Volgens artikel 289bis van de code van politiereglementen dient het college te beslissen of een eigenaar van een raamprostitutieruimte een geschiktheidsverklaring krijgt.
Op 21 september 2009 (jaarnummer 1432) keurde de gemeenteraad de wijziging van de code van politiereglementen goed. Hiermee is artikel 289bis van de politiecodex betreffende de voorwaarden voor raamprostitutie in het concentratiegebied geactualiseerd. Voornoemd artikel stelt eisen aan de eigenaar van een raamprostitutieruimte en aan de inrichting ervan.
Op 21 september 2009 (jaarnummer 1292) keurde de gemeenteraad de stedenbouwkundige verordening raamprostitutie goed. Het toepassingsgebied van de verordening is beschreven aan de hand van de kadastrale perceelnummers.
Op 5 februari 2010 (jaarnummer 1490) keurde het college de procedure geschiktheidsverklaring raamprostitutieruimte en aanstelling beheerder raamprostitutieruimte goed. De kerngroep geschiktheidsverklaring behandelt de aanvragen en adviseert het college over het al dan niet afleveren van een geschiktheidsverklaring raamprostitutieruimte.
Op 17 mei 2010 heeft L & R Vastgoed nv een procedure opgestart bij de Raad van State (G/A 196.474/X-14560) waarmee zij de nietigverklaring vraagt van de verordening aangezien één van haar panden, meer bepaald het pand aan de Blauwbroekstraat 9 (kadastraal gekend als afd. 1, sectie A, perceel 01 A 167 X), daarin uit het concentratiegebied wordt gesloten. Deze procedure is thans nog hangende bij de Raad van State.
Op 29 juni 2010 diende L & R Vastgoed nv, eigenaar van het pand gelegen in de Blauwbroekstraat 9, een aanvraagdossier geschiktheidsverklaring raamprostitutieruimte in bij het college. Dit pand is kadastraal gekend als afd. 1, sectie A, perceel 01 A 167 X.
Zoals de aanvraagprocedure geschiktheidsverklaring raamprostitutieruimte voorschrijft, werden controles uitgevoerd op de naleving van stedenbouwkundige, brandveiligheids- en hygiënevoorschriften. Deze controles gebeurden op 1 december 2010.
De administratieve voorschriften en moraliteitsvoorwaarden werden onderzocht.
De aanvrager werd per aangetekend schrijven van 4 februari 2011 op de hoogte gebracht dat haar pand buiten de concentratiezone raamprostitutie ligt en van de resultaten van de controles. L & R Vastgoed nv werd uitgenodigd op een hoorzitting om alsnog bewijs te leveren dat voldaan werd aan de gestelde voorwaarden voor het uitbaten van een raamprostitutieruimte.
Op 18 februari 2011 werd de eigenaar en/of zijn vertegenwoordiger gehoord met betrekking tot de vastgestelde inbreuken. Hiervan werd verslag gemaakt met vermelding van de inbreuken en de repliek van de aanvrager (in vet) als volgt:
“…1. Administratief dossier:
A: uit het eerste nazicht van uw aanvraagdossier:
- De aanvraag vermeldt kadasternummer 167/R terwijl het door u meegedeelde uittreksel uit de kadastrale legger van de gemeente en het door u medegedeelde uittreksel uit kadastrale percelenplan het pand kadastraal aanduiden met A 167 X.
- De door u meegedeelde stedenbouwkundige vergunning AN1/2008/B/0855 heeft betrekking tot kadastraal perceel (afd.1) sectie A nr. 167 V
Betrokkene verklaart dat er over de identiteit van het pand geen discussie kan bestaan maar dat zij bereid zijn een nieuw kadastraal uittreksel aan te vragen.
B: ten aanzien van dit perceel 01 A 0167 X:
- In de eerste plaats blijkt uit het nazicht van het dossier dat het opgegeven adres Schippersstraat 1A te 2000 Antwerpen niet officieel gekend is.
- Inlichtingen uit het bevolkings- en vreemdelingenregister geven aan dat het officiële adres voor het perceel 01 A 167 X Blauwbroekstraat 9 is. Het is u bekend dat die straat en dit pand niet in het concentratiegebied ligt en om die reden alleen al niet in aanmerking komt voor een geschiktheidsverklaring.
Betrokkene verwijst naar de procedure van de Raad van State en naar de stukken en het verweer die zij daarover neerlegt.
2. Stedenbouwkundige verordening:
VCRO 4.2.1. - 1
- Tegen de voorgevel en over de volledige voorgevelbreedte werd een rode lichtlijn bevestigd, evenals twee spots.
Betrokkene verklaart dat dit niet vergunningsplichtig is.
- Op het gelijkvloers werd links achter de bestaande trap een ruimte gecreëerd van circa 4,50 m² waar zich een douchecel bevindt. Deze ruimte is toegankelijk via een deuropening ter hoogte van het bordes van de bestaande trap en via de kamer rechts achteraan. Hiervoor werd links in de achtergevel en achteraan in de linkergevel een deuropening gemaakt.
- De raampartijen in de voorgevel werden groter uitgevoerd dan werd opgetekend op de vergunde plannen.
- De indeling van de vitrines werd anders uitgevoerd dan werd opgetekend op de vergunde plannen. Hierdoor werden er in de voormalige snackbar 3 vitrines voorzien in plaats van 2 vitrines.
- Op het gelijkvloers werd de douchecel van de kamer rechts achteraan niet uitgevoerd. De douchecel in het midden werd anders uitgevoerd.
Betrokkene kan niet uit de gedane vaststellingen en het fotomateriaal afleiden dat de uitgevoerde werken niet zouden overeenstemmen met de vergunde plannen. Hij wenst eerst deze plannen te zien, van de laatst vergunde toestand, om hierover uitspraken te doen.
- Boven aan het trappenhuis werd geen verluchtingsopening/brandluik voorzien zoals werd voorgeschreven in de brandweervoorwaarden gevoegd bij de stedenbouwkundige vergunning.
Betrokkene verklaart dat er reeds een luik aanwezig was, maar op moment van vaststelling was er een storing. Later op de dag werd er een reparatie uitgevoerd.
Betrokkene verbindt zich er toe om een bewijs af te leveren van deze reparatie.
- Aan de achtergevel werd geen brandladder voorzien.
Betrokkene verklaart dat er in de achtergevel geen raam aanwezig is, zodat het voorzien van een brandladder geen zin heeft.
Betrokkene verklaart dat de brandweer een gunstig advies heeft gegeven bij toekennen van de stedenbouwkundige vergunning en verklaart dat er niet aangetoond is dat er in bijzondere voorwaarden van de stedenbouwkundige vergunning een brandladder werd voorgeschreven. Bovendien heeft de brandtoezichter ter zake geen opmerking gemaakt.
3. Brandveiligheidsvoorschriften
Aan betrokkene wordt een kopie overhandigd van het evaluatieverslag van 25 januari 2011, waaruit blijkt dat het ontbrekende attest werd afgeleverd.
4. Accommodatie-, hygiëne- en onderhoudsvoorschriften
D: Werkruimte
- Bed en/of rustbank met een afneembare en waterafwasbare matrashoes is niet aanwezig in werkkamer 1 en werkkamer 2.
Opmerking: matrassen worden pas aangekocht als de geschiktheidsverklaring voor de 5 vitrines wordt goedgekeurd.
Betrokkene verklaart dat de matrashoezen worden aangekocht.
De raadsman van de betrokkene legt een brief neer van 18 februari 2011, die samen dient gelezen te worden met de voormelde verklaringen en met volgende procedurestukken:
- Het verzoek tot nietigverklaring en de memorie van wederantwoord voor de Raad van State, de stedenbouwkundige verordening als voorwerp.
