Na de volledige inwerkingtreding van het archeologieluik van het Onroerenderfgoedecreet van 12 juli 2013 medio 2016 bleek de invoering van de archeologienota een grote impact te hebben op lopende en geplande bouw- en infrastructuurwerken. Een bijsturing van de regelgeving is wenselijk.
Het Decreet betreffende het onroerend erfgoed van 12 juli 2013 introduceerde het systeem van archeologienota's, die - voor projecten die voldoen aan specifieke parameters - toegevoegd moeten worden aan een aanvraag voor het bekomen van een stedenbouwkundige vergunning. Nu het systeem enkele maanden in voege is blijkt de vereiste om een bekrachtigde archeologienota toe te voegen een buiten proportionele impact te hebben op lopende en geplande bouw- en infrastructuurprojecten.
De nieuwe werkwijze bleek zeer formalistisch en sterk administratief van aard, eerder vertragend dan faciliterend, terwijl de resultaten niet in verhouding tot de kostprijs zijn. Zowel de stad en haar partners als particulieren worden organisatorisch en financieel getroffen door het systeem. De erkende archeologen die kunnen instaan voor de opmaak van archeologienota's zijn daarenboven overbevraagd, zodat hierdoor, los van de doorlooptijd voor de bekrachtiging, extra vertragingen optreden in projecten.
Inhoudelijk blijken de archeologienota's weinig kenniswinst op te leveren en vormt het nieuwe systeem geen garantie dat alle relevante projecten ook in beeld komen.
Een bijsturing en aanpassing van de regelgeving is noodzakelijk om de negatieve gevolgen te neutraliseren. Hiervoor maakte de dienst Stadsontwikkeling/ Onroerend Erfgoed een concreet voorstel tot aanpassingen. Dit voorstel is als bijlage bij dit besluit opgenomen. De belangrijkste krachtlijnen zijn:
Zowel het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, het Onroerenderfgoedbesluit van 16 mei 2014, als de door de minister vastgestelde 'Code van Goede Praktijk voor de uitvoering van en rapportering over archeologisch vooronderzoek en archeologische opgravingen en het gebruik van Metaaldetectoren' moeten hiervoor aangepast worden.
Het college zal daarover een brief schrijven aan de minister van de Vlaamse regering, bevoegd voor onroerend erfgoed, met de vraag om de nodige aanpassingen aan de regelgeving door te voeren, zoals opgenomen in het voorstel in bijlage.
Het 'Decreet betreffende het Onroerend Erfgoed van 12 juli 2013', het 'Besluit van de Vlaamse regering van 16 mei 2014 betreffende de uitvoering van het Onroerenderfgoeddecreet' en de door de bevoegde minister vastgestelde 'Code van goede praktijk voor de uitvoering van en rapportering over archeologisch vooronderzoek en archeologische opgravingen en het gebruik van metaaldetectoren', van kracht sinds 1 januari 2016.
Het college keurt de collegiale brief goed over de aanpassing van de regelgeving met betrekking tot de archeologienota aan de heer Geert Bourgeois, minister-president van de Vlaamse regering, bevoegd voor onroerend erfgoed.