Samenstelling
Aanwezig
Bart De Wever, burgemeester;
Koen Kennis, schepen;
Ludo Van Campenhout, schepen;
Claude Marinower, schepen;
Marc Van Peel, schepen;
Rob Van de Velde, schepen;
Nabilla Ait Daoud, schepen;
Fons Duchateau, schepen;
Roel Verhaert, stadssecretaris
Afwezig
Philip Heylen, schepen;
Serge Muyters, korpschef
Secretaris
Roel Verhaert, stadssecretaris
Voorzitter
Bart De Wever, burgemeester
2016_CBS_09336 - Milieuvergunningen Vlarem klasse 2 - Sligro België nv, Straatsburgdok-Zuidkaai zonder nummer (zn), 2030 Antwerpen. Dossiernummer MV2016/275/AV - Goedkeuring
Motivering
Regelgeving: bevoegdheid
Artikel 36,4° van Vlarem I bepaalt dat het college een uitspraak dient te doen over een milieuvergunningsaanvraag klasse 2.
Aanleiding en context
Aanvrager: Sligro België nv - Quellinstraat 49 - 2018 Antwerpen. De aanvraag omvat de exploitatie van een distributiecentrum voor horeca.
Argumentatie
Het college beslist op basis van het verslag van de dienst milieuvergunningen, dat als bijlage bij dit besluit is gevoegd en sluit zich aan bij deze motivatie.
Juridische grond
Het milieuvergunningendecreet van 28 juni 1985, meermaals gewijzigd, en haar uitvoeringsbesluiten (Vlarem I en II) bepalen dat niemand zonder vergunning of melding een hinderlijke inrichting mag exploiteren.
Besluit
Het college van burgemeester en schepenen beslist:
Artikel 1
Het college beslist een milieuvergunning, zoals geformuleerd in de argumentatie, goed te keuren aan Sligro België nv, Quellinstraat 49, 2018 Antwerpen, voor de inrichting gelegen te 2030 Antwerpen, Straatsburgdok-Zuidkaai zn. De vergunning heeft als voorwerp: het exploiteren van een distributiecentrum voor horeca.
Artikel 2
Het college wijst erop dat de exploitant de algemene en sectorale voorwaarden dient na te leven.
Artikel 3
Het college beslist dat de exploitant de volgende brandweervoorwaarden dient na te leven:
- snelblustoestellen van minstens één bluseenheid conform NBN EN 3-7 - bij voorkeur 6 kg poeder type ABC - dienen aangebracht op volgende plaatsen:
- in en uitgangen, poorten
- nabij de muurhaspels
- machinekamer
- laadkades
- opslag gevaarlijke producten in kleine verpakkingen ( minimum 2 stuks)
Verder dient men de overige snelblustoestellen van minstens één bluseenheid conform NBN EN 3-7 - bij voorkeur 6 kg poeder type ABC - doelmatig te verdelen over de inrichting tot men in totaal over 1 toestel per 150 m² beschikt.
Snelblustoestellen van het type 5 kg CO2 - ½ bluseenheid conform NBN EN 3-7 - dienen in overtal aangebracht op volgende plaatsen:
- nabij de toegangen tot de hoogspanningscabine
- in de omgeving van elk belangrijk elektriciteitsbord
- nabij de toegang tot iedere liftmachinekamer
- nabij het batterijlaadstation
- nabij de compressoren
- muurhaspels met axiale voeding (conform NBN EN 671-1) + muurhydrant (volgens de norm NBN 571 en voorzien van vaste koppelstukken doormeter 45 mm volgens KB van 30 januari 1975) met gemeenschappelijke watertoevoer met een binnendiameter van tenminste 70 mm dienen op oordeelkundig gekozen plaatsen opgesteld in de compartimenten 1, 2 en 3. Hun aantal (haspel + muurhydrant) wordt zodanig bepaald dat de af te leggen afstand vanaf om het even welk punt tot het dichtst bijgelegen toestel niet meer bedraagt dan de lengte van de gebruikte haspels.
De muurhydranten dienen gevoed met een leiding onder druk zodat een debiet van in totaal 800 liter/minuut bij 6 bar uitgeefdruk kan gedebiteerd worden bij de afname van 2 muurhydranten op de meest nadelige plaatsen.
De leidingen voor bluswater dienen vervaardigd in staal of in een metaal dat minstens dezelfde waarborgen biedt.
De geplaatste muurhaspels dienen voorzien van een vergrendeling derwijze dat men het afsluitmondstuk niet kan verwijderen zonder het openen van een handbediende afsluiter op de watertoevoer.
- om de ontwikkeling en de verspreiding van brand en rook in het getroffen compartiment te beperken, dienen de compartimenten 1, 2 en 3 uitgerust met een rook- en warmte afvoerinstallatie (RWA-installatie).
