Samenstelling
Aanwezig
Bart De Wever, burgemeester;
Koen Kennis, schepen;
Philip Heylen, schepen;
Ludo Van Campenhout, schepen;
Claude Marinower, schepen;
Marc Van Peel, schepen;
Rob Van de Velde, schepen;
Nabilla Ait Daoud, schepen;
Fons Duchateau, schepen;
Roel Verhaert, stadssecretaris
Afwezig
Serge Muyters, korpschef
Secretaris
Roel Verhaert, stadssecretaris
Voorzitter
Bart De Wever, burgemeester
2016_CBS_04289 - Milieuvergunningen Vlarem tijdelijke klasse 1 - Laundry Day nv, Blancefloerlaan zonder nummer (zn), 2050 Antwerpen. Dossiernummer MV2016/106/AV - Goedkeuring
Motivering
Regelgeving: bevoegdheid
Artikel 37, §1 b) van Vlarem I bepaalt dat het college een uitspraak dient te doen over een tijdelijke milieuvergunningsaanvraag klasse 1 of 2.
Aanleiding en context
Aanvrager: Laundry Day nv - Rijnkaai 37 - 2000 Antwerpen. De aanvraag omvat de tijdelijke exploitatie van gasopslag en het gebruik van generatoren gedurende een muziekfestival.
Argumentatie
Het college beslist op basis van het verslag van de dienst milieuvergunningen, dat als bijlage bij dit besluit is gevoegd en sluit zich aan bij deze motivatie.
Juridische grond
Het milieuvergunningendecreet van 28 juni 1985, meermaals gewijzigd, en haar uitvoeringsbesluiten (Vlarem I en II) bepalen dat niemand zonder voorafgaande schriftelijke vergunning of melding een als hinderlijk ingedeelde inrichting klasse 1, 2 of 3 mag exploiteren of veranderen.
Besluit
Het college van burgemeester en schepenen beslist:
Artikel 1
Het college beslist een tijdelijke milieuvergunning klasse 1 goed te keuren aan Laundry Day nv, Rijnkaai 37, 2000 Antwerpen, om op de locatie Blancefloerlaan zn, 2050 Antwerpen, generatoren en gasopslag te exploiteren gedurende het muziekfestival "Laundry Day".
Artikel 2
Het college wijst erop dat de volgende algemene en sectorale voorwaarden van toepassing zijn:
|
algemene milieuvoorwaarden
|
hoofdstuk 4.1;
|
|
algemene milieuvoorwaarden - geluid
|
hoofdstuk 4.5;
|
|
elektriciteit
|
hoofdstuk 5.12;
|
|
gassen - algemeen
|
hoofdstuk 5.16, afdeling 5.16.1;
|
|
gassen - opslagplaatsen verplaatsbare recipiënten
|
hoofdstuk 5.16, afdeling 5.16.5;
|
|
motoren met inwendige verbranding
|
hoofdstuk 5.31.
|
Artikel 3
Het college beslist dat de exploitant de volgende bijzondere voorwaarde en brandweervoorwaarden dient na te leven:
- Bijzondere voorwaarde:
- de exploitant zorgt voor een degelijke afscherming tijdens de events van de opgestelde apparaten.
- Brandweervoorwaarden:
- het terrein moet zo worden aangelegd, dat alle openlucht recreatieve verblijven, parkeerplaatsen voor autovoertuigen en tijdelijke inrichtingen, tot op maximaal
60 meter van een berijdbare servitudeweg, voor de eerste hulpwagens bereikbaar zijn. Die servitudewegen moeten aan de volgende voorwaarden beantwoorden :
- een minimale breedte van 4 meter;
- de vrije hoogte moet minstens 4 meter te bedragen;
- binnendraaistalen van 11 meter en buitendraaistralen van 15 meter;
- worden aangelegd aan de buitenkant van het terrein, rond evenementensite en/of campingterrein;
- zijn berijdbaar in alle weersomstandigheden;
- bezitten een draagvermogen in die mate dat voertuigen van minstens 15 ton er kunnen rijden en stilstaan zonder verzinken, zelfs wanneer ze het terrein vervormen.
De servitudewegen zijn voorzien van een degelijke verlichting.
Voertuigen mogen in geen geval op toegangswegen en servitudewegen van het terrein worden geparkeerd.
- naast de servitudeweg (gelegen aan de buitenkant van het terrein) dienen, op onderlinge afstanden van circa 200 meter, bovengrondse hydranten, van het type BH 80, geplaatst te worden. De voeding van een bovengrondse hydrant BH 80 gebeurt rechtstreeks op het net van de openbare waterbedeling, door een leiding waarvan de minimale binnendiameter 100 mm bedraagt, hetzij in eigen beheer.
