brandweer/post noord/preventie
Gunstig onder voorwaarden
Verduidelijking op standaardvoorwaarden nr. 1103: publieke activiteit in een vaste inrichting (gebouw) die uitzonderlijk wordt gebruikt als locatie voor een evenement.
De inrichting dient te voldoen aan de volgende artikelen:
Art. 199.1
Gemakkelijk brandbare materialen als rietmatten, stro, karton, boomschors, papier alsmede gemakkelijk brandbare textiel en kunststoffen, mogen noch als versiering noch als bouwmateriaal voor wanden en (valse) plafonds aangewend worden.
Losse plafonddoeken zijn niet toegelaten. Onder "versieringen" dient niet verstaan de normale, functionele stoffering (gordijnen en overgordijnen aan ramen, vaste muurbekledingen, tafellinnen, vloerbedekking, e.d.).
Art. 200.1
De trappen, gangen en deuren evenals de wegen, die er naartoe leiden, hierna met de term "uitgang" aangeduid, moeten een snelle en gemakkelijke ontruiming van de inrichting mogelijk maken. Er is steeds minimum één uitgang die rechtstreeks toegang geeft op de openbare weg of op een hiermee gelijkgestelde plaats. Inrichtingen of gedeelten van inrichtingen, waar het maximum aantal personen honderd of meer bedraagt, moeten over ten minste twee afzonderlijke uitgangen beschikken. Drie afzonderlijke uitgangen zijn vereist voor inrichtingen of gedeelten van inrichtingen waar het maximum aantal personen vijfhonderd of meer bedraagt. Het berekenen van het aantal uitgangen moet gesteund zijn op de onderstelling dat, bij het verlaten van het gebouw, alle personen van een verdieping zich samen naar de naburige verdieping begeven en dat deze al ontruimd is, als zij er aankomen.
Art. 200.2
De uitgangswegen en deuren moeten een totale breedte hebben die ten minste gelijk is - in centimeter - aan het aantal personen, die ze moeten gebruiken om de inrichting te ontruimen. Elke uitgang moet evenwel een vrije breedte hebben van minimum 80cm in het geval van een stedenbouwkundige vergunning en 70cm in geval van bestaande exploitatie en een minimum vrije hoogte van 2 meter. Wanneer de inrichting op bovenverdiepingen of in kelderverdiepingen voor het publiek toegankelijke lokalen heeft, moeten deze door vaste trappen bediend worden. Verdiepingen waar het maximum aantal personen honderd of meer bedraagt, moeten over ten minste twee afzonderlijke trappen beschikken. Verdiepingen waar het maximum aantal personen vijfhonderd of meer bedraagt, moeten over ten minste drie afzonderlijke trappen beschikken. De trappen moeten een totale breedte hebben (in centimeter) ten minste gelijk aan het aantal personen, door wie zij moeten gebruikt worden om de uitgangen van de inrichting te bereiken, vermenigvuldigd met 1,25 indien het om dalende trappen gaat en vermenigvuldigd met 2 indien het om stijgende trappen gaat. Het berekenen van deze breedten moet gesteund zijn op de onderstelling dat, bij het verlaten van het gebouw, alle personen van een verdieping zich samen naar de naburige verdieping begeven en dat deze al ontruimd is, als zij er aankomen. De minimumbreedte voor elke trap bedraagt minimum 80cm in het geval van een stedenbouwkundige vergunning en 70cm in geval van bestaande exploitatie.
Art. 200.5
Geen enkel punt van de publiek toegankelijke ruimte mag zich in loopafstand verder bevinden dan 45 meter van de eerste uitgang. Geen enkel punt van de publiek toegankelijke ruimte mag zich in loopafstand verder bevinden dan 80 meter van de tweede uitgang.
