De raad van bestuur is bevoegd voor de rechtspositieregeling van personeel Stedelijk Onderwijs, meer bepaald:
De procedure wordt besproken op het vakbondsoverleg van 21 juni.
Het bureau voor integriteit van Stad Antwerpen heeft een onderzoek gevoerd naar het invoeren van een meldingsprocedure voor Stad Antwerpen. Dit leidde tot een meldingsprocedure integriteitsschendingen, die werd goedgekeurd door de gemeenteraad op 25 oktober 2010.
Het Charter van de Groep Stad Antwerpen bepaalt dat de A-waarden van toepassing zijn op de hele groep en dat alle entiteiten de adviezen en werkwijze van het bureau voor integriteit volgen. Het bureau voor integriteit is bevoegd om kennis te nemen van klachten over het AG SO en deze te behandelen.
Op basis van de huidige het huidige reglement, is de procedure voor meldingen van toepassing op alle personeelsleden van het AG SO. Er kan echter discussie ontstaan over het beschermingsstatuut bij bepaalde meldingen van personeelsleden.
Het is belangrijk dat de beschermingsprocedure ook van toepassing is op de personeelsleden van het AG SO zodat personeelsleden die vermoedens hebben van misstanden gepleegd bij het Stedelijk Onderwijs, deze op een veilige manier kunnen melden. Op die manier kan de melder, indien nodig, worden beschermd en komt het imago van het Stedelijk Onderwijs niet onnodig in het gedrang.
1 Niet-gesubsidieerd personeel
De meldingsprocedure integriteitsschendingen van Groep Stad Antwerpen, zoals ingeschreven in de rechtspositieregeling van het personeel van Stad Antwerpen, is integraal van toepassing op het niet-gesubsidieerd personeel van het Stedelijk Onderwijs. De huidige beschermingsmaatregelen die daarin zijn ingeschreven, zijn op dit moment echter enkel van toepassing op personeel van Stad Antwerpen, niet op de niet-gesubsidieerde personeelsleden van Stedelijk Onderwijs. De stad Antwerpen heeft laten weten dat de (geplande) uitbreiding van deze beschermingsmaatregelen wordt uitgesteld. Om die reden is het noodzakelijk dat de raad van bestuur van het autonoom gemeentebedrijf de beschermingsmaatregelen ook expliciet van toepassing maakt.
2 Gesubsidieerd personeel
Opdat de meldingsprocedure integriteitsschendingen van de Groep Stad Antwerpen en de daarbij horende beschermingsmaatregelen van toepassing zouden zijn voor het gesubsidieerd personeel, wordt ze onderhandeld met de representatieve vakorganisaties.
3 Vertrouwenspersoon
De vertrouwenspersonen integriteit waarvan sprake, zijn de vertrouwenspersonen welzijn op het werk. Hiervoor moeten geen nieuwe personeelsleden aangeduid worden.
4 Procedure
Omdat de procedure en de beschermingsmaatregelen van toepassing zijn op het niet-gesubsidieerd en het gesubsidieerd personeel, moet hierover vooraf worden onderhandeld met de representatieve vakorganisaties. Na goedkeuring door de raad van bestuur zal de procedure worden bekendgemaakt aan alle personeelsleden van het AG SO en permanent raadpleegbaar zijn via het HR-kanaal op intranet.
Het bureau voor integriteit geeft positief advies op het reglement en gaat dus ook akkoord met de rol die erin toebedeeld is aan het bureau voor integriteit. (vergadering bureau voor integriteit donderdag 14/04/2016).
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Artikel 1 doel
De meldingsprocedure integriteitschendingen heeft tot doel ervoor te zorgen dat iemand die
vermoedens van misstanden gepleegd bij Stedelijk Onderwijs wil melden, dat op een veilige manier kunnen doen zodat:
- de melder eventueel beschermd kan worden (zie hoofdstuk 3)
- het imago van het Stedelijk Onderwijs niet onnodig in het
gedrang komt.
Artikel 2 definities
Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder:
Artikel 3 toepassingsgebied
Alle personeelsleden van het Stedelijk Onderwijs, burgers en mandatarissen kunnen
volgens deze regeling een melding doen van een vermoeden van misstand.
Artikel 4 identiteit van de melder en vertrouwelijkheid van het onderzoek
Elke melding van een vermoeden van misstand wordt vertrouwelijk behandeld tenzij de melder uitdrukkelijk en ondubbelzinnig toelating geeft om zijn/haar naam bekend te maken. Indien een (strikt) vertrouwelijke behandeling van de identiteit van de melder omwille van de context niet mogelijk is, wordt de melder hiervan vooraf uitdrukkelijk op de hoogte gesteld.
