Terug

2016_CBS_09942 - Milieuvergunningen Vlarem klasse 2 - Belgian New Fruit Wharf nv, Wilmarsdonksteenweg zn, 2030 Antwerpen, Dossiernummer MV2016/329/AVG - Goedkeuring

college van burgemeester en schepenen
vr 18/11/2016 - 09:00 Collegezaal, stadhuis
Goedgekeurd

Samenstelling

Aanwezig

Bart De Wever, burgemeester; Koen Kennis, schepen; Philip Heylen, schepen; Ludo Van Campenhout, schepen; Claude Marinower, schepen; Marc Van Peel, schepen; Fons Duchateau, schepen; Roel Verhaert, stadssecretaris

Afwezig

Rob Van de Velde, schepen; Nabilla Ait Daoud, schepen; Serge Muyters, korpschef

Secretaris

Roel Verhaert, stadssecretaris

Voorzitter

Bart De Wever, burgemeester
2016_CBS_09942 - Milieuvergunningen Vlarem klasse 2 - Belgian New Fruit Wharf nv, Wilmarsdonksteenweg zn, 2030 Antwerpen, Dossiernummer MV2016/329/AVG - Goedkeuring 2016_CBS_09942 - Milieuvergunningen Vlarem klasse 2 - Belgian New Fruit Wharf nv, Wilmarsdonksteenweg zn, 2030 Antwerpen, Dossiernummer MV2016/329/AVG - Goedkeuring

Motivering

Gekoppelde besluiten

Regelgeving: bevoegdheid

Artikel 36,4° van Vlarem I bepaalt dat het college een uitspraak dient te doen over een milieuvergunningsaanvraag klasse 2.

Aanleiding en context

Aanvrager: Belgian New Fruit Wharf nv - Rostockweg 1 - 2030 Antwerpen. De aanvraag omvat: de exploitatie van een op- en overslagbedrijf van fruit en andere goederen.

Argumentatie

Het college beslist op basis van het verslag van de dienst milieuvergunningen, dat als bijlage bij dit besluit is gevoegd en sluit zich aan bij deze motivatie.

Juridische grond

Het milieuvergunningendecreet van 28 juni 1985, meermaals gewijzigd, en haar uitvoeringsbesluiten (Vlarem I en II) bepalen dat niemand zonder vergunning of melding een hinderlijk inrichting mag exploiteren.

Besluit

Het college van burgemeester en schepenen beslist:

Artikel 1

Het college beslist een milieuvergunning klasse 2 goed te keuren aan Belgian New Fruit Wharf nv, Rostockweg 1, 2030 Antwerpen, om op de percelen gelegen te 2030 Antwerpen, Wilmarsdonksteenweg zn, haven 206-212, een inrichting voor de op- en overslag van fruit en andere goederen te exploiteren.

Artikel 2

Het college wijst erop dat de exploitant de algemene en sectorale voorwaarden dient na te leven.

Artikel 3

Het college beslist dat de exploitant de volgende bijzondere en brandweervoorwaarden dient na te leven:

Bijzondere milieuvoorwaarden:

  • binnen zes maanden na het verlenen van de vergunning toont de exploitant aan dat al het huishoudelijke afvalwater geloosd wordt via voldoende gedimensioneerde waterbehandelingsinstallaties;

  • binnen zes maanden na het verlenen van de vergunning wordt een goedgekeurd keuringsverslag van de houder van 5 000 liter afvalolie overgemaakt aan het college;

  • de lozing van het bedrijfsafvalwater afkomstig van de koelinstallaties (spui) mag geloosd worden aan een debiet van 1 000 m³ per jaar, mits voldaan wordt aan de algemene voorwaarden voor lozing van bedrijfsafvalwater in oppervlaktewater en de volgende bijzondere lozingsvoorwaarden:

parameter (mg/l)

Advies VMM / LNE

zink

1 mg/liter

totaal fosfor

2 mg/liter

AOX

0,4 mg/liter

BZV

25 mg O2/liter

CZV

125 mg O2/liter

nitriet

2 mg/liter

totaal stikstof

15 mg/liter

  • de lozing van het bedrijfsafvalwater afkomstig van de wasplaats, de mobiele kuismachine en het verontreinigd hemelwater mag geloosd worden aan een debiet van 300 m³ per jaar via een koolwaterstofafscheider met coalescentiefilter, mits voldaan wordt aan de algemene en sectorale (sector 59, a) voorwaarden voor lozing van bedrijfsafvalwater in oppervlaktewater en de volgende bijzondere lozingsvoorwaarden:

parameter (mg/l)

Advies VMM

koper

0,2 mg/liter

zink

1 mg/liter

totaal stikstof

5 mg/liter

Brandweervoorwaarden:

Snelblustoestellen

Snelblustoestellen van minstens één bluseenheid conform NBN EN 3-7 - bij voorkeur 6 kg poeder type ABC - dienen goed verdeeld aangebracht à rato van 1 toestel per 150 m² (binnenruimte).

Voor brandcompartimenten kleiner dan 300 m² dienen er in elk geval minstens twee toestellen aanwezig te zijn.

Er mogen nochtans gedeeltelijk mobiele bluseenheden of snelblustoestellen van een ander type aangewend worden op de plaatsen waar zij meer aangewezen zijn, voor zover de aangebrachte blusmiddelen minstens eenzelfde bluseenheid conform NBN EN 3-7 bezitten en evenwaardig zijn aan de bovenvermelde.