- De verweernota neergelegd tijdens de hoorzitting van 6 december 2010 bij de politie van de stad Antwerpen in het kader van de administratieve sluiting.
Betrokkene verklaart het verweer in deze stukken als herhaald te beschouwen.
Betrokkene verklaart het verslag van de hoorzitting niet te zullen ondertekenen.
Er werd wel een kopie van het verslag overgemaakt.
Betrokkene verbindt er zich toe uiterlijk 18 maart 2011 de bewijzen te leveren. Deze bewijzen moeten binnengebracht worden op het Francis Wellesplein 1, 2018 Antwerpen. In een enveloppe met de naam van het pand er op en het kenmerk SL/BH t.a.v. Bianca Cardito, tel 03/338.61.41…”
De aanvrager verbond zich er tijdens de hoorzitting toe om uiterlijk 18 maart 2011 de overtredingen ongedaan te maken. Naar aanleiding van de hoorzitting bracht de aanvrager met een brief van 18 maart 2011 van haar raadsman volgende stukken voor:
Op 6 april 2011 vond een pandcontrole plaats om na te gaan of de resterende overtredingen ongedaan gemaakt werden. Luidens het evaluatieverslag van de controles, dat rekening houdt met de aanvullende bewijzen en de pandcontrole van 6 april 2011, blijven volgende inbreuken bestaan:
“…Inbreuken tegen de gemeentelijke bouw- en woningverordening en/of de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en wel in het bijzonder op volgende artikel(s):
|
VCRO 4.2.1. - 1 |
Niemand mag zonder voorafgaande stedenbouwkundige vergunning: |
|
GSV 4.3° |
Wijzigingen aan het uiterlijk van een gebouw. |
|
GSV 61 |
Buitenverlichting: Algemeen. |
Vaststellingen:
1. Tegen de voorgevel en over de volledige voorgevelbreedte werd een rode lichtlijn bevestigd, evenals twee spots (zie foto 01).
- Op hoorzitting verklaart betrokkene dat dit niet vergunningsplichtig is.
- De dienst bouwtoezicht meldt dat dit wel aan de vergunningsplicht is onderworpen en baseert zich hiervoor op artikel 4.3° en artikel 61 van de stedenbouwkundige verordening.
2. Op de gelijkvloerse verdieping werd links achter de bestaande trap een ruimte gecreëerd van circa 4,50 m² waar zich een douchecel bevindt. Deze ruimte is toegankelijk via een deuropening ter hoogte van het bordes van de bestaande trap en via de kamer rechts achteraan. Hiervoor werd links in de achtergevel en achteraan in de linkergevel een deuropening gemaakt (zie foto 03, 04 en 05).
3. De raampartijen in de voorgevel werden groter uitgevoerd dan werd opgetekend op de vergunde plannen (zie foto 01).
4. De indeling van de vitrines werd anders uitgevoerd dan werd opgetekend op de vergunde plannen. Hierdoor werden er in de voormalige snackbar drie vitrines voorzien in plaats van twee vitrines (zie foto 01).
5. Op de gelijkvloerse verdieping werd de douchecel van de kamer rechts achteraan niet uitgevoerd. De douchecel in het midden werd anders uitgevoerd (zie foto 02).
- Betrokkene verklaart op hoorzitting dat hij uit de gedane vaststellingen en het fotomateriaal niet kan afleiden dat de uitgevoerde werken niet zouden overeenstemmen met de vergunde plannen. Hij wenst eerst deze plannen te zien, van de laatst vergunde toestand, om hierover uitspraken te doen.
- De dienst bouwtoezicht blijft bij haar standpunt en baseert zich hiervoor op de plannen gevoegd bij de stedenbouwkundige vergunning met referte 20085427 – AN1/2008/B/0855.
6. Aan de achtergevel van het pand werd geen brandladder voorzien.
- Betrokkene verklaart dat er in de achtergevel geen raam aanwezig is, zodat het voorzien van een brandladder geen zin heeft.
Betrokkene verklaart dat de brandweer een gunstig advies heeft gegeven bij toekennen van de stedenbouwkundige vergunning en verklaart dat er niet aangetoond is dat er in bijzondere voorwaarden van de stedenbouwkundige vergunning een brandladder werd voorgeschreven.
Bovendien heeft de brandtoezichter ter zake geen opmerking gemaakt.
- De dienst bouwtoezicht verwijst hiervoor naar de specifieke brandvoorzorgsmaatregelen die werden gevoegd bij de stedenbouwkundige vergunning met referte 20085427 – AN1/2008/B/0855…”
De aanvrager werd bij aangetekend schrijven van 17 mei 2011 in kennis gesteld van het verslag van
6 april 2011 van de bouwtoezichter. Met dit schrijven werd haar de mogelijkheid gegeven om hierop naar keuze schriftelijk of mondeling te reageren binnen de 14 kalenderdagen na ontvangst van het schrijven.
De raadsman van de aanvrager heeft hierop gereageerd met een schrijven van 30 mei 2011, waarin het volgende wordt uiteengezet:
“…Als antwoord op voormeld schrijven wens ik in de eerste plaats nogmaals te benadrukken dat het verslag van de hoorzitting door uw diensten, die heeft plaatsgevonden op 18 februari 2011, uiteraard niet kan geacht worden het standpunt van mijn cliënte, noch van mijzelf te vertolken en evenmin de neerslag hiervan te bevatten.
Uit de aard van zulk een verslag (korte opsomming standpunten, genoteerd door dossierbeherende ambtenaar, etc.) vloeit immers voort dat dit per definitie slechts een beperkte en derhalve onvolledige weergave kan zijn van het verloop van de hoorzitting in kwestie. De vraag of het verslag al dan niet zin per zin werd voorgelezen en of hieraan verbeteringen/toevoegingen werden gedaan door partijen verandert aan het eenzijdig karakter van het verslag niets.
U zal willen begrijpen dat uw beschouwingen onder randnummer 1 van uw schrijven volledig misplaatst zijn in het licht van de rechten van verdediging die u tijdens de hoorzitting reeds heeft proberen te beknotten, reden waarom het verslag niet door of namens mijn cliënte werd ondertekend. De rechten van de verdediging houden onder meer in dat de betrokkene die dreigt geconfronteerd te worden met een administratieve maatregel die zijn rechtspositie in het gedrang brengt (in casu een voornemen van de stad om de geschiktheidsverklaring te weigeren) het recht heeft om zich te laten bijstaan door een advocaat, zodat de insinuaties aan diens adres hiermee strijden. De administratie vermag de persoon van de raadsman niet te viseren en nog minder te betrekken in de discussie.
Voorts noteer ik dat u uw standpunt gewijzigd hebt wat de kadastrale nummering van het pand Schippersstraat 1A betreft alsook wat betreft het functioneren van het brandluik. Ik neem er uitdrukkelijk akte van dat de twee stukken die wij namens cliënte bijkomend hebben bijgebracht met ons schrijven van 18 maart 2011 een voldoende weerlegging zijn geweest van uw opmerkingen dienaangaande, zodat hierover thans geen discussie meer kan bestaan.
Tenslotte volhardt cliënte ten stelligste in haar standpunt betreffende de vermeende afwijkingen van het pand Schippersstraat 1A van “de stedenbouwkundige voorschriften”, zoals vermeld in uw brief van
17 mei 2011 en zoals nader gespecificeerd in de verslagen van het onderzoek van bouwtoezicht van
1 december 2010 en 6 april 2011.
