Artikel 57 § 3, 1° van het Gemeentedecreet van 15 juli 2005 stelt dat het college bevoegd is voor de daden van beheer over de gemeentelijke inrichtingen en eigendommen, binnen de door de gemeenteraad desgevallend vastgestelde algemene regels.
Het college keurde op 12 december 2014 (jaarnummer 12617) de wijze van gunning en de voorwaarden van overheidsopdracht GAC/2014/2776 goed. Op deze overheidsopdracht voor werken is de erkenningswet van toepassing, zoals trouwens gesteld wordt in zowel de selectieleidraad als de administratieve bepalingen van het bestek.
De opdracht is opgedeeld in de volgende percelen:
De gespecialiseerde restauratiewerken van perceel 2 werden in ondercategorie D23 (restauratie door ambachtslieden) ondergebracht. De kandidaten dienen voor het betreffend perceel normalerwijze te beschikken over een erkenning in ondercategorie D23, klasse 4 of hoger. Daarenboven moeten de kandidaten (meerbepaald de personen van het projectteam) voldoen aan de vastgestelde opleidingsvereisten van de E.C.C.O. Professional Guidelines, aangevuld met zes jaar bijhorende beroepservaring in de specialisatie ‘steenachtige materialen en steensculptuur’. Dit is essentieel voor een kwaliteitsvolle uitvoering van de opdracht.
Er bestaat echter onvoldoende concurrentie van aannemers/restaurateurs die over de vereiste erkenning én de gevraagde specialisatie beschikken om de opdracht uit te voeren. Een afwijking inzake de vereiste verkenning (D23, klasse 4 of hoger) kan in het kader van deze opdracht dan ook best aangevraagd worden.
Met een gemotiveerd schrijven van 19 augustus 2015 verzocht de stad Antwerpen aan de erkenningscommissie om voor perceel 2 van opdracht GAC/2014/2776 te adviseren in deze afwijkingsaanvraag. Bij bericht van 17 september 2015 adviseerde de commissie gunstig voor een klasseverlaging, waardoor de erkenning mogelijk in ondercategorie D23, klasse 1 kan vastgesteld worden.
Op grond van artikel 21 van de wet van 20 maart 1991 houdende regeling van de erkenning van aannemers van werken en het gunstig advies van de erkenningscommissie, richt de stad Antwerpen een collegiale brief aan Vlaams Minister van Onroerend Erfgoed, Geert Bourgeois, met het verzoek om een afwijking inzake erkenning toe staan.
Artikel 21 van de wet van 20 maart 1991 van de wet houdende regeling van de erkenning van aannemers van werken bepaalt onder meer dat de federale Ministers of de Gemeenschaps- en Gewestregeringen, na advies van de Commissie en bij een met redenen omkleed besluit, een afwijking inzake erkenning kunnen toestaan voor de werken die in opdracht van een publiekrechtelijk of privaatrechtelijk persoon worden uitgevoerd en die voor ten minste 25 percent worden gesubsidieerd of in gelijk welke vorm rechtstreeks worden gefinancierd.
Artikel 17 van het koninklijk besluit van 26 september 1991 tot vaststelling van bepaalde toepassingsmaatregelen van de wet van 20 maart 1991 houdende regeling van de erkenning van aannemers van werken bepaalt de gevallen waarbij een afwijking inzake erkenning kan worden toegestaan.
Het college keurt de collegiale brief gericht aan Vlaams Minister van Onroerend Erfgoed goed.