Terug

2011_CBS_12210 - Middelheim_Groenenborg - Ontwerp ontwikkelingskader - Goedkeuring

college van burgemeester en schepenen
vr 15/07/2011 - 09:00 Collegezaal, stadhuis
Goedgekeurd

Samenstelling

Aanwezig

Patrick Janssens, burgemeester; Robert Voorhamme, schepen; Ludo Van Campenhout, schepen; Marc Van Peel, schepen; Luc Bungeneers, schepen; Guy Lauwers, schepen; Roel Verhaert, stadssecretaris

Afwezig

Philip Heylen, schepen; Monica De Coninck, schepen; Leen Verbist, schepen

Secretaris

Roel Verhaert, stadssecretaris

Voorzitter

Patrick Janssens, burgemeester
2011_CBS_12210 - Middelheim_Groenenborg - Ontwerp ontwikkelingskader - Goedkeuring 2011_CBS_12210 - Middelheim_Groenenborg - Ontwerp ontwikkelingskader - Goedkeuring

Motivering

Regelgeving: bevoegdheid

Artikel 57 van het Gemeentedecreet bepaalt dat het college van burgemeester en schepenen bevoegd is voor beslissingen die de wet, het decreet of het uitvoeringsbesluit uitdrukkelijk aan het college voorbehoudt.

Aanleiding en context

In 2008 liet het Ziekenhuis Netwerk Antwerpen (ZNA) een masterplan opmaken voor de uitbreiding en herontwikkeling van de ziekenhuissite Middelheim. In 2010 werden al twee stedenbouwkundige attesten bekomen voor onderdelen van de uitbreidingsplannen, namelijk voor het medisch-technisch blok en de uitbreiding van de kinderpsychiatrie. Andere onderdelen waarmee men op korte tijd tot realisatie wil overgaan zijn een farmaceutisch onderzoeksbedrijf, een 30 tot 50 tal serviceflats voor het Zorgbedrijf Antwerpen, een bedrijf voor klinisch onderzoek (ter vervanging van ZNA Stuivenberg) en een nursingshome voor het Zorgbedrijf Antwerpen. Het onderdeel van de nursinghome is afhankelijk van de al dan niet beschikbaarheid van gronden ter hoogte van Jan Palfijn (Merksem).  

De Universiteit Antwerpen (UA) is al sinds 2006 op zoek naar uitbreidings- of herontwikkelingsmogelijkheden voor de campus Groenenborg. In 2010 werd een veracademisering van de masteropleidingen aan de Vlaamse hogescholen vooropgesteld. In Antwerpen betekent dit dat de ingenieursopleidingen van de hogescholen en de universiteit samensmelten vanaf 2013 en een nieuwe locatie moeten krijgen op de campus Groenenborg. Daarnaast is de UA sinds kort ook op zoek naar een locatie om nieuwe studentenhuisvesting te realiseren. Men kijkt hiervoor naar campus Drie Eiken maar ook Groenenborg is een optie.

In 2007 werd een studie uitgevoerd om de werking van de stelplaatsen van de groendienst efficiënter te organiseren. Voor de centrale cluster dienen zes kleine stelplaatsen die over een aantal parken verspreid liggen te worden gecentraliseerd op één locatie. De parkencluster Middelheim heeft hiervoor de voorkeur. De nieuwe stelplaats zou tegen 2013 gerealiseerd moeten worden.

In 2009 werden door het college middelen voorzien voor een groot project rond beeldende kunst in 2012. Dit project behelst een duurzame make-over van het Middelheimmuseum op vlak van aanbod, kwaliteit en openbaarheid. Bedoeling is om in 2012 al enkele zichtbare acties te kunnen realiseren die verwijzen naar een langetermijnontwikkeling van het museum, onder andere de integratie van de Hortiflora bij Middelheim-Laag. Voor de uitbreiding van het aanbod worden enkele kunstenaars geselecteerd.

Op 18 maart 2011 (jaarnummer 2703) keurde het college de startnota goed voor de opmaak van een strategisch ontwikkelingskader. De herontwikkeling van de ziekenhuissite Middelheim, de uitbreiding van de universitaire campus Groenenborg, de inplanting van een nieuwe stelplaats voor de groendienst en het culturele project Middelheim 2012 zijn alle vier binnen eenzelfde gebied gelegen. Dit gebied behoort volgens het Ruimtelijk Structuurplan Antwerpen (s-RSA) tot de strategische ruimte Zachte Ruggengraat. De richtlijnen om met deze strategische ruimte om te gaan worden beschreven in de beelden Ecostad en Waterstad. Om een kwalitatieve ontwikkeling te kunnen garanderen, kunnen de projecten niet als losstaande ingrepen beschouwd worden maar dient een overkoepelende visie opgesteld te worden. Hierbij kunnen de verschillende projectprogramma's onderling en in functie van de ambities van het s-RSA afgetoetst worden.

