Terug

2016_CBS_01958 - Milieuvergunningen Vlarem klasse 2 - Interalu nv, Fotografielaan 49-51, 2610 Wilrijk-Antwerpen. Dossiernummer MV2015/553/AV - Goedkeuring

college van burgemeester en schepenen
do 10/03/2016 - 14:00 Digitaal
Goedgekeurd

Samenstelling

Aanwezig

Bart De Wever, burgemeester; Koen Kennis, schepen; Philip Heylen, schepen; Ludo Van Campenhout, schepen; Claude Marinower, schepen; Marc Van Peel, schepen; Rob Van de Velde, schepen; Nabilla Ait Daoud, schepen; Fons Duchateau, schepen

Afwezig

Serge Muyters, korpschef

Voorzitter

Bart De Wever, burgemeester
2016_CBS_01958 - Milieuvergunningen Vlarem klasse 2 - Interalu nv, Fotografielaan 49-51, 2610 Wilrijk-Antwerpen. Dossiernummer MV2015/553/AV - Goedkeuring 2016_CBS_01958 - Milieuvergunningen Vlarem klasse 2 - Interalu nv, Fotografielaan 49-51, 2610 Wilrijk-Antwerpen. Dossiernummer MV2015/553/AV - Goedkeuring

Motivering

Regelgeving: bevoegdheid

Artikel 36,4° van Vlarem I bepaalt dat het college een uitspraak dient te doen over een milieuvergunningsaanvraag klasse 2.

Aanleiding en context

Aanvrager(s): Interalu nv - Fotografielaan 49-51 - 2610 Wilrijk-Antwerpen. De aanvraag omvat de exploitatie van een bedrijf, gespecialiseerd in de productie van metalen panelen voor plafonds.

Argumentatie

Het college beslist op basis van het verslag van de dienst milieuvergunningen, dat als bijlage bij dit besluit is gevoegd en sluit zich aan bij deze motivatie.

Juridische grond

Het milieuvergunningendecreet van 28 juni 1985, meermaals gewijzigd, en haar uitvoeringsbesluiten (Vlarem I en II) bepalen dat niemand zonder vergunning of melding een hinderlijk inrichting mag exploiteren.

Besluit

Het college van burgemeester en schepenen beslist:

Artikel 1

Het college beslist de milieuvergunning klasse 2, zoals geformuleerd in de argumentatie, goed te keuren
aan Interalu nv, Fotografielaan 49-51, 2610 Wilrijk-Antwerpen, voor de exploitatie van een bedrijf, gespecialiseerd in de productie van metalen panelen voor plafonds, gelegen op hetzelfde adres.

Artikel 2

Het college wijst erop dat voor de exploitant de volgende algemene en sectorale voorwaarden van toepassing zijn:

algemene milieuvoorwaarden – algemeen                                              

hoofdstuk 4.1, 4.7, 4.9 en bijlagen 4.1.9.1.6, 4.1.9.2.3.1, 4.1.9.2.3.2, 4.1.9.2.3.4;

algemene milieuvoorwaarden – geluid

hoofdstuk 4.5 en bijlagen 2.2.1, 2.2.2, 4.5.1, 4.5.2, 4.5.3, 4.5.4, 4.5.5 en 4.5.6;

algemene milieuvoorwaarden – oppervlaktewater

hoofdstuk 4.2 en bijlagen 4.2.5.1, 4.2.5.2 en 4.2.5.4;

algemene milieuvoorwaarden – lucht

hoofdstuk 4.4 en bijlagen 4.4.1 tot 4.4.6. en hoofdstuk 4.10;

algemene milieuvoorwaarden – licht

hoofdstuk 4.6;

bedrijfsafvalwaters + sector 55c en 55b

afdeling 5.3.2 + bijlage 5.3.2;

brandbare vloeistoffen

afdeling 5.6.1;

elektriciteit

hoofdstuk 5.12;

parkeerplaatsen voor motorvoertuigen

hoofdstuk 5.15;

behandelen van gassen – gemeenschappelijke bepalingen

afdeling 5.16.1;

fysisch behandelen van gassen

afdeling 5.16.3;

opslag van gevaarlijke producten – gemeenschappelijke bepalingen

afdeling 5.17.1;

opslagplaatsen voor aërosolen

afdeling 5.17.2 en bijlage 5.17.1;

gevaarlijke vloeistoffen – opslag in bovengrondse houders

afdeling 5.17.4.3;

kunststoffen

hoofdstuk 5.23;

metalen

hoofdstuk 5.29;

niet in rubriek 2 en 28 begrepen verbrandingsinrichtingen - algemene bepalingen en immissiecontroleprocedures

afdeling 5.43.1 + 5.43.4;

niet in rubriek 2 en 28 begrepen verbrandingsinrichtingen - stookinstallaties, met uitzondering van gasturbines en stoom- en gasturbine-installaties – kleine stookinstallaties (300 kW – 5 MW)

subafdeling 5.43.2.3;

niet in rubriek 2 en 28 begrepen verbrandingsinrichtingen - gasturbines en stoom- en gasturbine-installaties

afdeling 5.43.3.

