuur kan er wel een aanvaardbaar afwikkelingsniveau gegarandeerd worden. Deze variant wordt dus verder meegenomen.
  3. Meer ruimte geven aan weefbewegingen op de E34 door twee aparte afritten aan de noordkant te voorzien, wordt (in combinatie met een van de opties voor het volledig vermijden van de kruisingen op de parallelstructuur aan de zuidkant van de E34) als een relevant alternatief voor verdere beoordeling beschouwd.

In de plan-MER zijn de volgende varianten op hun milieueffecten beoordeeld:

  • Voor de noordzijde (een alternatief met twee varianten):
    • Gedeeltelijke realisatie primaire weg ter hoogte van Vrasene en Waaslandhaven-West met de te combineren optimalisaties
      • Fly-over om verkeersstromen tussen Vrasene en Waaslandhaven West te scheiden
      • Het beperken van weefbewegingen op de E34 door twee aparte afritten aan de noordkant
  • Voor de zuidzijde (twee alternatieven):
    • Gedeeltelijke realisatie primaire weg ter hoogte van Vrasene en Waaslandhaven-West met optimalisatie door een fly-over die de verkeersstromen tussen Vrasene en Waaslandhaven –West scheidt.
    • Verbreding van de hoofdweg E34. Op basis van de huidig gekende ontwikkelingen kan de noodzaak van een vierde rijstrook over het volledige plangebied niet aangetoond worden.

De beoordeelde varianten hebben geen significant verschil in hun milieueffecten. Daarom wordt in het plan-MER geen voorkeur uitgesproken voor één of ander alternatief.

Argumentatie

Het plan-MER Parallelwegenstructuur E34 geeft een overzicht van de verscheidene alternatieven en brengt de mogelijke effecten van die alternatieven in kaart. 

Bij het advies op de kennisgevingsnota heeft het college gevraagd om een alternatief te onderzoeken met een rechtstreekse aansluiting tussen de R2 en de E34. Dit is, vanuit de categorisering in het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen, als een voorwaarde meegenomen in alle alternatieven en zal zorgen voor betere benutting van de R2. 

Dit project moet in de eerste plaats leiden tot een betere ontsluiting van de Waaslandhaven maar heeft onmiskenbare interferenties met het Masterplan 2020. Het Masterplan 2020 moet dan ook als een kader door heel het plan lopen, met bijzondere aandacht voor de ontsluiting van het Waasland.

In het Masterplan 2020 is besloten een tangent tussen de  N70 en de E34 te voorzien om daarmee Beveren te ontlasten van verkeer naar de E34. Uit de plan-MER komt niet naar voor hoe deze tangent en de geplande parallelwegen zich tot elkaar verhouden. 

In het Masterplan 2020 is gekozen om op Linkeroever bij de verbinding tussen E34 en E17 te werken met een parallelwegenstructuur. Hoe de overgang tussen de parallelwegenstructuur aan de Waaslandhaven en de parallelwegenstructuur aan Linkeroever wordt vormgegeven, is niet meteen duidelijk uit het voorliggende plan-MER.

Bij het advies op de kennisgevingsnota heeft het college eveneens gevraagd geen hypotheek te leggen op de westelijke tangent tussen de E34 en de E17. Onderzoek naar aansluitingsmogelijkheden met deze verbinding is niet opgenomen in de plan-MER omdat dit project geen deel uitmaakt van het Masterplan 2020.

Juridische grond

Decreet van 27 april 2007 houdende wijziging van titel IV van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid en van artikel 36ter van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu (plan-m.e.r.-decreet).

Besluit van de Vlaamse Regering van 18 april 2008 betreffende het integratiespoor voor de milieueffectrapportage over een ruimtelijk uitvoeringsplan (integratiespoorbesluit voor RUP's) dat de procedure omschrijft wanneer de plan-MER wordt opgemaakt tijdens het voorbereidend proces van het RUP. 

Besluit

Het college van burgemeester en schepenen beslist:

Artikel 1

Het college neemt kennis van de ontwerpversie van het plan-MER Parallelwegenstructuur E34.

Artikel 2

Het college waardeert de volledigheid van het uitgevoerde studiewerk en de mogelijkheid die wordt geboden tot inzage in de ontwerpversie van het plan-MER Parallelwegenstructuur E34.

Artikel 3

Het college wenst te benadrukken dat het Masterplan 2020 als kader door heel het plan moet lopen met bijzondere aandacht voor de ontsluiting van het Waasland. Er wordt aandacht gevraagd voor:

-       de relatie tussen de parallelwegen en de tangent van de N70 naar de E34;

-       de vormgeving en veiligheid van de overgang tussen de parallelwegenstructuur aan de Waaslandhaven en de parallelstructuur op Linkeroever (E34-E17).

Artikel 4

Dit besluit heeft in principe voor de stad geen financiƫle gevolgen.