Het Bureau kan niet verplicht worden de identiteit van de melder(s) bekend te maken, ook al is de beschermingstermijn verstreken of werd een melding onontvankelijk bevonden, tenzij de wetgeving op openbaarheid van bestuur een bekendmaking van identiteitsgegevens oplegt.
Hoofdstuk 2 Procedure voor meldingen
Artikel 5 informele behandeling
Een melder kan te allen tijde zijn/haar vermoeden van misstand vertrouwelijk bespreken met de leidinggevende, een vertrouwenspersoon integriteit of het Bureau. Indien nodig kunnen zij de melder begeleiden bij het formele melden of bemiddelend optreden.
Artikel 6 formele melding
Een melder kan te allen tijde een vermoeden van misstand formeel melden aan het Bureau. Een formele melding wordt schriftelijk gedaan. Het Bureau kan zelf op elk ogenblik beslissen om een verdere procedure op te starten voor een melding die niet formeel werd gedaan.
Artikel 7 ontvankelijkheid van de formele melding
Een melding is ontvankelijk wanneer ze aan de volgende cumulatieve voorwaarden voldoet:
- de formele melding werd schriftelijk ingediend
- de melding is niet kennelijk ongegrond. Volgende criteria worden daarvoor gehanteerd:
- er worden ofwel directe bewijzen van de misstand aangeleverd ofwel , indien geen directe bewijzen aangeleverd zijn, volgt de melding uit een op redelijke gronden gebaseerd vermoeden van misstand.
- de melding wordt door het Bureau als voldoende zwaarwichtig beschouwd
Artikel 8 termijn voor beoordeling Bureau
Het Bureau brengt de formele melder schriftelijk en binnen 30 werkdagen vanaf de datum van ontvangst door het Bureau van de formele melding, op de hoogte van haar oordeel over de ontvankelijkheid van de formele melding. De niet-ontvankelijkheid wordt gemotiveerd.
Uitzonderlijk en gemotiveerd kan de termijn van 30 werkdagen verlengd worden.
Artikel 9 onderzoek
§1 Het Bureau bezorgt het dossier van de formele melding die het ontvankelijk acht en na
instemming van de formele melder, aan de instantie die zij bevoegd acht met de vraag om een onderzoek te starten, vb. de interne audit van het Stedelijk Onderwijs.
§2 Indien de melder uitdrukkelijk vraagt om het onderzoek stop te zetten of geen verdere
medewerking meer te verlenen, kan het Bureau beslissen om de melding toch verder te
onderzoeken indien:
- er voldoende informatie aanwezig is om het onderzoek op een nuttige wijze verder te zetten zonder medewerking van de melder en
- het dossier ernstig genoeg is gezien de belangen van het Stedelijk Onderwijs en
- de vertrouwelijkheid van het onderzoek gegarandeerd kan blijven bij het verdere verloop
Artikel 10 termijn voor onderzoek
Het Bureau bepaalt in overleg met de instantie die het onderzoek voert een redelijke termijn
waarbinnen het resultaat van het onderzoek moet worden bezorgd aan het Bureau . Het Bureau kan deze termijn verlengen. Het Bureau bepaalt welke bijkomende stappen in het onderzoek hierna nog nodig zijn. De formele melder wordt regelmatig door het Bureau op de hoogte gehouden van de stand van zaken in het onderzoek.
Artikel 11 opvolging van het onderzoek
Het Bureau brengt de formele melder binnen 30 werkdagen nadat ze er kennis van heeft op de hoogte van het resultaat van het onderzoek. Het Bureau kan deze termijn gemotiveerd verlengen.
Artikel 12 afhandeling van het onderzoek
Op basis van de resultaten van het onderzoek, oordeelt het Bureau of de melding gegrond was of niet en brengt de formele melder daarvan op de hoogte. Bij een gegronde melding geeft het Bureau advies over de te nemen acties aan de instantie die zij bevoegd acht. Bij een ongegronde melding sluit het bureau het onderzoek af.
Hoofdstuk 3 Bescherming van de formele melder
Artikel 13 bescherming van de formele melder
Een formele melder die in dienst is van het Stedelijk Onderwijs, kan vragen om bescherming te genieten. Het Bureau beslist over de toekenning van de bescherming en brengt de melder op de hoogte van haar gemotiveerde beslissing. Deze bescherming kan in elke fase van de procedure gevraagd en toegekend worden, al dan niet met terugwerkende kracht tot op de datum van ontvangst door het Bureau van de melding. De bescherming loopt door, ook al is het onderzoek uitgesteld of geschorst om de redenen vermeld in artikel 18.