Als algemene opmerking met betrekking tot deze vermeende afwijkingen dient er op te worden gewezen dat zij enkel vaagweg worden aangestipt in een summiere opsomming. Naast voormelde summiere opsomming wordt slechts een aantal (uiterst onduidelijke) foto’s gevoegd in de verslagen van onderzoek van bouwtoezicht. Eén en ander volstaat echter helemaal niet om het bestaan van vermeende afwijkingen van stedenbouwkundige voorschriften te bewijzen. Vanzelfsprekend komt het niet aan mijn cliënte toe om te bewijzen dat zij niét is afgeweken van “de stedenbouwkundige voorschriften”. Het komt integendeel aan de vaststellende ambtenaar toe om een afdoende bewijs te leveren van datgene wat hij aanvoert, nl. (1) van de feiten die zogezegd werden vastgesteld, (2) van het feit dat deze zogezegd vastgestelde feiten daadwerkelijk een schending van stedenbouwkundige voorschriften zouden uitmaken en tenslotte (3) welke deze geschonden stedenbouwkundige voorschriften dan wel zouden zijn. Dit bewijs wordt in casu niet geleverd.
Voorts wenst cliënte ook nog de volgende concrete opmerkingen te maken bij de vermeende vaststellingen in de verslagen van onderzoek van bouwtoezicht van 1 december 2010 en 6 april 2011:
1) Waar de gemeentelijke ambtenaar gewag maakt van de vermeende wederrechtelijke bevestiging van een rode lichtlijn en twee spots aan de voorgevel van het pand Schippersstraat 1A is het voor cliënte volstrekt onduidelijk op welke stedenbouwkundige voorschriften hij zich beroept.
In het verslag van onderzoek van 6 april 2011 wordt immers geciteerd uit de VCRO alsook uit de gemeentelijke stedenbouwkundige verordening (bouwcode). Het is echter niet duidelijk om welke bouwcode het hier exact gaat. Op 4 april 2011 blijkt immers een nieuwe gemeentelijke bouwcode van kracht gegaan te zijn. Hiervóór gold echter de gemeentelijke bouwcode van 11 september 1984. Het is cliënte een raadsel op welke van beide bouwcodes de gemeentelijke ambtenaar zich heeft gesteund bij het opstellen van zijn verslag van 6 april 2011.
Deze onduidelijkheid wordt bovendien nog versterkt door het feit dat in het eerste verslag van onderzoek van 1 december 2010 daarentegen enkel werd geciteerd uit de VCRO en niét uit een (welke?) gemeentelijke bouwcode. Het lijkt er dan ook ernstig op dat men bewust gewacht heeft op de inwerkingtreding van de bouwcode van 4 april 2011 voor het uitvoeren van een tweede controle in het pand Schippersstraat 1A, nadat cliënte er op de hoorzitting van 18 februari 2011 uitdrukkelijk op had gewezen dat het voorzien van spots aan de voorgevel vrijgesteld is van vergunningsplicht. Mijn cliënte verzet zich uiteraard tegen zulke ongeoorloofde werkwijzen die manifest indruisen tegen het fair play-beginsel, zoals erkend door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Bovendien verzetten het legaliteitsbeginsel in strafzaken en het principe van de gunstigste strafwet zich tegen deze werkwijze.
2) Vervolgens beweert de gemeentelijke ambtenaar zonder meer dat de raampartijen in de voorgevel groter zouden uitgevoerd zijn dan op de vergunde plannen werd opgetekend. Net zoals dit het geval is met betrekking tot alle opmerkingen van de ambtenaar in het algemeen, dient ook in dit specifieke verband te worden opgemerkt dat deze bewering alles behalve bewezen wordt.
De ambtenaar poneert zijn stelling gewoon aan de hand van één enkele foto, zonder dat echter enig meetwerk wordt bijgebracht en zonder dat dit meetwerk wordt vergeleken met de vergunde plannen. Dit bewijst uiteraard niets.
Dit alles klemt des te meer nu uit de eigen foto van de vaststellende ambtenaar zelf blijkt dat de nieuwe raampartijen op dezelfde hoogte zijn uitgevoerd als de bestaande en reeds vroeger vergunde raampartijen, net zoals dit op de vergunde plannen is aangeduid. De beweringen van de vaststellende ambtenaar hieromtrent zijn dan ook niet alleen niet op deugdelijke wijze gestaafd, zij zijn bovendien ook pertinent onjuist.
3) Wat tenslotte het vermeend gebrek aan brandladder aan de achtergevel van het pand betreft, heeft cliënte er reeds ten overvloede op gewezen dat dit een onwettige voorwaarde betrof in de stedenbouwkundige vergunning van 30 december 2008 die de facto onmogelijk uit te voeren is.
Zo weze het in de eerste plaats herhaald dat het pand Schippersstraat 1A eigenlijk helemaal geen achtergevel heeft, minstens dat hieraan helemaal geen brandladder kan bevestigd worden. Dit pand is langs de achterkant immers grotendeels verbonden met een achterliggend pand, dat uitgeeft op de Brouwersvliet. Vroeger vormden deze beide panden één geheel waarvoor de stad Antwerpen overigens zelf nog stedenbouwkundige vergunningen heeft afgeleverd. Op een bepaald ogenblik zijn beide panden opgesplitst. Het getuigt van weinig zorgvuldigheid dat de stad Antwerpen één en ander zogezegd niet zou weten en daarom aandringt op de uitvoering van een stedenbouwkundige voorwaarde die überhaupt niet uitvoerbaar is.
In de mate dat het pand Schippersstraat 1A over een aantal verdiepingen niet helemaal grenst aan het achterliggende pand Brouwersvliet maar een beperkt “luchtgat” vormt, volstaat dit echter evenmin om een brandladder te plaatsen. Er bevinden zich hier immers nergens ramen in de achtergevel van het pand, zodat de brandladder überhaupt niet bereikbaar zou zijn. Dit is onder meer te wijten aan het feit dat, zoals blijkt uit de vergunde plannen, de trapzaal van het pand Schippersstraat 1A zich achteraan het pand bevindt, tegen de achtergevel.
In dit verband verwijst cliënte dan ook naar de vaste rechtspraak van de Raad van State inzake vergunningsvoorwaarden. Volgens deze rechtspraak dienen stedenbouwkundige voorwaarden in verhouding te staan tot het voorwerp van de verleende vergunning en mogen zij niet een dusdanige strekking of inhoud hebben dat zij de verwezenlijking van de vergunning zelf onmogelijk maakt (Zie R.v.St. nr. 92.586, 24 januari 2001, DEBUCQUOIS-VAN DER SMISSEN en R.v.St. nr. 123.290, 23 september 2003, BAGUETTE zoals aangehaald in B. BOUCKAERT en T. DE WAELE, Ruimtelijke ordening en stedenbouw in het Vlaamse Gewest, Brugge, Vanden Broele, 2004, 250, nr. 240; zie ook: R.v.St. nr. 102.802, 23 januari 2002, NV LINDIMMO, zoals aangehaald in T. DE WAELE, “De begrenzing van de bevoegdheid van de vergunningverlenende overheid bij het opleggen van stedenbouwkundige voorwaarden in de vergunning”, TROS 2003, 159, 5).
Cliënte blijft dan ook bij haar standpunt dat er zodoende geen enkele reden is om de gevraagde geschiktheidsverklaring (die in het verleden steeds werd verleend) te weigeren en zij behoudt zich alle rechten voor om verdere stappen te zetten wanneer de administratieve carrousel waarin zij dreigt terecht te komen niet eindigt…”
Zoals de procedure geschiktheidsverklaring raamprostitutieruimte voorschrijft, werd het aanvraagdossier besproken op de kerngroep geschiktheidsverklaring van 9 juni 2011.
Op 14 april 2011 betekende de politie het besluit burgemeester van 8 april 2011 tot administratieve sluiting van het pand gelegen in de Blauwbroekstraat 9 ten behoeve van de handhaving van art. 289bis van de code van politiereglementen.