De RWA-installatie voor het compartiment 3 voldoet aan de voorwaarden vastgelegd in de norm NBN S 21-208-1, behoudens punten 18 en 19 van deze norm. (artikel 5.3 bijlage 6).
De RWA – installatie van de compartimenten 1 en 2 dienen uitgevoerd volgens gangbare normen of voorschriften te zijn (Belgische of uit een naburig land).
De nodige bewijsstukken in dit verband (schema's, uitgebreide berekeningsmethode, enzovoort) moeten daartoe later kunnen voorgelegd worden.
Na installatie zal door een bevoegd persoon of instelling een attest afgeleverd worden waaruit blijkt dat aan de gangbare normen of voorschriften is voldaan.
- in de compartimenten 1, (op alle niveaus), 2 en 3 dient een aan het risico aangepast sprinklersysteem te worden voorzien. Deze installaties dienen volgens gangbare normen of voorschriften te zijn (Belgische of uit een naburig land).
De nodige bewijsstukken in dit verband (schema's, uitgebreide berekeningsmethode, enzovoort) moeten daartoe later kunnen voorgelegd worden.
Na installatie zal door een bevoegd persoon of instelling een attest afgeleverd worden waaruit blijkt dat aan de gangbare normen of voorschriften is voldaan.
- bluswatervoorzieningen
1. Primair + secundair.
Rondom de inrichting dienen, op onderlinge afstanden van circa 80 meter, bovengrondse hydranten, van het type BH 100, volgens de norm NBN S 21.019 geplaatst te worden, welke mogen aangesloten worden, met een aansluiting van het directe type op een leiding van minimaal 150 mm hetzij op het net van de openbare waterleiding, hetzij in eigen beheer gevoed, waarbij tenminste gedurende 2 uren voldoende waterdebiet onder de vereiste druk kan geleverd worden.
De aansluiting op het voedingsnet dient zodanig te zijn dat het maximum debiet van +- 3 000 liter/minuut onmiddellijk beschikbaar is bij gebruik van de twee bovengrondse hydranten.
De bewijsvoering van het vereiste debiet is ten laste van de eigenaar/exploitant en dient op eenvoudige vraag voorgelegd te kunnen worden. Voor wat betreft de openbare waterleiding kan een debietmeting aangevraagd worden bij de waterleverancier.
De kosten voor de installatie, het onderhoud en de signalering van de BH100 is en blijft ten laste van de bouwheer/eigenaar en dit gedurende de levensduur van het gebouw.
2. Tertiair
Straatsburgdok op 50 meter.
- de inrichting dient uitgerust met een automatische branddetectie installatie, van het type totale bewaking.
De automatische branddetectie installatie is ontworpen en uitgevoerd volgens de vigerende reglementen en normen, in het bijzonder de Belgische normen NBN S21-100-1 en NBN S21-100-2.
De keuze van de detectoren is aangepast aan de aanwezige risico's en in functie van een snelle ontdekking van de brand.
De branddetectie installatie geeft automatisch een aanduiding van de brandmelding en de plaats ervan.
De automatische branddetectie installatie dient aangevuld te worden met een manueel systeem om ontruiming te bevelen.
- de inrichting moet voorzien worden van pictogrammen en van veiligheidsverlichting die onmiddellijk en automatisch in dienst treedt bij het uitvallen van de stroom.
Minimaal dienen armaturen aangebracht te worden boven elke uitgangsdeur, in alle evacuatiewegen (gangen en trappen), in de nabijheid van de brandbestrijdingsmiddelen en in alle lokalen die uitsluitend door kunstlicht bediend worden.
De veiligheidsverlichting dient verder uitgebreid te worden zodanig dat de plaatsing en de verlichtingssterkte voldoende is om een gemakkelijke ontruiming te waarborgen.
De veiligheidsverlichting moet tenminste gedurende 1 uur zonder onderbreking kunnen functioneren.
Het bijkomend gebruik van fluorescerende strips , dienen een duidelijke markering van de vluchtweg bij stroomuitval en of sterke rookontwikkeling in de grote open ruimtes te verzekeren.
- de opslag van de gevaarlijke producten dient te geschieden in een volledig afzonderlijk gecompartimenteerde ruimte met wanden EI 120, toegangsdeur EI60 zelfsluitend of in een aangepaste chemiekluis welk aan dezelfde voorwaarde voldoet.
Artikel 4
Het college beslist dat de milieuvergunning ingaat op 28 oktober 2016 en eindigt op 28 oktober 2036.
Artikel 5
Het college beslist dat de vergunde inrichting dient in gebruik te worden genomen binnen de 3 jaar vanaf de datum van deze milieuvergunning, zoniet vervalt deze milieuvergunning van rechtswege.
Artikel 6
Dit besluit heeft in principe geen financiële gevolgen.