Artikel 14 duur van de beschermingsperiode
De bescherming neemt aanvang vanaf de datum van ontvangst door het Bureau van de schriftelijke melding of vanaf de datum die het Bureau uitdrukkelijk bepaalt en loopt tot 2 jaar nadat het onderzoek is afgesloten. De datum van de schriftelijke melding van het resultaat van het onderzoek door het Bureau, zoals bepaald door artikel 11, geldt als datum van afsluiting van het onderzoek. Na afloop van de beschermingsperiode kan het Bureau gemotiveerd beslissen om de bescherming te verlengen met telkens een periode van een jaar.
Artikel 15 inroepen van de bescherming
§1 De beschermde formele melder moet zelf aan het Bureau aangeven wanneer hij/zij vermoedt dat er een beroep zal moeten worden gedaan op de bescherming.
§2 In afwijking van artikel 4 wordt in dat geval de identiteit van de formele melder bekend
gemaakt aan de bevoegde instantie. Dit gebeurt enkel op het moment dat dit strikt noodzakelijk is. De aanstellende overheid wordt steeds op de hoogte gebracht van de identiteit van de beschermde formele melder, tenzij deze betrokken partij is.
Artikel 16 inhoud van de bescherming
§1 De bescherming houdt in dat gedurende de beschermingsperiode ten aanzien van de formele melder geen nadelige maatregel kan worden genomen waarvan de redenen rechtstreeks of onrechtstreeks verband houden met de melding waarvoor bescherming werd verleend.
§2 Indien tegen de formele melder tijdens de beschermingsperiode een nadelige maatregel wordt genomen of de formele melder vermoedt dat dit zal gebeuren, moet de bevoegde instantie die de nadelige maatregel heeft genomen of zal nemen gemotiveerd bewijzen aan het Bureau dat deze geen verband houdt met de melding.
Artikel 17 beoordeling van bewijs bij bescherming
§1 Het Bureau beoordeelt of er enig verband is tussen de nadelige maatregel en de melding
eventueel na onderzoek door de beroepscommissie bedoeld in punt 4 of de toezichthoudende overheid bedoeld in punt 5.
§2 Indien het bewijs dat er geen verband is niet kan worden voorgelegd, richt het Bureau aan de bevoegde instantie de vraag om de maatregel in te trekken en als onbestaande te beschouwen.
§3 Indien dit bewijs wordt voorgelegd maar het Bureau het niet als afdoende beschouwt, richt het Bureau aan de bevoegde instantie de vraag om de maatregel in te trekken en als onbestaande te beschouwen.
§4 Ingeval er als nadelige maatregel een negatieve waardering werd uitgebracht en de formele melder heeft intern beroep tegen de negatieve waardering ingesteld, richt het Bureau de vraag aan de beroepscommissie die het beroep behandelt om dit bewijs te onderzoeken
.
§5 Ingeval de nadelige maatregel een tuchtonderzoek inhoudt, doet het Bureau aan de
tuchtoverheid de aanbeveling om dit tuchtonderzoek te schorsen totdat het bewijs onderzocht werd.
Artikel 18 uitstel of schorsing van het onderzoek
§1 Het Bureau vraagt aan de formele melder of hij/zij intern of georganiseerd bestuurlijk beroep heeft ingesteld of zal instellen tegen de nadelige maatregel, in de gevallen waarvoor beroep is voorzien in de rechtspositieregeling. In voorkomend geval wordt het onderzoek opgeschort tot de uitkomst van de beroepsprocedure gekend is.
§2 Het Bureau vraagt aan de formele melder of hij/zij een gerechtelijke procedure heeft ingesteld of zal instellen tegen de genomen nadelige maatregel. Het onderzoek wordt gestart of verder gezet nadat de formele melder de uitspraak van de gerechtelijke procedure heeft meegedeeld aan het Bureau.
Hoofdstuk 4 Sancties en inwerkingtreding
Artikel 19 misbruik
Wanneer een personeelslid een melding doet of heeft gedaan die ter kwader trouw én niet
waarheidsgetrouw was, kan het bureau:
en/of
Artikel 20 inwerkingtreding
Deze titel treedt in werking 1 juli 2016 en is van toepassing op meldingen die vanaf deze datum worden ingediend. Indien het Bureau dit expliciet beslist, kan de bescherming zoals beschreven in artikelen 6 en volgende toegekend worden aan personeelsleden die vroeger meldingen hebben gedaan.
Het directiecomité van het Autonoom Gemeentebedrijf Stedelijk Onderwijs geeft opdracht om de procedure te bespreken met de vakorganisaties.
Uitvoering beslissing:
| Taak | Verantwoordelijke | Timing |
| Communicatie procedure | Beleidsondersteuning + HR | na goedkeuring raad van bestuur AG SO |
Communicatiemiddel:
| Beleidsbuzz | JA |
| Ander communicatiemiddel: SONAR | dubbele rol vertrouwenspersoon AG SO + rol bureau voor integriteit |
| Intranet | HR-kanaal |