Artikel 36,4° van Vlarem I bepaalt dat het college een uitspraak dient te doen over een milieuvergunningsaanvraag klasse 2.
Aanvrager(s): Automotive Transport and Supply Center nv, Skaldenstraat 142, 9042 Desteldonk. De aanvraag omvat: de verdere exploitatie en wijziging van een opslagbedrijf voor koffie en cacao.
Het college beslist op basis van het verslag van de dienst milieuvergunningen, dat als bijlage bij dit besluit is gevoegd en sluit zich aan bij deze motivatie.
Het milieuvergunningendecreet van 28 juni 1985, meermaals gewijzigd, en haar uitvoeringsbesluiten (Vlarem I en II) bepalen dat niemand zonder vergunning of melding een hinderlijke inrichting mag exploiteren.
Het college beslist een milieuvergunning klasse 2 goed te keuren aan Automotive Transport and Supply Center nv (A.T.S.C.), Skaldenstraat 142, 9042 Gent, om op de percelen gelegen te 2030 Antwerpen, Noorderlaan 399, haven 500, een opslagplaats voor koffie en cacao verder te exploiteren en te wijzigen.
Het college wijst erop dat de volgende algemene en sectorale milieuvoorwaarden van toepassing zijn:
Algemene milieuvoorwaarden:
|
algemene milieuvoorwaarden, algemeen |
hoofdstuk 4.1, 4.7, 4.9 en bijlagen 4.1.9.1.6, 4.1.9.2.3.1, 4.1.9.2.3.2, 4.1.9.2.3.4 en 4.8 |
|
algemene milieuvoorwaarden, geluid |
hoofdstuk 4.5 en bijlagen 2.2.1, 2.2.2, 4.5.1, 4.5.2,4.5.3, 4.5.4, 4.5.5 en 4.5.6 |
|
algemene milieuvoorwaarden, oppervlaktewater |
hoofdstuk 4.2. en bijlagen 4.2.5.1, 4.2.5.2 en 4.2.5.4 |
|
algemene milieuvoorwaarden, lucht |
hoofdstuk 4.4 en bijlagen 4.4.1 tot 4.4.6. en hoofdstuk 4.10 |
|
algemene milieuvoorwaarden, licht |
hoofdstuk 4.6 |
Sectorale milieuvoorwaarden:
|
elektriciteit |
hoofdstuk 5.12 |
|
fysisch behandelen van gassen |
afdeling 5.16.3 |
|
opslag van gevaarlijke producten – gemeenschappelijke bepalingen |
afdeling 5.17.1 |
|
opslagplaatsen voor gevaarlijke gassen |
afdeling 5.17.3 en bijlage 5.17.1 en 5.17.5 |
|
gevaarlijke vaste stoffen en vloeistoffen – algemene bepalingen |
afdeling 5.17.4.1 |
|
hout – algemeen |
afdeling 5.19.1 |
|
motoren met inwendige verbranding |
hoofdstuk 5.31 |
|
doorvoeropslagplaatsen in zeehavengebieden |
hoofdstuk 5.48 |
Het college beslist dat de exploitant de volgende brandweervoorwaarden dient na te leven:
Snelblustoestellen
Snelblustoestellen van minstens één bluseenheid conform NBN EN 3-7 - bij voorkeur 6 kg poeder type ABC - dienen goed verdeeld aangebracht à rato van 1 toestel per 150 m² (binnenruimte). Voor brandcompartimenten kleiner dan 300 m² dienen er in elk geval minstens twee toestellen aanwezig te zijn.
Er mogen nochtans gedeeltelijk mobiele bluseenheden of snelblustoestellen van een ander type aangewend worden op de plaatsen waar zij meer aangewezen zijn, voor zover de aangebrachte blusmiddelen minstens eenzelfde bluseenheid conform NBN EN 3-7 bezitten en evenwaardig zijn aan de bovenvermelde.
Snelblustoestellen van minstens één bluseenheid conform NBN EN 3-7 - bij voorkeur 6 kg poeder type ABC - dienen aangebracht bij elk punt of lokaal met verhoogd risico, zoals ondermeer pompen, compressoren, lasposten, belangrijke elektriciteitsborden, enzovoort.
In de inrichting dienen minstens twee toestellen aanwezig te zijn. Een snelblustoestel van 5kg CO2 – ½ bluseenheid conform NBN EN 3-7 - dient aangebracht nabij de toegang tot de hoogspanningscabine.
Muurhaspels + muurhydrant
Muurhaspels met axiale voeding (conform NBN EN 671-1) + muurhydrant (volgens de norm NBN 571 en voorzien van vaste koppelstukken doormeter 45 mm volgens Koninklijk Besluit van 30 januari 1975) met gemeenschappelijke watertoevoer met een binnendiameter van tenminste 70 mm dienen op oordeelkundig gekozen plaatsen opgesteld zodanig dat elk punt van de inrichting kan bespoten worden.
Hun aantal wordt zodanig bepaald dat de af te leggen afstand vanaf om het even welk punt tot het dichtst bijgelegen toestel niet meer bedraagt dan de lengte van de gebruikte haspels.
De haspels dienen gevoed met een leiding onder druk zodanig dat het debiet bij de minst bedeelde haspel gelijk is aan of groter dan 24 liter per minuut.
De leidingen voor bluswater dienen vervaardigd in staal of in een metaal dat minstens dezelfde waarborgen biedt.
De geplaatste muurhaspels dienen voorzien van een vergrendeling derwijze dat men het afsluitmondstuk niet kan verwijderen zonder het openen van een handbediende afsluiter op de watertoevoer.
De waterlevering moet te allen tijde, ook tijdens vorstperiode, gewaarborgd zijn.
Bovengrondse hydrant
Rondom de inrichting dienen, op onderlinge afstanden van ca. 80 m, bovengrondse hydranten, van het type BH 100, volgens de norm NBN S 21.019 geplaatst te worden, welke mogen aangesloten worden, met een aansluiting van het directe type op een leiding van minimaal 6'' hetzij op het net van de openbare waterleiding, hetzij in eigen beheer gevoed, waarbij tenminste gedurende 2 uren voldoende waterdebiet onder de vereiste druk kan geleverd worden.
De uitgeefkanten van 70 mm diameter dienen bijkomend met gepaste afsluitkranen te worden uitgerust.
De aansluiting op het voedingsnet dient zodanig te zijn dat het maximum debiet onmiddellijk beschikbaar is bij gebruik van de hydranten.
De kosten voor de installatie, het onderhoud en de signalering van de BH100 is en blijft ten laste van de bouwheer/eigenaar en dit gedurende de levensduur van de inrichting.
Branddetectie
De inrichting dient uitgerust met een automatische branddetectie installatie, van het type algemene bewaking.
De automatische branddetectie installatie is ontworpen en uitgevoerd volgens de vigerende reglementen en normen, in het bijzonder de Belgische norm NBN S21-l00.
De keuze van de detectoren is aangepast aan de aanwezige risico's en in functie van een snelle ontdekking van de brand.
De branddetectie installatie geeft automatisch een aanduiding van de brandmelding en de plaats ervan.
Divers
De opgelegde brandweervoorschriften in de bouwvergunning dienen blijvend gevolgd.
Het college beslist dat de milieuvergunning ingaat op 3 juni 2016 en eindigt op 3 juni 2036.