Op 21 april 2011 stelde de politie vast dat het pand gesloten is en er geen raamprostitutie-activiteiten meer plaatsvinden.
Op 7 juni 2011 heeft L&R Vastgoed nv een procedure opgestart bij de Raad van State (G/A 200.506/XII-6617) waarin zij de schorsing en de nietigverklaring vraagt van de administratieve sluiting. Deze procedure is thans nog hangende bij de Raad van State.
1. Inleiding.
Luidens het artikel 289bis § 4 politiecodex wordt de geschiktheidsverklaring geweigerd onder meer :
indien niet voldaan is aan de wettelijke of reglementaire bepalingen en voorwaarden van toepassing op een raamprostitutiepand en/of ruimten;
Hieronder wordt uiteengezet dat het pand:
Elk van de twee vaststellingen is op zich van die aard dat zij noodzakelijkerwijze tot de weigering van de geschiktheidsverklaring aanleiding geven. Een gebeurlijke weerlegging van één van beide vaststellingen kan met andere woorden de strekking van de beslissing niet doen wijzigen.
2. Het pand ligt niet in de concentratiezone raamprostitutie.
2.1.
Volgens het artikel 289 van de code van politiereglementen (hierna “de politiecodex”) is prostitutie in principe verboden, behalve “…raamprostitutie in het concentratiegebied raamprostitutie…”.
Volgens het artikel 289bis politiecodex:
Een geschiktheidsverklaring kan dus enkel verleend worden voor panden binnen het concentratiegebied raamprostitutie, aangezien raamprostitutie daarbuiten verboden is.
In casu dient te worden vastgesteld dat het pand van de aanvrager, kadastraal gekend als afd. 1, sectie A, perceel 01 A 167 X, volgens het artikel 2 van de stedenbouwkundige verordening raamprostitutie buiten het concentratiegebied gelegen is. Deze loutere vaststelling is op zich voldoende om de aangevraagde geschiktheidsverklaring te weigeren.
2.2.
In dit verband kan voor zover nodig worden herinnerd aan de “ratio legis” van het concentratiegebied en de totstandkoming ervan.
Het concentratiegebied werd ingesteld omdat het bestaan van raamprostitutieactiviteiten in een buurt en dan vooral de activiteiten die daarmee gepaard gaan een enorme verstoring geven van de openbare orde en de openbare veiligheid in de onmiddellijke en ruime omgeving van die buurt. Hierbij bedoelen we niet alleen vormen van overlast zoals carrouselrijden, wildplassen, lawaaihinder, intimidatie, vechtpartijen, enzovoort maar ook vormen van criminaliteit, mensenhandel, witwaspraktijken, afpersing, wapengebruik en -handel, drugsgebruik en -handel, …
In het belang van de openbare orde en de veiligheid is het noodzakelijk om een beleid te voeren met als doel de beheersbaarheid van en het toezicht op de prostitutie-activiteiten.
De stad Antwerpen heeft beslist dat de activiteiten van de raamprostituees beperkt blijven tot enkele straten met een beperkt aantal panden en ramen, een zogenaamd concentratiegebied.
Deze maatregel heeft tot doel de raamprostitutieactiviteiten in of naar andere stadsdelen tegen te gaan om te vermijden dat andere wijken in een gelijkaardige negatieve leefomgeving evolueren met een hoge graad van onveiligheid.
Na een uitgebreid onderzoek over een mogelijk concentratiegebied voor raamprostitutie door het adviesbureau Seinpost in juni 1999 werd gekozen voor het zogenaamde V-model.
Dit is het model dat wordt gevormd door de drie straten in de binnenstad die het concentratiegebied uitmaken: de Verversrui, de Schippersstraat en (een deel van de) Vingerlingstraat.
Dit model biedt de beste mogelijkheden aangezien:
Deze afbakening van het concentratiegebied werd oorspronkelijk opgenomen in de politiecodex en is thans ook de afbakening van de verordening.
De instelling en afbakening van het concentratiegebied, zulks om de hoger vermelde redenen, doorstond in het verleden ook al de toets van de Raad van State. Ondermeer Raad van State, Piraeus bvba, nummer 97515, 6 juli 2001; Danny Vereecke e.a., nummer 97535, 6 juli 2001; Danny Vereecke e.a., nummer 199.002, 17 december 2009; Vocan nv, nummer 118.852, 29 april 2003; Vocan nv, nummer 213.290, 17 mei 2011)
De uitbating van een raamprostitutiepand buiten het concentratiegebied, ook al is het in de nabijgelegen Blauwbroekstraat, is niet in overeenstemming met de hoger weergegeven visie en doelstellingen van het concentratiegebied en doorkruist aldus het beleid van de stad Antwerpen (bijvoorbeeld overlapping met andere functies in de Blauwbroekstraat, de verkeersafwikkeling in de Blauwbroekstraat, de uitbating van het pand Blauwbroekstraat 9 als raamprostitutieruimte hypothekeert mogelijks een eventuele interne functiewijziging zoals uitbreiding van kantoorruimte of van bedrijfsrestaurant richting concentratiegebied van het kantoorgebouw Blauwbroekstraat 2-32, …).
De stad Antwerpen heeft met haar beleid bovendien bij de burger de verwachting gewekt dat buiten het concentratiegebied geen raamprostitutie meer zal voorkomen.
De burger verwacht van de stad Antwerpen dat deze haar eigen regels en beleid naleeft.
Het verstrekken van een geschiktheidsverklaring voor raamprostitutiepanden buiten het concentratiegebied is om deze redenen niet mogelijk.
2.3.
In nummers 2-3 op pagina 2-3 van haar verweernota stelt L & R Vastgoed nv dat haar pand niet gelegen is aan de Blauwbroekstraat 9 maar wel aan de Schippersstraat 1A. Dit zou blijken uit een aantal in het verleden verleende geschiktheidsverklaringen, bouwvergunningen en aanslagbiljetten, waarin telkens verwezen werd naar een pand aan de Schippersstraat 1A en naar de concentratiezone.
Er dient evenwel op gewezen te worden dat:
Uit de registers bij de stad Antwerpen en uit vroegere stukken blijkt immers dat het perceel vroeger bekend was als Blauwbroekstraat en nooit als Schippersstraat.
Via een loophole/ambiguïteit bij het kadaster en een démarche van de rechtsvoorganger van de huidige aanvrager is dan foutief de idee ontstaan dat dit perceel het adres Schippersstraat 1A betrof.
De naam van de straat of het huisnummer werd echter nooit op de wettelijk voorgeschreven wijze veranderd naar Schippersstraat 1A (zie het artikel 4 van het decreet van 28 januari 1977 tot bescherming van de namen van openbare wegen en pleinen en het artikel 68 politiecodex).
Bij gebreke hieraan is Schippersstraat 1A dan ook geen geldig bestaand adres.
De verordening dient dan ook, op grond van het “privilège du préalable”, eenvormig te worden geacht met het recht.
2.4.
In nummers 5-6-7 op pagina 4-7 van haar verweernota stelt L & R Vastgoed nv dat de stad Antwerpen de verwarring over de adressering zelf gecreëerd zou hebben aangezien:
Deze argumentatie is niet gegrond aangezien:
Het inlichtingenblad, dat slechts een eerste aanzet was in de voorbereidingsfase bij de opmaak van het toepassingsgebied van de verordening, stelt immers duidelijk dat het nummer 1A nooit werd toegekend in de Schippersstraat en dat er vermoedelijk een nummer ‘bijgecreëerd’ werd en dat dit verder onderzocht moest worden.
