Uit de voorliggend besluiten over de overdracht van een stuk van de R11 en de Herentalsebaan (jaarnummers 2016_GR_00252 en 2016_GR_00253) kan worden opgemaakt dat het stadsbestuur na de overdracht van deze gewestwegen aan de stad en uiteindelijk de districten Hoboken en Deurne, in de nodige middelen heeft voorzien voor het onderhoud en de herinrichting van de overgedragen wegen.
Er is dus geld voor het onderhoud of de herinrichting van de overgedragen straten. Maar zodra deze en nog volgende overdrachten van wegen van Vlaanderen naar de stad zijn gebeurd, vallen die straten onder de verantwoordelijkheid van de districten, die vanaf dan instaan voor het permanente onderhoud van het openbaar domein. Elke overdracht van wegen van Vlaanderen naar Antwerpen zorgt dus voor extra druk op het budget van die districten. Het is dan ook aangewezen dat het stadsbestuur aan de districten waaraan wegen worden overgedragen, extra middelen doteert zodat die districten kunnen instaan voor kwaliteitsvol onderhoud van het extra publiek domein.
Graag had ik van de schepen antwoord gekregen op de volgende vraag:
-Hoe wordt de financiering van recurrent beheer geregeld? Na eenmalige startinvestering kunnen al snel nieuwe kosten ontstaan. Zijn daar de nodige middelen voor voorzien of moeten districten deze uit eigen begroting putten?
Raadslid Verbist houdt haar interpellatie met motie (2016_MOT_00017).
Schepen Kennis geeft antwoord op de vragen.
Raadslid Verbist houdt nog een wederwoord.
Het volledige debat is opgenomen en raadpleegbaar via de website van de stad Antwerpen.