Uitgangen met volgende kenmerken worden aanvaard:
I. rechtstreeks op de openbare weg of op een hiermee gelijkgestelde plaats;
II. op een binnenterrein zodanig dat alle aanwezigen zich minstens 8 meter van het gebouw
kunnen verwijderen;
III. via een evacuatieweg die voldoet aan de volgende kenmerken:
a) de evacuatieweg moet wanden Rf 1 uur hebben en zelfsluitende deuren Rf ½ uur;
b) de trappen moeten vervaardigd zijn uit onbrandbare materialen;
c) de breedte van de evacuatieweg en van de trappen is minstens 80cm en dient bepaald volgens de algemeen geldende regels (evenredigheid met het aantal gebruikers, namelijk 1cm/ persoon horizontaal; 1,25cm/persoon voor dalende evacuatie en 2cm/ persoon voor stijgende evacuatie);
d) de deuren dienen in de evacuatierichting te draaien;
e) de plaats waar de evacuatieweg terug op het gelijkvloers komt, dient zich vlakbij de gevel te bevinden en dient onafhankelijk te zijn van de eigenlijke uitgang;
f) de ganse evacuatieweg dient voorzien van een degelijke, voldoende en automatische veilig-heidsverlichting;
g) de aanduiding van deze (nood)uitgang en de te volgen richting dienen veelvuldig aangeduid te worden met de reglementaire pictogrammen.
Art. 200.6
De deuren in de uitgangswegen moeten ofwel in beide richtingen ofwel in de vluchtzin opendraaien. Tijdens de openingsuren van de inrichting mogen zij in geen geval vergrendeld of met een sleutel gesloten worden. Uitgangsdeuren, die zich op minder dan hun breedte van de rooilijn bevinden, draaien naar binnen open en moeten tijdens de openingsuren van de inrichting permanent en vergrendeld openblijven. Uitzondering wordt gemaakt voor uitgangsdeuren van een bijzonder type, die bij gewone druk alleen naar binnen kunnen draaien maar bij een sterkere druk ook naar buiten kunnen draaien; deze hoeven niet permanent en vergrendeld open te blijven tijdens de openingsuren van de inrichting. De deuren in de uitgangswegen die twee uitgangen verbinden moeten in beide richtingen opendraaien. Automatisch werkende deuren mogen gebruikt worden voor uitgangen die rechtstreeks naar buiten uitgeven, mits zij bij het uitvallen van de elektrische stroom of een ander defect automatisch in open stand worden gebracht. Trommeldeuren en draaipaaltjes zijn in uitgangen slechts in overtal toegelaten.
Art. 200.8
De plaats van elke uitgang evenals de richting van de wegen, uitgangswegen en trappen, die naar deze uitgangen leiden, worden aangeduid door pictogrammen. De zichtbaarheid van de pictogrammen wordt verzekerd zowel door de normale verlichting als door de veiligheidsverlichting. Zij moeten vanuit alle delen van de voor het publiek toegankelijke lokalen goed waarneembaar zijn en in verhouding staan tot de afmeting van de ruimte. De tweede of derde uitgang mag even-tueel aangeduid worden met het pictogram "nooduitgang".
Art. 201.2
De inrichting moet voorzien worden van veiligheidsverlichting, die onmiddellijk en automatisch in dienst treedt bij het uitvallen van de stroom. Minimaal dienen armaturen aangebracht te worden boven elke uitgangsdeur, in alle evacuatiewegen (gangen en trappen), in de nabijheid van de brandbestrijdingsmiddelen en in alle lokalen die uitsluitend door kunstlicht bediend worden. De veiligheidsverlichting dient verder uitgebreid te worden zodanig dat de plaatsing en de verlichtingssterkte voldoende is om een gemakkelijke ontruiming te waarborgen. De veiligheidsverlichting moet tenminste gedurende 1 uur zonder onderbreking kunnen functioneren.
Art. 202.1
In verband met de verwarmingsinstallatie moeten alle nodige veiligheidsmaatregelen worden genomen om oververhitting, ontploffing en brand te voorkomen. In de omgeving van de verwarmingsinstallatie dient alles wat het brandrisico verhoogt te worden geweerd.