Uit het verder onderzoek van de registers bij de stad Antwerpen is dan blijkbaar gevolgd dat deze vermoedens klopten en dat het pand officieel wel degelijk bekend was bij de stad Antwerpen als Blauwbroekstraat 9 en in ieder geval niet als Schippersstraat 1A.
Om de straatnaam en het huisnummer te veranderen dienen trouwens wettelijk voorgeschreven procedures gevolgd te worden en blijkbaar is er geen enkel stuk waaruit afgeleid kan worden dat de naam en het nummer van het pand ooit, laat staan op een wettelijke manier, veranderd werden naar Schippersstraat 1A;
Eén van de regels voor panden om in het concentratiegebied opgenomen te worden, was/is dat er geen rechtstreekse of onrechtstreekse toegangsmogelijkheden mochten/mogen zijn naar een publieke weg buiten het concentratiegebied (zodanig dat de politie desgevallend het concentratiegebied kan afsluiten).
Het bewuste pand betrof vroeger één groot perceel met een toegang aan de Brouwersvliet 12 en aan de Blauwbroekstraat 9.
Indien de Blauwbroekstraat deel had uitgemaakt van het concentratiegebied – quod non – dan had er in de Blauwbroekstraat 9 dus geen raamprostitutie uitgeoefend mogen worden omdat het pand ook een toegang had aan de Brouwersvliet.
Een kadastrale splitsing van het perceel in twee afzonderlijke percelen waarvan één met toegang aan de Brouwersvliet en één met toegang aan de Blauwbroekstraat had hiervoor dan een oplossing kunnen bieden.
In onderhavig geval is dat echter niet zo, gewoon omdat de Blauwbroekstraat geen deel uitmaakt(e) van het concentratiegebied.
Ook na de kadastrale splitsing bleef het zo dat het pand buiten het concentratiegebied lag omdat de Blauwbroekstraat geen deel uitmaakt van het concentratiegebied en omdat een loutere kadastrale splitsing niet van aard is om én de straatnaam én het huisnummer van een pand officieel te veranderen van Blauwbroekstraat 9 in Schippersstraat 1A.
In die brief stelt deze laatste enkel dat er “mogelijk” een oplossing kan gevonden worden voor het probleem van de heer Vandamme via het kadaster (zoals hoger aangetoond in het vorige streepje is dit echter niet juist).
Voorts stelt de hoofdcommissaris dat de heer Vandamme zelf contact moet opnemen met de “bevoegde ambtenaren” van de “bevoegde afdeling” om dit verder te onderzoeken en om “in onderling overleg een gepaste oplossing trachten te vinden”.
Over kadastrale splitsing wordt niet gesproken.
De bevoegde ambtenaren waarnaar wordt verwezen, zijn de ambtenaren van het kadaster, dit wil zeggen de ambtenaren van de federale overheid en dus niet de ambtenaren van de stad Antwerpen.
De hoofdcommissaris heeft in de brief niet gesteld dat de kadastrale opsplitsing dé oplossing van het probleem zou zijn, doch hoogstens gesuggereerd dat hier mogelijk een oplossing lag, doch dat dit sowieso verder besproken moest worden met en onderzocht moest worden door het kadaster.
Nogmaals: de kadastrale opsplitsing is/was geen “oplossing” waarmee het pand in het concentratiegebied terecht kon komen, aangezien dit geen wijziging van straatnaam inhield.
2.5.
In nummer 8 op pagina 7-8 van haar verweernota stelt L & R Vastgoed nv dat er geen beroep gedaan zou mogen worden op de stedenbouwkundige verordening raamprostitutie aangezien deze op dit ogenblik aangevochten wordt met een annulatieberoep voor de Raad van State.
Het annulatieberoep bij de Raad van State heeft geen schorsende werking.
De verordening is nog steeds van kracht en zij moet, gelet op het “privilège du préalable”, geacht worden eenvormig te zijn met het recht zodat ze niet alleen kan maar ook moet toegepast worden.
Bij dit alles wordt ook in rekening genomen dat het afwachten van het resultaat van de annulatieprocedure met betrekking tot de verordening niet nuttig/opportuun is aangezien:
2.6.
In nummers 9-11 op pagina 8-11 van haar verweernota stelt L & R Vastgoed nv dat het college de stedenbouwkundige verordening raamprostitutie buiten toepassing moet laten op grond van het artikel 159 van de Grondwet nu dit een handeling zou betreffen die zo grof en flagrant onwettig is dat zij als een onbestaande rechtshandeling dient te worden beschouwd.
L & R Vastgoed nv herneemt daartoe het eerste middel dat zij aangehaald heeft in het annulatieberoep bij de Raad van State. Kort samengevat stelt dit middel dat er sprake zou zijn van machtsoverschrijding omdat de stad Antwerpen ten onrechte een bestemmingsvoorschrift heeft opgenomen in een stedenbouwkundige verordening terwijl het ruimtelijk uitvoeringsplan het enige instrument is dat hiervoor kan worden aangewend.
Hiermee kan niet ingestemd worden om de volgende twee redenen die elk op zich verhinderen dat hier door het college een toepassing gemaakt wordt van het artikel 159 van de Grondwet.
In de eerste plaats blijkt uit de memorie van antwoord en de memorie van wederantwoord, die neergelegd zijn in de annulatieprocedure bij de Raad van State dat de stad Antwerpen zelf toch een uitgebreide en goed gemotiveerde repliek voorziet op het middel van L & R Vastgoed nv, waaruit blijkt dat het middel ongegrond is, minstens dat de beweerde onwettigheid toch niet zo flagrant onwettig is, dat deze hier aan het college een toepassing van het artikel 159 van de Grondwet toelaat.
In de tweede plaats moet erop gewezen worden dat de inhoud van de stedenbouwkundige verordening raamprostitutie:
De verordening voorziet immers voorschriften om:
Dit is perfect in overeenstemming met het artikel 2.3.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (VCRO) luidens hetwelk stedenbouwkundige verordeningen vastgesteld kunnen worden om te zorgen voor:
“1° de gezondheid, de instandhouding, de stevigheid, de fraaiheid en de esthetische waarde van de bouwwerken, de installaties en hun omgeving, en ook hun veiligheid, met name de beveiliging tegen brand en overstroming;
5° de bewoonbaarheid van de woningen;
8° de gebruiksveiligheid van een goed dat toegankelijk is voor het publiek…;”
Het betreffen bovendien voorschriften die constructiegebonden zijn en betrekking hebben op materiële bouwwerken en gelijkgestelde handelingen voor individuele projecten.
Niet iedere gebouweigenaar in het concentratiegebied is immers verplicht die normen na te leven.
Enkel die gebouweigenaars of gebruikers die een raamprostitutiepand willen uitbaten, moeten deze stedenbouwkundige voorschriften navolgen.
Dat deze voorschriften in een stedenbouwkundige verordening thuishoren, werd trouwens reeds bevestigd in het auditoraatsverslag van 6 februari 2007 van auditeur F. De Buel, zulks in een procedure bij de Raad van State (met kenmerk A 102.093/XII-3007) daterend uit de periode vóór de gemeentelijke stedenbouwkundige verordening raamprostitutie toen de voorschriften nog opgenomen waren in het hoofdstuk 3 van de politiecodex. Voornoemd auditoraatsverslag stelt:
“… Minstens de bepalingen van voornoemd hoofdstuk 3 zijn, ons inziens, onmiskenbaar aan te merken als “stedenbouwkundige voorschriften” als bedoeld in artikel 54 van het decreet van 18 mei 1999 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening, meer bepaald dus bepalingen die thuis horen in een zgn. gemeentelijke stedenbouwkundige verordening…”.
In weerwil van wat L & R Vastgoed nv stelt, zijn de stedenbouwkundige voorschriften immers niet gericht op “bestemming”.