Conform de startnota, op 18 maart 2011 (jaarnummer 2703) keurde het college de startnota goed, werd in eerste fase het ontwerp-ontwikkelingskader opgemaakt in samenwerking met alle betrokken stedelijke diensten (sport, cultuur, mobiliteit, groenvoorziening, openbaar domein, zorgbedrijf, vergunningen, patrimoniumonderhoud,…). Het ontwikkelingskader werd op de plangroep van 30 juni 2011 klaar bevonden voor verdere goedkeuring door het college.

De vier projecten vormen niet alleen een potentie om de principes van het s-RSA te implementeren, maar ook om de doelstellingen van het Bestuursakkoord te realiseren, namelijk:

  • BA34: voor de groenontwikkeling steunt het stadsbestuur op het s-RSA en de daarin opgenomen principes;
  • BA35: de stad wil de versnipperde open ruimte verbinden tot een ecologische infrastructuur van open ruimten met gebruikswaarde;
  • BA39: Antwerpen wil (in samenwerking met de districten) meer nieuw duurzaam groen in de stad, zowel klein- als grootschalig;
  • BA61 en BA62: het stadsbestuur wil een kwaliteitsvol stedelijk fietsnetwerk tussen de districten aanleggen. De stad wil waar mogelijk ook door parken laten fietsen;
  • BA260: de stad wil meer kunst in de publieke ruimte, in permanente en tijdelijke opstelling, gecoördineerd vanuit het Middelheimmuseum en in samenwerking met het Muhka;
  • BA263: het bestuur wenst met diverse partners een al dan niet weerkerend groot evenement rond beeldende kunst te organiseren;
  • BA279: het stadsbestuur wil niet alleen oog hebben voor het gebouwd patrimonium maar ook voor het ‘levend’ (groen) erfgoed. Markante landschappelijke elementen, zowel solitaire als ensembles, verdienen de best mogelijke bescherming;
  • BA445: elke Antwerpenaar heeft recht op vrijetijdsbeleving. Het bestuur wil alle Antwerpenaars het recht garanderen om deel te nemen aan het maatschappelijke en culturele leven of om aan sportbeoefening te doen;
  • BA446: elke Antwerpenaar heeft recht op ruimte voor ontmoeting. Het stadsbestuur garandeert iedereen in zijn wijk de mogelijkheden om activiteiten te organiseren.

De opmaak van het overkoepelende ontwikkelingskader voor het gebied Middelheim_Groenenborg omvat het vormgeven van het concept van de stedelijke parkstructuur in concrete ruimtelijke richtlijnen en inrichtingsprincipes. Hierbij wordt de draagkracht van de open ruimte in functie van de uit te breiden, te herontwikkelen of in te planten functies onderzocht. Aandachtpunten hierbij zijn enerzijds de draagkracht van de open ruimte (programma versus beschikbare ruimte), de onderlinge relaties tussen de verschillende projectprogramma's (comptabiliteit) en anderzijds de ambitie om een samenhangend stedelijk parklandschap te creëren (doorwaadbaarheid, publiek karakter en kwaliteit).

Het gebied Middelheim_Groenenborg situeert zich op een cruciale locatie in de stedelijke parkstructuur, namelijk op de enige overgebleven open ruimte – verbinding tussen enerzijds de Groene Singel en anderzijds de randstedelijke ecologische en recreatieve open ruimte die de stad binnendringt. Het gebied vormt daardoor niet alleen een belangrijke ecologische stapsteen, maar ook een zachte verbindende schakel en alternatief voor de drukke invalswegen tussen de woonwijken in de districten Wilrijk, Berchem en Antwerpen en de kernstad.