Zo mag in de loodsen 206 en 212 mag maximaal de helft van de snelblustoestellen van tenminste één bluseenheid conform NBN EN 3-7 vervangen worden door een voldoende aantal mobiele blusapparaten van tenminste 10 bluseenheden conform NBN EN 3-7 en NBN EN 1866, opdat het minimum aantal bluseenheden bereikt wordt.

Snelblustoestellen van minstens één bluseenheid conform NBN EN 3-7 - bij voorkeur 6 kg poeder type ABC - dienen aangebracht bij elk punt of lokaal met verhoogd risico, zoals ondermeer pompen, compressoren, lasposten, belangrijke elektriciteitsborden, batterijlaadpunten, acculoodsen, stookplaatsen, afvallokalen, enz.

Er mogen nochtans gedeeltelijk mobiele bluseenheden of snelblustoestellen van een ander type aangewend worden op de plaatsen waar zij meer aangewezen zijn, voor zover de aangebrachte blusmiddelen minstens eenzelfde bluseenheid conform NBN EN 3-7 bezitten en evenwaardig zijn aan de bovenvermelde.

Een snelblustoestel van 5 kg CO2 – ½ bluseenheid conform NBN EN 3-7- dient aangebracht nabij de toegang tot elke hoogspanningscabine, nabij de belangrijke elektriciteitsborden, en bij de batterijlaadpunten.

Muurhaspels            

Muurhaspels met axiale voeding (conform NBN EN 671-1) aangesloten via een aangepaste leiding op de openbare waterbedeling of ander gelijkwaardig voedingssysteem, dienen op oordeelkundig gekozen plaatsen opgesteld zodanig dat elk punt van het kantoorgebouw (central dispatch), de droge loods 206, en het atelier/garage kan bespoten worden.

Hun aantal wordt zodanig bepaald dat de af te leggen afstand vanaf om het even welk punt tot het dichtst bijgelegen toestel niet meer bedraagt dan de lengte van de gebruikte haspels.

De haspels dienen gevoed met een leiding onder druk zodanig dat het debiet bij de minst bedeelde haspel gelijk is aan of groter dan 24 liter per minuut.

De leidingen voor bluswater dienen vervaardigd in staal of in een metaal dat minstens dezelfde waarborgen biedt.

De geplaatste muurhaspels dienen voorzien van een vergrendeling derwijze dat men het afsluitmondstuk niet kan verwijderen zonder het openen van een handbediende afsluiter op de watertoevoer.

De waterlevering moet te allen tijde, ook tijdens vorstperiode, gewaarborgd zijn.

Muurhydranten

In loodsen 206 en 212 moet een natte brandweerleiding van 75 mm diameter geplaatst worden, aangesloten op het waterleidingsnet door middel van een buis van minstens 3" diameter.

Er moeten op deze leiding muurhydranten volgens de norm NBN 571, met een koppelstuk van 45 mm diameter, bewapend met persslang van 45 mm diameter en 20 of 30 m lengte volgens de norm NBN 821.204 en straalpijp volgens de norm NBN 548, aangebracht worden.

De koppelstukken van 45 mm diameter dienen van een type te zijn zoals bepaald in het koninklijk besluit van 30 januari 1975.

De plaats en het aantal van de hydranten dienen zodanig gekozen dat elke plaats kan bespoten worden.

Dit kan onder andere gebeuren door deze hydranten hetzij bovengronds, hetzij in betonnen ondergrondse kuipen op te stellen langs de centrale rijwegen. Bij een ondergrondse opstelling dient er bijzonder gelet te worden op de duidelijke signalisatie en mag er bovendien op deze kuipen niet gestapeld worden.

Aan elke zijde van het hoogstapelmagazijn (loods 212) dienen ter hoogte van de toegangspoorten 2 hydranten voorzien te worden, waarvan de slanglengte op 2 x 40 m mag worden gebracht.

De rest van de hydranten in het magazijn mag worden uitgerust met slangen van 30 m lengte.

Bovengrondse hydranten

Rondom de magazijnen (loodsen 206 en 212) dienen, op onderlinge afstanden van ca. 80 m, bovengrondse hydranten, van het type BH 100, volgens de norm NBN S 21.019 geplaatst te worden.

De bovengrondse hydranten moeten met een aansluiting van het directe type op een leiding van minimaal 6inch aangesloten worden, hetzij op het net van de openbare waterleiding, hetzij in eigen beheer gevoed, waarbij tenminste gedurende 2 uren voldoende waterdebiet onder de vereiste druk kan geleverd worden.

De uitgeefkanten van 70 mm diameter dienen bijkomend met gepaste afsluitkranen uitgerust te worden. De aansluiting op het voedingsnet dient zodanig te zijn dat het maximum debiet onmiddellijk beschikbaar is bij gebruik van de hydranten.

De kosten voor de installatie, het onderhoud en de signalering van de BH100 is en blijft ten laste van de bouwheer/eigenaar en dit gedurende de levensduur van de inrichting.

Sprinklers

Het hoogstapelmagazijn in loods 212 dient uitgerust met een adequate sprinklerinstallatie volgens erkende norm.

Diversen

Er dient voldaan te worden aan de blusmiddelen opgelegd in de brandweeradviezen horende bij de respectievelijke bouwvergunningen van de verschillende gebouwen.

 

Artikel 4

Het college beslist dat de milieuvergunning ingaat op 18 november 2016 en eindigt op 18 november 2036.

Artikel 5

Dit besluit heeft in principe geen financiƫle gevolgen.