Er is geen sprake van dat de bestreden verordening een bepaalde zone voor prostitutieactiviteiten bestemt.
Zowel het besluit van 21 september 2009 als de toelichtingsnota stellen uitdrukkelijk dat de verordening de raamprostitutie niet toelaat of verbiedt, doch dat dit geregeld wordt in de politiecodex (artikelen 289 en 289bis).
Het enige wat de verordening oplegt, zijn technische regels waaraan een prostitutiepand in de concentratiezone moet voldoen.
In weerwil van wat L & R Vastgoed nv opwerpt, werd er dus voor het opleggen van de stedenbouwkundige voorschriften geen oneigenlijk gebruik gemaakt van het instrument van de stedenbouwkundige verordening nu deze geen bestemmingsvoorschriften voorziet.
Minstens is er om ook bovenvermelde reden geen sprake van een flagrante en grove onwettigheid die hier een toepassing van het artikel 159 van de Grondwet mogelijk maakt.
3. Het pand voldoet niet aan de stedenbouwkundige voorschriften.
3.1.
In de verslagen van 1 december 2010 en 6 april 2011 van de bouwtoezichter wordt vastgesteld dat het pand niet voldoet aan de stedenbouwkundige voorschriften.
3.2.
In de eerste plaats wordt met duidelijke bewijsfoto’s vastgesteld dat er tegen de voorgevel en over de volledige voorgevelbreedte een rode lichtlijn werd bevestigd evenals twee spots, zulks evenwel zonder dat de aanvrager over de vereiste bouwvergunning beschikt, die daarvoor vereist wordt door de artikelen 4.3.3° en 61 van de gemeentelijke bouwverordening.
Op pagina 3-4 in nummer (1) van haar brief van 30 mei 2011 betwist de aanvrager deze inbreuk.
In dit verband dient voorafgaandelijk te worden verduidelijkt dat er twee gemeentelijke bouw- en woningverordeningen relevant zijn: de gemeentelijke bouw- en woningverordening van 1986 (goedgekeurd door de gemeenteraad van 11 september 1984 en goedgekeurd bij ministerieel besluit van 26 maart 1986), hierna ‘oude bouwcode’ en de gemeentelijke bouw- en woningverordening van 2011 (goedgekeurd door de gemeenteraad van 25 oktober 2010, jaarnummer 1433 en van kracht op 4 april 2011), hierna ‘nieuwe bouwcode’.
De aanvrager betwist noch de aanwezigheid van de lichtlijn en de spots noch het feit dat hij hiervoor geen vergunning heeft. Volgens de aanvrager is het onduidelijk uit welke stedenbouwkundige voorschriften nu blijkt dat het plaatsen van de rode lichtlijn en twee spots aan de voorgevel vergunningsplichtig is. De aanvrager verwijst daarvoor naar de bouwverslagen van 1 december 2010 en 6 april 2011. Volgens de aanvrager is het bovendien helemaal niet duidelijk over welke bouwcode het in de respectievelijke verslagen gaat. In het verslag van 1 december 2010 staan de bepalingen van de oude bouwcode inderdaad niet expliciet vermeld. In het verslag van 6 april 2011 zijn, gezien de inwerkingtreding van de nieuwe bouwcode op 4 april 2011, de bepalingen van de nieuwe bouwcode opgenomen. Volgens de aanvrager toont dit aan dat de plaatsing van de rode lichtlijn en de spots vóór de inwerkingtreding van de nieuwe bouwcode niet vergunningsplichtig was. Meer nog, volgens de aanvrager zou de stad Antwerpen bewust hebben gewacht tot na 4 april 2011 om een tweede controle uit te voeren om de rode lichtlijn en spots wél als vergunningsplichtig te kunnen aanmerken, hetgeen als een inbreuk op het fair play beginsel moet worden bestempeld.
Dat in het eerste bouwverslag de relevante artikels van de oude bouwcode niet staan vermeld, doet geen afbreuk aan het feit dat het plaatsen van de rode lichtlijn en de spots wel degelijk vergunningsplichtig was, ook voor het inwerkingtreden van de nieuwe bouwcode.
In dat kader kan specifiek verwezen worden naar volgende artikelen voor wat betreft de oude bouwcode:
Artikel 1.3.2. Harmonie met de gebouwde omgeving.
Het college van burgemeester en schepenen kan, in het belang van de architectuur van het gebouw of de harmonie van het stratenbeeld, de plaats, de kleur, de afmetingen en de vormgeving van mogelijk storende toevoegingen zoals reclames, uithangborden, versieringen, antennes, kabels en draden, verlichtingstoestellen en zonnetenten, aan bijkomende voorwaarden onderwerpen of verbieden.
Artikel 6.1.1. Bouwvergunning:
Hieronder ressorteren de vergunningen opgelegd ingevolge de wettelijke bepalingen houdende organisatie van de stedenbouw en van de ruimtelijke ordening.
Artikel 6.1.2. h) Onverminderd de verplichtingen opgelegd door de hierboven vermelde wettelijke bepalingen, zijn de volgende handelingen en werken eveneens onderworpen aan de voorafgaande schriftelijke vergunning van het college van burgemeester en schepenen:
h) het aanbrengen van een reclame-inrichting zoals bedoeld in hoofdstuk XI - B - arts 69, 70, 71;
Onder de oude bouwcode diende een rode lichtlijn en spots bij een raamprostitutiepand uiteraard niet beschouwd te worden als “gewone” gevelverlichting maar wel degelijk als een “reclame-inrichting”, die de aandacht vestigt op de activiteiten in het pand.
Ook onder de nieuwe bouwcode is de plaatsing van de rode lichtlijn en de beide spots nog vergunningsplichtig:
Artikel 4.3. Wijzigingen aan het uiterlijk van een gebouw.
Volgende wijzigingen aan het uiterlijk van een gebouw zijn vergunningsplichtig, voor zover deze niet vrijgesteld zijn van vergunningsplicht: 3° Het aanbrengen van permanente buitenverlichting, zichtbaar vanaf de openbare weg.
Artikel 61 Buitenverlichting: Algemeen.
Het plaatsen van buitenverlichting zichtbaar vanaf het openbaar domein en het toepassen van verlichting voor reclamedoeleinden is onderworpen aan de volgende voorwaarden:
1° Verlichting boven de vensterdorpel van de 1e verdieping of hoger dan 5 meter boven het aangrenzende maaiveld is slechts toegelaten indien zich geen tegenoverliggende bebouwing bevindt binnen een straal van 40 meter.
2° Belijning van een gebouw door middel van het aflijnen van de contour van het gebouw met verlichting is niet toegestaan.
3° Indien de onderzijde van de verlichting zich lager dan 2,60 meter boven het aangrenzende voetpad bevindt, bedraagt de maximale uitsprong 0,15 meter ten opzichte van het gevelvlak. 4° De verlichting dient minimaal 0,30 meter boven het aangrenzende maaiveld geplaatst te worden.
5° Alle gevel- of voortuinverlichting moet op minimaal 0,50 meter van de perceelsgrens geplaatst worden.
6° De uitsprong uit het gevelvlak mag niet meer bedragen dan de voetpadbreedte min 0,75 meter, met een maximum van 0,60 meter.
7° Indien verlichting in de voortuinstrook van woningen geplaatst wordt, is de maximale hoogte ten opzichte van het maaiveld 0,80 meter.
8° Verlichting met een rode of groene kleur of kleurweerkaatsing zijn verboden binnen een afstand van 75 m van verkeerslichten. Dit verbod geldt niet voor het groen kruis dat geplaatst wordt aan apotheken.
9° Indien een verlichting omhoog gericht wordt, mag deze enkel het object oplichten.
Lichtvervuiling en hinder naar weggebruikers en de omgeving dient vermeden te worden.