Het verbindende karakter en potentieel van het gebied wordt echter bedreigd door de ongecontroleerde realisatie van allerlei initiatieven die zowel de afgelopen jaren reeds uitgevoerd werden als op korte termijn nog gepland worden zoals de uitbreidingen van het museum, het ziekenhuis en de universiteit. Toch kunnen elk van deze initiatieven ook een waardevolle bijdrage tot het gebied vormen, aangezien ze de parkstructuur opladen met stedelijke activiteiten die een extra aantrekkingskracht genereren. Het ontwikkelingskader voor het gebied Middelheim_Groenenborg vertrekt dan ook vanuit de ambitie om zowel voor de overkoepelende parkstructuur als voor de afzonderlijke projecten te streven naar een winwin-situatie. Het ontwikkelingskader zoekt daarom naar de essentiële karakteristieken van de plek en onderzoekt hoe deze ingezet kunnen worden om de parkcluster te optimaliseren en de verschillende activiteiten op een duurzame manier in te bedden. Door de projecten tegelijkertijd samen ten opzichte van elkaar en de parkcontext af te wegen worden zowel knelpunten als kansen tastbaar gemaakt. Elk op zich dreigen de projecten immers door gelijkaardige of tegenstrijdige programma-eisen in elkaars vaarwater terecht te komen. Uitbreiding van bebouwing of geprivatiseerde ruimte kunnen de doorwaadbaarheid en het publieke karakter van de parkencluster hypothekeren en door de beperkte beschikbare ruimte worden meerdere claims op dezelfde locaties geprojecteerd. Omgekeerd kan een al te monofunctionele benadering van de groene ruimte de werking van de verschillende functies die er in ingebed zijn bemoeilijken en de levendigheid van de parken beperken. Maar door een doordachte structurering worden deze pijnpunten vermeden en worden het park en de functies erin als mekaar versterkende elementen ontwikkeld.

Het ontwikkelingskader stelt daarom een versterking van de groenstructuur voor door het historische ‘parkenkruis’ maximaal in ere te herstellen en door het hedendaagse ‘tunnellandschap’ te ontsnipperen en tot een samenhangend geheel om te vormen. De doorwaadbaarheid en het publieke karakter van de parkencluster wordt versterkt door in de bestaande padenstructuur de missing links te realiseren en waar wenselijk onnodige wegfragmenten te elimineren zodat zowel in oostwest- als noordzuid-richting een helder leesbaar padennetwerk ontstaat. Om het parkgevoel te versterken en de beleving van de functies (onder andere het museum) te optimaliseren dient het gemotoriseerd verkeer zoveel mogelijk naar de randen verbannen te worden. Het aanwezige watersysteem kan verder uitgebreid worden en ingeschakeld als filter zodat de waterelementen in het park terug hun oorspronkelijke esthetische waarde herwinnen. De draagkracht van het park wordt versterkt door de groene ruimte een meer multifunctioneel en publiek karakter te verlenen. Hiertoe dienen afsluitingen herschikt en ingeperkt te worden. Aan de zuidoostelijke zijde van de parkencluster wordt tenslotte de bebouwingswand verder volgens het campusprincipe ontwikkeld, waarbij rekening wordt gehouden met het behoud van doorsteken en zichtassen tussen de woonwijken en het park.   

Argumentatie

De parkencluster Middelheim is historisch gegroeid uit een versmelting van verschillende kasteeldomeinen tot één publiek parkgeheel. De grootste delen van de groenstructuur van de historische domeinen is nog redelijk intact bewaard gebleven. Enkel aan de zijde van de E19-tunnel is een klein deel historisch park verdwenen en maakte het oorspronkelijke landelijke landschap plaats voor nieuwe invullingen met publieke functies (sport, ziekenhuis en universiteit) in een groene context. Zowel het historische parklandschap als het recente campuslandschap op en langs de tunnel zijn vandaag echter erg versnipperd. Enkel op de luchtfoto is een aaneengesloten groenzone waarneembaar maar op het terrein is de realiteit een lappendeken van afgesloten stukken groene ruimten en een wirwar van onderbroken of doodlopende paden en dreven. Hierdoor maakt de parkencluster niet alleen een erg rommelige indruk, ook de beleving en doorwaadbaarheid ervan zijn erg beknot. Dit komt niet alleen de groene ruimte niet ten goede, maar beperkt ook de bereikbaarheid en attractiviteit van de publieke functies die erin en erlangs gelegen zijn. De leesbaarheid van de parkencluster kan sterk verbeterd worden door enkele bestaande landschapselementen op te waarderen. Het landschap op de E19-tunnel vormt aan de zuidelijke zijde van het gebied al een boeiende structuur die vanaf de tunnelmond doorheen de woonwijk en langs de universitaire campus loopt. Ter hoogte van Middelheim-Laag botst dit landschap echter abrupt op de draden van het museum en de sportcluster Astrid. Om de parkencluster in noordzuid-richting duidelijker te structureren is het wenselijk het tunnellandschap te laten doorlopen tot de andere tunnelmond ter hoogte van de Floraliënlaan, waar het verder aansluiting zoekt bij het bermenlandschap van de Groene Singel (BA34 en BA35). In oostwest-richting kan de leesbaarheid van de parkencluster verbeterd worden door de beide dreven te versterken en de Middelheimlaan (zuidelijke dreef) hetzelfde statuut te geven als de noordelijke dreef. Binnen in het historische parkendeel is het wenselijk de zichtas langsheen het Middelheimkasteel te versterken om de visuele eenheid tussen Middelheim-Hoog en Middelheim-Laag te bevorderen (BA279).