Art. 202.2
De verwarmingstoestellen, die niet op elektriciteit werken, moeten op een schoorsteen aangesloten zijn of op een speciale inrichting voor de afvoer der verbrandingsproducten. Verplaatsbare verwarmingstoestellen voor stralingswarmte, noch recipiënten met vloeibare brandstoffen zijn toegelaten in de voor het publiek toegankelijke lokalen.
Art. 202.8
Recipiënten voor een vloeibaar gemaakt petroleumgas, zowel voor opslag als voor gebruik, mogen enkel in openlucht ondergebracht worden.
Art. 203.1
Het beperkt aanbrengen van sfeerverlichting met open vuur, zoals kaarsen, petroleumlampen is enkel toegelaten mits ze bij het gebruik of bij het omstoten geen brand kunnen veroorzaken. Fakkels zijn niet toegelaten.
Art. 203.2
Sfeerverwarming door middel van open haarden is enkel toegelaten in een vaste opstelling.
Art. 204.1
De exploitant moet voldoende brandblusmiddelen aanbrengen, aangepast aan de omstandigheden.
In de inrichtingen toegankelijk voor publiek, moeten snelblustoestellen van het type 6kg poeder ABC aangebracht worden à rato van 1 stuk per 150m² totale oppervlakte met een minimum van twee snelblustoestellen. Deze snelblustoestellen dienen goed over de oppervlakte toegankelijk voor het publiek te worden verdeeld. Op elke verdieping moet minstens 1 snelblustoestel worden aangebracht.
Art. 204.4
In keukens moet een snelblustoestel van het type 5 kg CO2 of 6 kg ABC poeder of gelijkwaardig aanwezig zijn. Tevens moet in elke keuken een branddeken aanwezig te zijn. Voor frituurketels dient een goed sluitend metalen deksel in de onmiddellijke nabijheid voorzien worden.
Art. 204.5
Het brandbestrijdingsmaterieel moet goed onderhouden worden, beschermd zijn tegen vorst, op doeltreffende wijze gesignaleerd worden, gemakkelijk bereikbaar en oordeelkundig verdeeld zijn. Het moet steeds onmiddellijk in werking kunnen gebracht worden.
Art. 204.7
Al het personeel moet omtrent de gevaren van brand in de inrichting ingelicht worden. Sommige personeelsleden, vooraf aangeduid omwille van de permanentie en de aard van hun functies, moeten geoefend worden in het hanteren van de brandbestrijdingsmiddelen en de ontruiming van de inrichting.
Art. 205.1
De binnenwanden, die de scheiding vormen van de voor het publiek toegankelijke lokalen en hun uitgangen, met de overige delen van het gebouw, dienen een Rf van tenminste een uur te hebben. De deuren in deze binnenwanden dienen een Rf van ten minste een half uur te hebben. Plafonds bestaande uit houten roosteringen, bekleed en eventueel geïsoleerd op een wijze die analoog is aan deze die beschreven is voor een getest plafond met een Rf van ten minste een uur, kunnen toegestaan worden.
Volgende aanhorigheden mogen beschouwd worden als deel uitmakend van het publiek toegankelijke gedeelte:
- aanrechtkeukens;
- keukens waarin alle vaste bak- en braadtoestellen uitgerust zijn met een vaste automatische blusinstallatie, welke gekoppeld is aan een mechanisme dat bij in werking treden van de blus-installatie de brandstoftoevoer afsluit;
- muurkasten;
- lokalen die als drankopslagplaats gebruikt worden.
Art. 205.2
Het zichtbaar oppervlak van de (valse) plafonds en van balken moet van het type A1 zijn.
Art. 205.3
Het zichtbaar oppervlak van de (valse) muren, van kolommen en van trappen moet van het type A2 zijn.
Art. 205.4
Het zichtbaar oppervlak van de (valse) vloeren moet van het type A3 zijn.
Art. 205.5
De minimumbreedte van de uitgangen, uitgangswegen en uitgangstrappen is 80cm.