Het college is bevoegd in het kader van de opmaak van het vergunningenregister en de actieve onderzoeksplicht (artikel 5.1.3 §§1 en 2, en artikel 7.6.2. §1, 5de en 6de lid van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening).
Op datum van 12 november 2013 vraagt Jak nv, Guyotdreef 95, 2930 Brasschaat om zijn appartementsgebouw, gelegen Bredabaan 354-356, district Merksem, op te nemen in het vergunningenregister wegens vermoeden van vergunning. Hij voegt hiertoe volgende bewijsstukken toe:
1. Bestaande juridische toestand
Het pand, Bredabaan 354-356, Merksem, is thans kadastraal gelegen 40ste afdeling, sectie C, nummer 326/K en 40ste afdeling, sectie C, nummer 326/L en heeft als aard appartementsgebouw. Volgens de kadastrale gegevens zouden de percelen 11 woongelegenheden bevatten en bebouwd zijn in de periode 1919-1930.
In het archief van de stad Antwerpen zijn verschillende bouwdossiers terug te vinden:
Het goed is gelegen binnen de omschrijving van het gewestplan.
Het goed is volgens het laatstgenoemde plan gelegen in een woongebied.
2.Bestaande feitelijke toestand
Het gebouw staat op de hoek van de straten Bredabaan en Houthulststraat en het telt 4 bouwlagen. Plannen van de huidige toestand van het gebouw werden niet aangeleverd.
3.Overtredingen
Op 15 oktober 2012 werd door de stad Antwerpen een overtreding vastgesteld. Volgende punten werden onder andere aangehaald:
Het voorwerp
Uit het bewijsmateriaal blijkt dat het gebouw werd opgetrokken voor 1962. De raadsheer stelt in zijn schrijven dat de “appartementisering” plaatsvond in de jaren 1980. De toegevoegde stukken ter staving dateren van eind jaren 1980 en later, tot 18 augustus 2009 waar het eerste echte bewijs van opdeling in 11 appartementen opduikt.
De bewijsvoering
Uit de gegevens van het kadaster blijkt dat het gebouw werd opgetrokken voor 1962. De bewijsstukken voor de opdeling van het gebouw dateren allemaal van na 9 november 1979. De aangeleverde stukken bewijzen onvoldoende dat de huidige toestand dateert van voor het van kracht zijnde gewestplan (9 november 1979). De latere handelingen aan de geacht vergunde constructie voldoen niet aan de voorwaarden van artikel 4.2.14, §§ 1 en 2 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, bijgevolg vallen deze handelingen niet onder het vermoeden van vergunning van de constructie.
Conclusie
Aan het college wordt voorgesteld om, gelet op de aangehaalde argumenten, het gebouw (authentieke constructie) op te nemen in het vergunningenregister wegens onweerlegbaar vermoeden van vergunning en de opdeling van het gebouw niet op te nemen in het vergunningenregister als geacht vergund.
Iedere constructie waarvan bewezen is dat ze gebouwd werd voor 22 april 1962 ofwel tussen deze en voor de eerste invoering van het gewestplan (3 oktober 1979, van kracht 9 november 1979), dient te worden opgenomen in het vergunningenregister met een vermoeden van vergunning in toepassing van artikel 5.1.3. §1. van de Vlaamse Codex Ruimtelijke ordening.
Het college beslist om de opname van het gebouw Bredabaan 354-356, Merksem in het vergunningenregister wegens vermoeden van vergunning, goed te keuren als opgericht vóór 22 april 1962.
Het college geeft opdracht aan:
| Dienst | Taak |
| SW/V/SV | Een duplicaat van de beslissing te bezorgen aan het kadaster voor aanpassing van de kadastrale gegevens. |