Deze landschappelijke ingrepen kunnen ondersteund worden door enkele verbeteringen van het padennetwerk. Momenteel is er in de parkencluster al een heel systeem van paden aanwezig, maar enkele cruciale verbindingen ontbreken en sommige wegen worden teveel door autoverkeer (en parkeren) belast om nog een aangename trage verbinding te vormen. Doorheen het tunnellandschap dienen enkele ontbrekende linken gerealiseerd te worden om doorheen het volledige groengebied een zacht traject vanuit het district Wilrijk tot aan de stadskern (Ringfietspad) te creëren. Deze vlotte noordzuid-verbinding is permanent toegankelijk en biedt een aangename alternatieve verbinding vanuit de stadsrand naar het stadscentrum (BA61 en BA62). Ook in het historische parkenlandschap dienen enkele kleine linken tussen paden gerealiseerd te worden om de verschillende domeinen op een vlotte manier met elkaar te verbinden. Door een herschikking van toegangen en oversteken kan de relatie tussen Middelheim-Hoog, Middelheim-Laag en Hortiflora versterkt worden en kunnen ook aangename aansluitingen op de delen Den Brandt en Nachtegalenpark voorzien worden. Dit komt de beleving van het museum, als onderdeel van de parkencluster, ten goede omdat beide als het ware versmelten en het museum naadloos overvloeit in het park en omgekeerd.

De beleving van de parkencluster wordt vandaag erg beïnvloed door de aanwezigheid van auto’s tot diep in de groene ruimte. De Middelheimlaan is nu een volwaardige straat die heel wat geparkeerde auto’s en zoekverkeer te verwerken heeft. Hierdoor gaat het historische dreefkarakter grotendeels verloren (onder andere de bomen worden beschadigd door parkerende auto’s) en begint de laan als een barrière tussen de park- en museumdelen te werken. Ook de noordelijke dreef langsheen de sportclusters Astrid en Halve Maan kent een parkeerdruk, maar door haar doodlopende karakter is hier minder sprake van verkeer. Doorheen het tunnellandschap loopt momenteel de ontsluiting van het ziekenhuis, zowel van de parkings als met het openbaar vervoer (vrije busbaan). Ter hoogte van de universiteitscampus is tenslotte het parkeren verspreid over enkele kleinere parking die soms de groene ruimte binnendringen. Om het potentieel van de parkencluster te optimaliseren wordt het autoverkeer consequent uit de groene ruimte geweerd. Het parkeren bij de sportclusters kan opgevangen worden door een nieuwe parking aan de rand van de Floraliënlaan. De bovengrondse parkings van het ziekenhuis maken plaats voor nieuw parklandschap (BA39) en worden vervangen door ondergrondse parkings onder de geplande uitbreidingen van het ziekenhuis langsheen de Floraliënlaan. Ook het vele wildparkeren langs de Middelheimlaan zal hier grotendeels door opgelost worden. Aan de universitaire campus worden enkele kleine parkings eveneens geëlimineerd en ook hier vervangen door een ondergrondse parking onder de uitbreiding van de campus. Samen met de te behouden parking langs de Beukenlaan worden alle nieuwe parkings aan de rand gesitueerd ter hoogte van duidelijke toegangen tot het park en de erin ingebedde functies. De herorganisatie van het parkeren van het ziekenhuis hangt samen met een volledige heroriëntering waarbij het ziekenhuis zich in de toekomst met een voorzijde (toegangen) naar de Floraliënlaan richt. Hierdoor wordt het dan ook meer logisch om de bustrajecten eveneens naar deze zijde te verplaatsen. De huidige busbaan kan dan een volwaardig onderdeel van het trage netwerk doorheen de parkencluster worden.

