Terug

2016_CBS_04752 - Milieuvergunningen Vlarem klasse 2 - BT Europe AB nv, Geleegweg 1, 2610 Wilrijk-Antwerpen. Dossiernummer MV2016/089/AV - Goedkeuring

college van burgemeester en schepenen
vr 03/06/2016 - 09:00 collegezaal, stadhuis
Goedgekeurd

Samenstelling

Aanwezig

Bart De Wever, burgemeester; Koen Kennis, schepen; Philip Heylen, schepen; Ludo Van Campenhout, schepen; Claude Marinower, schepen; Rob Van de Velde, schepen; Nabilla Ait Daoud, schepen; Fons Duchateau, schepen; Roel Verhaert, stadssecretaris

Afwezig

Marc Van Peel, schepen; Serge Muyters, korpschef

Secretaris

Roel Verhaert, stadssecretaris

Voorzitter

Bart De Wever, burgemeester
2016_CBS_04752 - Milieuvergunningen Vlarem klasse 2 - BT Europe AB nv, Geleegweg 1, 2610 Wilrijk-Antwerpen. Dossiernummer MV2016/089/AV - Goedkeuring 2016_CBS_04752 - Milieuvergunningen Vlarem klasse 2 - BT Europe AB nv, Geleegweg 1, 2610 Wilrijk-Antwerpen. Dossiernummer MV2016/089/AV - Goedkeuring

Motivering

Regelgeving: bevoegdheid

Artikel 36,4° van Vlarem I bepaalt dat het college een uitspraak dient te doen over een milieuvergunningsaanvraag klasse 2.

Aanleiding en context

Aanvrager: BT Europe AB nv - Terbekehofdreef 19 - 2610 Wilrijk-Antwerpen. De aanvraag omvat de exploitatie van een overslagbedrijf voor vorkheftrucks.

Argumentatie

Het college beslist op basis van het verslag van de dienst milieuvergunningen, dat als bijlage bij dit besluit is gevoegd en sluit zich aan bij deze motivatie.

Juridische grond

Het milieuvergunningendecreet van 28 juni 1985, meermaals gewijzigd, en haar uitvoeringsbesluiten (Vlarem I en II) bepalen dat niemand zonder vergunning of melding een hinderlijk inrichting mag exploiteren.

Besluit

Het college van burgemeester en schepenen beslist:

Artikel 1

Het college beslist de milieuvergunning klasse 2, zoals geformuleerd in de argumentatie, goed te keuren aan BT Europe AB nv, Terbekehofdreef 19, 2610 Wilrijk-Antwerpen, voor de exploitatie van een overslagbedrijf voor vorkheftrucks, gelegen op het adres Geleegweg 1, 2610 Wilrijk-Antwerpen.

Artikel 2

Het college wijst erop dat voor de exploitant de volgende algemene en sectorale voorwaarden van toepassing zijn:

algemene milieuvoorwaarden – algemeen

                                               

hoofdstuk 4.1, 4.7, 4.9 en bijlagen 4.1.9.1.6,   4.1.9.2.3.1, 4.1.9.2.3.2, 4.1.9.2.3.4 en 4.8;

algemene milieuvoorwaarden – geluid

hoofdstuk 4.5 en bijlagen 2.2.1, 2.2.2, 4.5.1, 4.5.2, 4.5.3,   4.5.4, 4.5.5 en 4.5.6;

algemene milieuvoorwaarden – oppervlaktewater

hoofdstuk 4.2 en bijlagen 4.2.5.1, 4.2.5.2 en 4.2.5.4;

algemene milieuvoorwaarden – lucht

hoofdstuk 4.4 en bijlagen 4.4.1 tot 4.4.6. en hoofdstuk   4.10;

algemene milieuvoorwaarden – licht

hoofdstuk 4.6;

bedekkingsmiddelen (verven, vernissen, inkten, emails,   metaalpoeders en analoge producten, afbijt en beitsmiddelen), kleurstoffen en   pigmenten – algemene bepalingen

afdeling 5.4.1;

bedekkingsmiddelen (verven, vernissen, inkten, emails,   metaalpoeders en analoge producten, afbijt en beitsmiddelen), kleurstoffen en   pigmenten – productie van lak, verf, drukinkten, kleurstoffen en/of pigmenten

afdeling 5.4.2;

bedekkingsmiddelen (verven, vernissen, inkten, emails,   metaalpoeders en analoge producten, afbijt en beitsmiddelen), kleurstoffen en   pigmenten – aanbrengen van bedekkingsmiddelen

afdeling 5.4.3;

brandbare vloeistoffen

afdeling 5.6.1;

brandstofverdeelinstallaties

afdeling 5.6.1;

elektriciteit

hoofdstuk 5.12;

fysisch behandelen van gassen

hoofdstuk 5.16, afdeling 5.16.3;

opslag van gevaarlijke producten – gemeenschappelijke   bepalingen

afdeling 5.17.1;

opslagplaatsen voor gevaarlijke gassen

afdeling 5.17.3 en bijlage 5.17.1 en 5.17.5;

gevaarlijke vaste stoffen en vloeistoffen – algemene   bepalingen

afdeling 5.17.4.1;

activiteiten met gebruik organische oplosmiddelen

hoofdstuk 5.59 en bijlage 5.59.1, 5.59.2 en 5.59.3;

bedekkingsmiddelen (verven, vernissen, inkten, emails,   metaalpoeders en analoge producten, afbijt en beitsmiddelen), kleurstoffen en   pigmenten – aanbrengen van bedekkingsmiddelen

afdeling 5.4.3.