Met andere woorden: onder de nieuwe code betreffen de rode lichtlijn en spots op een raamprostitutiepand een permanente buitenverlichting die niet vrijgesteld is van vergunningsplicht.
Er kan dus ook geen sprake zijn van schending van het fair play-beginsel: het al dan niet wachten op de inwerkingtreding van de nieuwe bouwcode verandert immers niets aangaande de vergunningsplicht.
Bovendien beweert de aanvrager enerzijds dat het hem niet duidelijk is welke bouwcode wordt geciteerd in het verslag van 6 april 2011, terwijl slechts een alinea later de aanvrager toegeeft dat het de nieuwe bouwcode betreft, gezien hij beweert dat de stad Antwerpen net zou gewacht hebben op de inwerkingtreding van de nieuwe bouwcode om de plaatsing van de rode lichtlijn en spots als vergunningsplichtig aan te merken.
Het plaatsen van de rode lichtlijn en de twee spots aan de voorgevel is dus wel degelijk vergunningsplichtig, zowel onder de oude als onder de nieuwe bouwcode. De zonder vergunning aangebrachte lichtlijn en spots zijn in strijd met de stedenbouwkundige voorschriften.
3.3.
In de tweede plaats wordt met duidelijke bewijsfoto’s vastgesteld dat er op de gelijkvloerse verdieping links achter de bestaande trap een ruimte gecreëerd werd van circa 4,50 m² waar zich een douchecel bevindt. Deze ruimte is toegankelijk via een deuropening ter hoogte van het bordes van de bestaande trap en via de kamer rechts achteraan. Hiervoor werd links in de achtergevel en achteraan in de linkergevel een deuropening gemaakt.
Dit alles is gebouwd in strijd met de bouwplannen bij de stedenbouwkundige vergunning van
30 december 2008 (referte 20085427 – AN1/2008/B/0855) en vormt dienvolgens een inbreuk op de artikelen 4.2.1.1° juncto 6.1.1.1° van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna VCRO) en op de vergunning.
Op de hoorzitting verklaarde de aanvrager dat hij uit de gedane vaststellingen en het fotomateriaal niet kan afleiden dat de uitgevoerde werken niet zouden overeenstemmen met de vergunde plannen. Hij wenste eerst deze plannen te zien, van de laatst vergunde toestand, om hierover uitspraken te doen.
In de brief van 17 mei 2011 werd de aanvrager op de hoogte gesteld van het verslag van 6 april 2011 van de bouwtoezichter, waarin deze laatste stelt dat hij bij zijn standpunt blijft en zich daarvoor baseert op “…de plannen gevoegd bij de stedenbouwkundige vergunning met referte 20085427 – AN1/2008/B/0855….” In deze brief wordt tevens gesteld “…Wij nemen aan dat uw cliënt op de hoogte is van de laatst vergunde toestand van zijn pand en van de inhoud van zijn vergunningen en plannen, zodat u het een en het ander kunt controleren. Zoniet kan u inzage vragen van de stukken bij de stad Antwerpen na voorafgaande afspraak met Bianca Cardito…”
In de antwoordbrief van 30 mei 2011 formuleert de aanvrager hierop geen enkel verweer meer zodat geacht kan worden dat de aanvrager, na de controle van zijn eigen plannen, deze inbreuk niet betwist.
3.4.
In de derde plaats wordt vastgesteld dat de raampartijen in de voorgevel groter werden uitgevoerd dan werd opgetekend op de vergunde plannen bij de stedenbouwkundige vergunning van 30 december 2008.
De ramen zijn met andere woorden in strijd met de stedenbouwkundige vergunning van 30 december 2008 (referte 20085427 – AN1/2008/B/0855) en vormen dienvolgens een inbreuk op de artikelen 4.2.1.1° juncto 6.1.1.1° VCRO en op de vergunning.
Op pagina 4 in nummer (2) van haar brief van 30 mei 2011 betwist de aanvrager deze inbreuk.Volgens de aanvrager is het helemaal niet bewezen dat de raampartijen niet conform de vergunning zijn uitgevoerd. Er zouden immers geen metingen naar voor worden gebracht en er zou geen vergelijking worden gemaakt met de vergunde plannen.
Aan het bouwverslag is een foto van de voorgevel toegevoegd. Uit een vergelijking van de foto en de vergunde plannen blijkt overduidelijk dat de geplaatste ramen niét conform de afgeleverde vergunning zijn uitgevoerd. Dit blijkt al minstens uit het feit dat de plannen melding maken van één penant in blauwe hardsteen, terwijl er twee penanten te zien zijn op de foto. Er dient derhalve geen bijkomend meetwerk te worden verricht om vast te stellen dat hier werd afgeweken van de vergunning, zonder dat achteraf een regularisatie werd bekomen.
Het bewijs blijkt afdoende uit bovengaande en tegenbewijs wordt door de aanvrager in ieder geval niet geleverd.
3.5.
In de vierde plaats wordt met duidelijke bewijsfoto’s vastgesteld dat de indeling van de vitrines anders werd uitgevoerd dan werd opgetekend op de vergunde plannen. Hierdoor werden er in de voormalige snackbar drie vitrines voorzien in plaats van twee vitrines.
Deze uitvoering is in strijd met de bouwplannen bij de stedenbouwkundige vergunning van 30 december 2008 (referte 20085427 – AN1/2008/B/0855) en vormt dienvolgens een inbreuk op de artikelen 4.2.1.1° juncto 6.1.1.1° VCRO en op de vergunning.
Op de hoorzitting verklaarde de aanvrager dat hij uit de gedane vaststellingen en het fotomateriaal niet kan afleiden dat de uitgevoerde werken niet zouden overeenstemmen met de vergunde plannen. Hij wenste eerst deze plannen te zien, van de laatst vergunde toestand, om hierover uitspraken te kunnen doen.
In de brief van 17 mei 2011 werd de aanvrager op de hoogte gesteld van het verslag van 6 april 2011 van de bouwtoezichter waarin deze laatste stelt dat hij bij zijn standpunt blijft en zich daarvoor baseert op “…de plannen gevoegd bij de stedenbouwkundige vergunning met referte 20085427 – AN1/2008/B/0855….” In deze brief wordt tevens gesteld “…Wij nemen aan dat uw cliënt op de hoogte is van de laatst vergunde toestand van zijn pand en van de inhoud van zijn vergunningen en plannen, zodat u het een en het ander kunt controleren. Zoniet kan u inzage vragen van de stukken bij de stad Antwerpen na voorafgaande afspraak met Bianca Cardito…”
In de antwoordbrief van 30 mei 2011 formuleert de aanvrager hierop geen enkel verweer meer zodat geacht kan worden dat de aanvrager, na de controle van zijn eigen plannen, deze inbreuk niet betwist.
3.6.
In de vijfde plaats wordt met duidelijke bewijsfoto’s vastgesteld dat op de gelijkvloerse verdieping de douchecel van de kamer rechts achteraan niet werd uitgevoerd. De douchecel in het midden werd anders uitgevoerd.
Deze uitvoering is in strijd met de bouwplannen bij de stedenbouwkundige vergunning van 30 december 2008 (referte 20085427 – AN1/2008/B/0855) en vormt dienvolgens een inbreuk op de artikelen 4.2.1.1° juncto 6.1.1.1° VCRO en op de vergunning.
Op de hoorzitting verklaarde de aanvrager dat hij uit de gedane vaststellingen en het fotomateriaal niet kan afleiden dat de uitgevoerde werken niet zouden overeenstemmen met de vergunde plannen. Hij wenste eerst deze plannen te zien, van de laatst vergunde toestand, om hierover uitspraken te doen.