In het gebied is er op dit ogenblik een gesloten watersysteem aanwezig, waarbij het water op het tunneldak weggepompt wordt naar de grachten rond het Middelheimkasteel om dan gravitair richting Nachtegalenpark te stromen en ter hoogte van de noordelijke tunnelmond opnieuw opgepompt te worden. Door de aanwezigheid van metalen verkleurt het opgepompte water echter erg, waardoor de grachten rond het Middelheimkasteel permanent een sombere bruine kleur hebben. Een ander probleem zijn de vijvers in Den Brandt, die grotendeels droog zijn komen te staan. Door in het nieuw te creëren tunnellandschap natuurlijke zuiveringselementen in te passen kan een oplossing gezocht worden om de waterkleur aan Middelheimkasteel te verbeteren. De bevloeiing van de vijvers van park Den Brandt kan enkel op een kunstmatige manier, via een extra pompsysteem aansluitend op het bestaande circuit, tot stand komen. Op die manier kan voor de ganse parkencluster een gesloten continu watersysteem gerealiseerd worden.

Een belangrijk onderdeel bij de optimalisering van de parkencluster Middelheim is het omgaan met de afsluitingen. Een groot aandeel van deze afsluiting hangt samen met de verschillende gebruiken die in het gebied aanwezig zijn. In de huidige situatie is circa 55% van de parkencluster permanent publiek toegankelijk. Wanneer Hortiflora bij het museum gevoegd wordt daalt dit cijfer tot 51%. Door de locaties van de verschillende afgesloten functies binnen het gebied wordt dit cijfer echter nog sterk gerelativeerd: in noordzuid-richting is het park nu nooit permanent doorsteekbaar en in oostwest-richting wordt het permanent publiek toegankelijke deel opgedeeld door onder andere de Beukenlaan en de tunnelmond. Hierdoor is het werkelijk aaneengesloten permanent publieke park eigenlijk nog beperkter en omvat minder dan de helft van het volledige gebied. Aangezien deze parken op bovenlokaal niveau voor de stad functioneren en een belangrijke betekenis voor het welzijn van de inwoners hebben, is een verdere inperking van het groen niet wenselijk. De doelstelling is dan ook meer publieke groene ruimte te creëren en niet minder (BA39, BA445 en BA446). Anderzijds kan het belang van de aanwezige functies zoals het ziekenhuis, de universiteit en het museum evenmin verloochend worden. De voorzieningen vervullen immers niet alleen een stedelijke rol, hun uitstraling en werking reikt veel verder, soms zelf tot internationaal niveau. Om de uitbreiding en/of werking ervan te kunnen blijven garanderen (BA 260) kan echter de huidige monofunctionele benadering van de beschikbare ruimte niet langer gehandhaafd worden. Voor de toekomstige ontwikkeling van het gebied wordt daarom een multifunctionele aanpak voorgesteld, waarbij sommige delen van het park zowel een permanent publiek karakter krijgen als een rol blijven vervullen in het functioneren van de voorzieningen. Daarom worden zowel langs de Beukenlaan als ter hoogte van het tunnellandschap delen groene ruimte uit de afsluitingen genomen en worden doorheen de ziekenhuis- en universiteitscampussen doorsteken voorzien. Het tunnellandschap krijgt daardoor een dubbele betekenis: het wordt een stuk permanent publiek park en fungeert tegelijkertijd als onderdeel van het museum. Dit heeft als voordeel dat naar de toekomst toe de groeimarge van het museum niet beperkt blijft tot de Hortiflora (die in functie van kwetsbare kunstwerken wel afgesloten kan worden), maar ook de volledige tunnelruimte kan omvatten (onder andere voor meer monumentale werken en paviljoenen). Ook het aandeel permanent publiek toegankelijk park zal met deze ingreep toenemen tot 67%. Naast het museum wordt immers eveneens een herschikking van de beide sportclusters beoogd en is het de ambitie om de private parkdelen langs beide zijden van de noordelijke tunnelmond aan het publieke patrimonium toe te voegen. Activiteiten in deze private delen zoals de scoutsvereniging kunnen door een optimaler ruimtegebruik mee geïntegreerd worden in de sportclusters. De huidige overvloed aan afsluitingen kan dan beperkt worden tot een viertal afgesloten kamers in de parkencluster: Middelheim-Hoog (met nog te onderzoeken schuifmarges voor de afsluitingen aan zowel de zijde van de Beukenlaan als aan het tunnellandschap), Middelheim-Laag samen met Hortiflora, sportcluster Astrid en tenslotte sportcluster Halve Maan. Deze kamers trekken zich los van de randen van het park, waardoor vanuit de omgeving de groene ruimte op een aangenamere manier beleefbaar wordt. Tussen de kamers door blijven paden of dreven toegankelijk waardoor zowel in noordzuid- als oostwest-richting een permanente publieke doorwaadbaarheid ontstaat. Het museum omvat dan twee ruime kamers die door de afgebouwde Middelheimlaan verbonden worden.