Artikel 3

Het college beslist dat de exploitant de volgende bijzondere voorwaarden en brandweervoorwaarden dient na te leven:

      1. Bijzondere voorwaarden:

  • om aan te tonen dat de lozingsvoorwaarden gerespecteerd worden, dient het bedrijfsafvalwater van de perforatielijn geanalyseerd te worden op relevante parameters. De analyseresultaten, verkregen via een erkend laboratorium in de discipline water, worden binnen de 3 maanden na vergunningverlening ter controle bezorgd aan de dienst milieuvergunningen van stad Antwerpen. Het bedrijf kan ook beslissen om dit bedrijfsafvalwater te laten ophalen voor verwerking. In dat geval dient geen wateranalyse bezorgd te worden, maar wel een bevestiging van deze keuze (milieuvergunningen@stad.antwerpen.be met vermelding van dossiernummer MV2015/553);
  • het bedrijf dient uit te zoeken hoe en waar het bedrijfsafvalwater geloosd wordt. Uiterlijk 1 jaar na vergunningverlening wordt een aangepast plan, met aanduiding van de leidingen en het lozingspunt, bezorgd aan de dienst milieuvergunningen van stad Antwerpen;
  • aangezien de gracht achter het bedrijfsgebouw ingekleurd is als mogelijk overstromingsgevoelig gebied en nog een bijkomende uitbreiding van het gebouw in die richting gepland is, vindt de dienst milieuvergunningen het erg belangrijk dat er werk gemaakt wordt van de nuttige toepassing van het hemelwater. Binnen een jaar na vergunningverlening wordt daarom een voorstel uitgewerkt en bezorgd aan de dienst milieuvergunningen van stad Antwerpen;

      2. Brandweervoorwaarden:

  • B1
    onafhankelijk van de verplichtingen aan de houder van de milieuvergunning opgelegd via de vigerende milieureglementering alsmede via het milieuvergunningsbesluit, en onverminderd de maatregelen ter voorkoming en bestrijding van brand, door de houder van de milieuvergunning te treffen in uitvoering van de algemene en sectorale milieuvoorwaarden, dient de houder van de milieuvergunning reeds te voorzien in de hiernavermelde blusmiddelen voor eerste tussenkomst:
  • S23
    snelblustoestellen van minstens één bluseenheid conform NBN EN 3-7 - bij voorkeur 6 kg poeder type ABC - dienen aangebracht bij elk punt of lokaal met verhoogd risico, zoals ondermeer pompen, compressoren, lasposten, belangrijke elektriciteitsborden, enzovoort.
    In de inrichting dienen minstens twee toestellen aanwezig te zijn.
    Er mogen nochtans gedeeltelijk mobiele bluseenheden of snelblustoestellen van een ander type aangewend worden op de plaatsen waar zij meer aangewezen zijn, voor zover de aangebrachte blusmiddelen minstens eenzelfde bluseenheid conform NBN EN 3-7 bezitten en evenwaardig zijn aan de bovenvermelde.
  • S9
    een snelblustoestel van 5 kg CO2 - ½ bluseenheid conform NBN EN 3-7 - dient aangebracht nabij de toegang tot de hoogspanningscabine.
  • H2
    muurhaspels met axiale voeding (conform NBN EN 671-1) + muurhydrant  (volgens de norm  NBN 571 en voorzien van vaste koppelstukken doormeter 45 mm volgens KB van 30 januari 1975) met gemeenschappelijke watertoevoer met een binnendiameter van tenminste 70 mm dienen op oordeelkundig gekozen plaatsen opgesteld zodanig dat elk punt van de inrichting kan bespoten worden.
    Hun aantal wordt zodanig bepaald dat de af te leggen afstand vanaf om het even welk punt tot het dichtst bijgelegen toestel niet meer bedraagt dan de lengte van de gebruikte haspels.
    De haspels dienen gevoed met een leiding onder druk zodanig dat het debiet bij de minst bedeelde haspel gelijk is aan of groter dan 24 liter per minuut.
    De leidingen voor bluswater dienen vervaardigd in staal of in een metaal dat minstens dezelfde waarborgen biedt.
    De geplaatste muurhaspels dienen voorzien van een vergrendeling derwijze dat men het afsluitmondstuk niet kan verwijderen zonder het openen van een handbediende afsluiter op de watertoevoer.
    De waterlevering moet te allen tijde, ook tijdens vorstperiode, gewaarborgd zijn.
  • H3
    één bovengrondse hydrant BH 100, conform NBN S 21.019, maar met afsluiters op beide uitgeefkanten van 70 mm Ø dient voorzien.
    De voeding gebeurt rechtstreeks op het net van de openbare waterbedeling, door een leiding waarvan de minimale binnendiameter 150 mm bedraagt.
    De aansluiting op het voedingsnet dient zodanig te zijn dat het maximum debiet onmiddellijk beschikbaar is bij gebruik van de hydrant.

Artikel 4

Het college beslist dat de milieuvergunning ingaat op 11 maart 2016 en eindigt op 11 maart 2036.

Artikel 5

Het college beslist dat de vergunde inrichting dient in gebruik te worden genomen binnen de 3 jaar vanaf de datum van deze milieuvergunning, zoniet vervalt deze milieuvergunning van rechtswege.

Artikel 6

Dit besluit heeft in principe geen financiƫle gevolgen.