De aansluiting op het voedingsnet dient zodanig te zijn dat het maximum debiet onmiddellijk beschikbaar is bij gebruik van de hydrant. De kosten voor de installatie, het onderhoud en de signalering van de BH80 is en blijft ten laste van de bouwheer/eigenaar en dit gedurende de levensduur van het terrein.
OF
Naast de servitudeweg (gelegen aan de buitenkant van het terrein) dienen, op onderlinge afstanden van circa 200 meter, waterbuffers (pompputten) voorzien te worden van minimum 50 m³.
Indien de watervoorraad wordt uitgevoerd als pompput, dient deze aan volgende voorwaarden te voldoen.
Als beschikbare waterinhoud van het bluswaterreservoir mag slechts worden gerekend het verschil in inhoud bij normaal waterpeil en bij laag waterpeil. De diepte bij normaal waterpeil moet tenminste 2 meter zijn.
Normaal waterpeil is het waterpeil in het bluswaterreservoir in normale omstandigheden.
Bij een niet vorstvrije waterreservoir moet rekening gehouden worden met een eventuele ijslaag van 50 cm.
Onder laag waterpeil moet worden verstaan het laagste waterpeil in het bluswaterreservoir, waarbij aan het begin van de zuigleiding nog juist geen zuigkolk kan ontstaan.
Daartoe dient de bodem van de pompput zich op tenminste 70 cm onder het laagwaterpeilniveau te bevinden.
Deze pompput dient uitgevoerd in beton of metselwerk en voorzien van een slibvang en maaswerk.
Indien de pompput ondergronds wordt uitgevoerd, moet deze toegankelijk zijn voor de brandweer, ofwel via een deksel in de aard van het type Elkington 1522A of gelijkwaardig, ofwel met een vaste zuigleiding bovengronds met een binnendiameter van 150 mm, voorzien van een broekstuk 150/2 x 110 met vaste koppelstukken type AR Ø 110 mm volgens de bijlage 2 van het Koninklijk Besluit van 30 januari 1975.
Afsluiters moeten aangebracht worden op de beide uitgeefkanten van 110 mm Ø.
Indien geopteerd wordt voor een vaste zuigleiding, dient deze uitgevoerd met een bocht onderaan en voorzien van een vuilopvang (zeef).
De aanzuighoogte mag niet meer dan 6 meter bedragen.
De toegang tot de watervoorraad moet te allen tijde gevrijwaard zijn.
De toegangswegen en de stationeerplaatsen nabij deze pompput dienen steeds gemakkelijk bereikbaar en geschikt te zijn voor het aanwenden van het groot materieel van de brandweer.
De pompput dient derwijze uitgevoerd dat tenminste 2 autopompen operationeel inzetbaar kunnen zijn.
Deze autopompen moeten zodanig opgesteld kunnen worden dat bij gebruik van een zuigslang de hartlijn van de pomp zich nooit hoger bevindt dan circa 4,5 meter boven het waterniveau.
- snelblustoestellen van minstens één bluseenheid conform NBN EN 3-7 - bij voorkeur 6 kg poeder type ABC - dienen aangebracht op volgende plaatsen:
- kleine tijdelijke inrichting met kook- of verwarmingstoestel
- grote tijdelijke inrichting:
gelijkmatig worden verdeeld over de totale oppervlakte:
o 1 bluseenheid per begonnen schijf van 100 m²;
o met een minimum van 2 snelblussers per inrichting;
o minstens 1 snelblusser per niveau.
- de tijdelijke inrichtingen waar publiek wordt toegelaten moeten voorzien worden van veiligheidsverlichting, die onmiddellijk en automatisch in dienst treedt bij het uitvallen van de stroom.
Minimaal dienen armaturen aangebracht te worden boven elke uitgang.
De veiligheidsverlichting dient verder uitgebreid te worden zodanig dat de plaatsing en de verlichtingssterkte voldoende is om een gemakkelijke ontruiming te waarborgen.
De veiligheidsverlichting moet tenminste gedurende 1 uur zonder onderbreking kunnen functioneren.
- de voorwaarden die worden opgelegd in de toelating burgemeester voor het evenement dient integraal te worden opgevolgd.
Artikel 4
Het college beslist dat de milieuvergunning ingaat op 15 augustus 2016 en eindigt op 15 september 2016.
Artikel 5
Dit besluit heeft in principe geen financiƫle gevolgen.