Tenslotte wordt de bebouwingsrand verder afgewerkt met de uitbreidingen van het ziekenhuis en de universiteitscampus en wordt de stelplaats ter hoogte van de Groenenborgerlaan ingeplant. De uitbreidingen van de campussen dient rekening te houden met de tastbaarheid van de groene ruimten vanuit de randen en wordt zodanig ingepland dat ze de doorsteken markeren en begeleiden. De in het ‘Paso Doble’-plan voorziene uitbreidingszones bij het ziekenhuis worden qua bebouwingsregels verder bijgestuurd zodat hanteerbare en structurerende bebouwingsstempels ontstaan. De huidige in het ‘Paso Doble’-plan opgenomen tendens van ruimteverslindende paviljoen-structuren wordt omgebogen naar een doelgerichte verdichting met efficiënt ruimtegebruik. De beide geplande onderzoekseenheden worden gebundeld langsheen een nieuw plein ter hoogte van de Floraliënlaan en creëren een duidelijk leesbare gevelwand aan dit plein. In functie van de geplande serviceflats dient verdere studie drie mogelijke opties te onderzoeken. Ofwel worden de serviceflats langs de Floraliënlaan gerealiseerd maar kan dit slechts wanneer het tijdelijke modulaire gebouw voor de kinderpsychiatrie, dat eveneens hier wordt voorzien, verdwijnt (pas na 2015). Ofwel worden de serviceflats langsheen de Groenenborgerlaan gebouwd, waardoor ze onafhankelijk worden van de werken aan de kinderpsychiatrie. Een laatste optie is het tijdelijke modulaire gebouw van de kinderpsychiatrie meer centraal in de campus in te passen, waardoor het de bouwlocatie aan de Floraliënlaan niet hypothekeert. Voor de nursinghome dient verder onderzocht te worden of deze compatibel is met de serviceflats. De voorkeur gaat er in elk geval uit om deze functie ter hoogte van Jan Palfijn (Merksem) te realiseren, waar nog wel ruimtelijke marge voor bijkomende paviljoenstructuren aanwezig is. Indien een locatie buiten het plangebied Middelheim niet mogelijk is, wordt gestreefd naar een efficiënte inpassing, die de ambities voor het ganse gebied niet hypothekeert. De universiteitscampus vindt uitbreiding op de huidige campusgronden wat betreft de onderwijsinfrastructuur en heeft de mogelijkheid studentenhuisvesting te voorzien aansluitend bij de woonblokken langsheen de Groenenborgerlaan.

Grote lijnen ontwikkelingskader en verdere verfijning:

Het voorliggend ontwikkelingskader geeft de grote lijnen voor de verdere ontwikkeling van de parkencluster Middelheim weer. Een verdere verfijning van dit kader in concrete ontwerpopgaven en een actieprogramma is echter nog nodig voor volgende strategische plekken:

  • het tunnellandschap;
  • de Middelheimlaan;
  • de ziekenhuiscampus;
  • de universitaire campus;
  • de beiden sportclusters;
  • de nieuwe parking aan de Floraliënlaan;
  • het padennetwerk;
  • het watersysteem.

Besluit

Het college van burgemeester en schepenen beslist:

Artikel 1

Het college keurt het ontwerp ontwikkelingskader voor Middelheim_Groenenborg goed.

Artikel 2

Dit besluit heeft in principe voor de stad geen financiƫle gevolgen.

Artikel 3

Het college geeft opdracht aan:

 Dienst

 Taak

 SW/RB/RP

  • Het ontwerp ontwikkelingskader voor advies voor te leggen aan de Gecoro en de districtsbesturen van Antwerpen, Wilrijk en Berchem.
  • Het ontwerp ontwikkelingskader, in samenspraak met de verschillende stedelijke en externe partners, verder te verfijnen in ontwerpopgave en een actieprogramma voor de aangegeven strategische plekken.

Bijlagen

  • 07072011CBSMIDDELHEIM_72DPI.pdf