Artikel 3

Het college beslist dat de exploitant de volgende bijzondere voorwaarde en brandweervoorwaarden dient na te leven:

1. Bijzondere voorwaarde: 

  • de exploitant dient voor alle vergunningsplichtige werken, wijzigingen of handelingen die werden uitgevoerd zonder stedenbouwkundige vergunning een stedenbouwkundige vergunning te bekomen.

 

2. Brandweervoorwaarden:

  • onafhankelijk van de verplichtingen aan de houder van de milieuvergunning opgelegd via de vigerende milieureglementering alsmede via het milieuvergunningsbesluit, en onverminderd de maatregelen ter voorkoming en bestrijding van brand, door de houder van de milieuvergunning te treffen in uitvoering van de algemene en sectorale milieuvoorwaarden, dient de houder van de milieuvergunning reeds te voorzien in de hiernavermelde blusmiddelen voor eerste tussenkomst:

 

  • snelblustoestellen

    snelblustoestellen van minstens één bluseenheid conform NBN EN 3-7 - bij voorkeur 6 kg poeder type ABC - dienen goed verdeeld aangebracht à rato van 1 toestel per
    150 m² (binnenruimte). Voor brandcompartimenten kleiner dan 300 m² dienen er in elk geval minstens twee toestellen aanwezig te zijn.
    Er mogen nochtans gedeeltelijk mobiele bluseenheden of snelblustoestellen van een ander type aangewend worden op de plaatsen waar zij meer aangewezen zijn, voor zover de aangebrachte blusmiddelen minstens eenzelfde bluseenheid conform NBN EN 3-7 bezitten en evenwaardig zijn aan de bovenvermelde.
    Snelblustoestellen van minstens één bluseenheid conform NBN EN 3-7 - bij voorkeur 6 kg poeder type ABC - dienen aangebracht bij elk punt of lokaal met verhoogd risico, zoals ondermeer pompen, compressoren, lasposten, belangrijke elektriciteitsborden, enz.
    In de inrichting dienen minstens twee toestellen aanwezig te zijn.
    Een snelblustoestel van 5 kg CO2 - ½ bluseenheid conform NBN EN 3-7 - dient aangebracht nabij de toegang tot de hoogspanningscabine.

 

  • muurhaspels + muurhydrant 

    muurhaspels met axiale voeding (conform NBN EN 671-1) + muurhydrant  (volgens de norm  NBN 571 en voorzien van vaste koppelstukken doormeter 45 mm volgens KB van 30 januari 1975) met gemeenschappelijke watertoevoer met een binnendiameter van tenminste 70 mm dienen op oordeelkundig gekozen plaatsen opgesteld zodanig dat elk punt van de inrichting kan bespoten worden.
    Hun aantal wordt zodanig bepaald dat de af te leggen afstand vanaf om het even welk punt tot het dichtst bijgelegen toestel niet meer bedraagt dan de lengte van de gebruikte haspels.
    De haspels dienen gevoed met een leiding onder druk zodanig dat het debiet bij de minst bedeelde haspel gelijk is aan of groter dan 24 liter per minuut.
    De leidingen voor bluswater dienen vervaardigd in staal of in een metaal dat minstens dezelfde waarborgen biedt.
    De geplaatste muurhaspels dienen voorzien van een vergrendeling derwijze dat men het afsluitmondstuk niet kan verwijderen zonder het openen van een handbediende afsluiter op de watertoevoer.
    De waterlevering moet te allen tijde, ook tijdens vorstperiode, gewaarborgd zijn.

 

  • bovengrondse hydranten

    rondom de inrichting dienen, op onderlinge afstanden van circa 80 meter, bovengrondse hydranten, van het type BH 100, volgens de norm NBN S 21.019 geplaatst te worden, welke mogen aangesloten worden, met een aansluiting van het directe type op een leiding van minimaal 6" hetzij op het net van de openbare waterleiding, hetzij in eigen beheer gevoed, waarbij tenminste gedurende 2 uren voldoende waterdebiet onder de vereiste druk kan geleverd worden.
    De uitgeefkanten van 70 mm Ø dienen bijkomend met gepaste afsluitkranen te worden uitgerust.
    De aansluiting op het voedingsnet dient zodanig te zijn dat het maximum debiet onmiddellijk beschikbaar is bij gebruik van de hydranten.
    De kosten voor de installatie, het onderhoud en de signalering van de BH100 is en blijft ten laste van de bouwheer/eigenaar en dit gedurende de levensduur van de inrichting.

Artikel 4

Het college beslist dat de milieuvergunning ingaat op 3 juni 2016 en eindigt op 3 juni 2036.

Artikel 5

Het college beslist dat de vergunde inrichting dient in gebruik te worden genomen binnen de 3 jaar vanaf de datum van deze milieuvergunning, zoniet vervalt deze milieuvergunning van rechtswege.

Artikel 6

Dit besluit heeft in principe geen financiƫle gevolgen.