In de brief van 17 mei 2011 werd de aanvrager op de hoogte gesteld van het verslag van 6 april 2011 van de bouwtoezichter waarin deze laatste stelt dat hij bij zijn standpunt blijft en zich daarvoor baseert op “…de plannen gevoegd bij de stedenbouwkundige vergunning met referte 20085427 – AN1/2008/B/0855….” In deze brief wordt tevens gesteld “…Wij nemen aan dat uw cliënt op de hoogte is van de laatst vergunde toestand van zijn pand en van de inhoud van zijn vergunningen en plannen, zodat u het een en het ander kunt controleren. Zoniet kan u inzage vragen van de stukken bij de stad Antwerpen na voorafgaande afspraak met Bianca Cardito…”
In de antwoordbrief van 30 mei 2011 formuleert de aanvrager hierop geen enkel verweer meer zodat geacht kan worden dat de aanvrager, na de controle van zijn eigen plannen, deze inbreuk niet betwist.
3.7.
In de zesde plaats wordt vastgesteld dat aan de achtergevel van het pand geen brandladder voorzien werd.
Deze uitvoering is in strijd met de brandvoorschriften, die als voorwaarde opgelegd werden in de stedenbouwkundige vergunning van 30 december 2008 (referte 20085427 – AN1/2008/B/0855) en vormt dienvolgens een inbreuk op de artikelen 4.2.1.1° juncto 6.1.1.1° VCRO en op de vergunning.
Op pagina 4 in nummer (2) van haar brief van 30 mei 2011 betwist de aanvrager deze inbreuk. Zij betwist niet dat zij in strijd met de verleende vergunning geen brandladder voorzien heeft. Zij poneert evenwel dat het voorzien van de brandladder een onwettige vergunningsvoorwaarde betreft die onmogelijk uit te voeren is, aangezien de ladder niet nuttig aan de achtergevel bevestigd zou kunnen worden.
Uit nazicht van het administratief dossier blijkt dat de kwestieuze vergunning niet het voorwerp heeft uitgemaakt van een beroepsprocedure. Indien de betrokkene van mening was dat hem een onwettige voorwaarde was opgelegd, diende hij de beschikbare rechtsmiddelen aan te wenden om de voorwaarde te betwisten. De voorwaarde, zijnde het plaatsen van een brandladder, blijft aldus gelden. Bovendien blijkt uit de tekening bij het brandweeradvies hoe een brandladder nuttig voorzien kan worden aan het pand.
3.8.
Tenslotte kan nog worden verwezen naar het algemeen bezwaar dat de aanvrager formuleert in de brief van 30 mei 2011, met name dat de hogervermelde stedenbouwkundige inbreuken in de verslagen van de bouwtoezichter te vaag zouden zijn.
Dit is betwistbaar en bovendien wordt hierboven afdoende duidelijk het bewijs geleverd van (1) de feiten die werden vastgesteld, (2) van het feit dat deze vastgestelde feiten daadwerkelijk een schending uitmaken van stedenbouwkundige voorschriften en (3) welke stedenbouwkundige voorschriften dit dan wel zijn.
In dit verband kan ook opgemerkt worden dat de aanvrager drie van de zes vastgestelde inbreuken (namelijk inbreuken 2 – 4 – 5) niet eens betwist en dat zij ten aanzien van de andere drie inbreuken ook niet ontkent dat deze inbreuken bestaan, doch haar verweer louter beperkt tot de (onjuiste) stelling dat de bouwtoezichter onvoldoende bewijst dat dit inbreuken zijn.
4. De hoorplicht
In casu was het niet verplicht om de aanvrager te horen nu de weigering van de geschiktheidsverklaring geen gevolg is van een persoonlijke tekortkoming van de verzoekende partij, doch op grond van de hoger in het hoofdstuk 2 bij de argumentatie gedane uiteenzetting automatisch en logischerwijze voortvloeit uit de politiecodex en de verordening raamprostitutie (concentratiegebied) of minstens gegrond is op een beslissing met het oog op het algemeen belang/de openbare orde (zie I. Opdebeek, Beginselen van behoorlijk bestuur,2006, nummer 324-325).
Met het oog op de naleving van de beginselen van behoorlijk bestuur werd de aanvrager desalniettemin tweemaal gehoord, één keer mondeling (hoorzitting 18 februari 2011) en één keer schriftelijk (brief van 30 mei 2011 van de raadsman van de aanvrager), zoals dit hoger uiteengezet werd in het hoofdstuk ‘Aanleiding en context’.
De bedoeling hiervan was om de aanvrager, bijgestaan door haar raadsman, de kans te geven om haar standpunt te laten kennen met betrekking tot de gedane vaststellingen en de te nemen beslissing.
Gelet op de uitgebreide replieken van de aanvrager zowel op de hoorzitting als in de brief van 30 mei 2011 en gelet op de uitgebreide repliek die hoger in het hoofdstuk argumentatie op de opmerkingen van de aanvrager werd gegeven, is aan de beweerde hoorplicht voldaan.
Op pagina 1 van de brief van 18 maart 2011 en op pagina 1-2 van de brief van 30 mei 2011 poogt de aanvrager afbreuk te doen aan de hoorplicht zoals deze werd uitgevoerd met de stellingen dat:
In de brief van 17 mei 2011 werd hierop gerepliceerd dat er na de hoorzitting voldoende tijd werd genomen om het verslag met alle partijen zin per zin te herlezen waarbij de aanvrager en haar raadsman zelf nog de nodige verbeteringen en toevoegingen hebben gedaan aan de inhoud ervan.
Uitgaande van de eerlijkheid van de aanvrager en haar raadsman wordt er van uitgegaan dat zij dit niet ontkennen.
Stellen dat het verslag “eenzijdig” is, lijkt dan ook niet correct ook al wenste de aanvrager uiteindelijk het verslag niet te ondertekenen;
Deze kritiek mist alle grondslag: de aanvrager heeft zich kunnen laten bijstaan door een raadsman en deze laatste werd nergens “geviseerd” tijdens de procedure.
Het loutere feit dat een beroep wordt gedaan op iemands eerlijkheid betekent niet dat die eerlijkheid in twijfel getrokken wordt of dat die persoon “geviseerd” wordt (in ieder geval was zulks in casu duidelijk niet de bedoeling).
Van een schending van de rechten van verdediging is met andere woorden geen sprake.
5. Besluit.
Uit bovenstaande blijkt dat niet voldaan is aan de voorwaarden voor het verkrijgen van een geschiktheidsverklaring raamprostitutieruimte zoals bepaald in artikel 289bis van de code van politiereglementen van de stad Antwerpen.
Het artikel 123 Nieuwe Gemeentewet van 24 juni 1988.
Het artikel 54 van het Gemeentedecreet van 15 juli 2005.
De artikelen 289 en 289bis van de code van politiereglementen (de ‘politiecodex’).
Het artikel 2 van de gemeentelijke stedenbouwkundige verordening raamprostitutie.
De artikelen 4.3 en 61 van de gemeentelijke bouw- en woningverordening van 2011 (goedgekeurd door de gemeenteraad op 25 oktober 2010, jaarnummer 1433, en van kracht op 4 april 2011)
Het college beslist een geschiktheidsverklaring raamprostitutieruimte te weigeren voor vijf vitrines en vijf werkruimten aan L & R Vatsgoed nv voor de raamprostitutieruimte gelegen in de Blauwbroekstraat 9, 2000 Antwerpen.
Het college geeft opdracht aan:
| Dienst | Taak |
| OCMW/LSB/SG | Dit besluit aan de eigenaar te betekenen. |
| OCMW/LSB/SG | De eigenaar op de hoogte te brengen van de beroepsmogelijkheden tegen deze beslissing van het college. |