Nee
Artikel 4.7.12. van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening stelt dat het college bevoegd is om de beslissing te nemen over een aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning.
| Aanvragers: | De Becker |
| De aanvraag omvat: | inrichten en wijzigen van bestemming van een werkplaats en opslag naar een eengezinswoning |
| Dossiernummer: | AN9/B/20161584 |
Voorafgaand aan zijn beslissing neemt het college conform artikel 4.7.17 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening kennis van het verslag van de gemeentelijk stedenbouwkundig ambtenaar dat als bijlage bij dit besluit is gevoegd.
De aanvraag omhelst de bestemmingswijziging van een werkplaats naar een woning, deze functiewijziging maakt dat het pand meer aansluit bij de directe omgeving, de Demerstraat is een doodlopende straat met hoofdzakelijk kleine eengezinswoningen.
In artikel 30 –“Autostalplaatsen en autoparkeerplaatsen”- van de bouwcode, §1 ‘Parkeer- en stallingsnormen’ 1° i) wordt aangegeven dat bestaande (garage)poorten in gebouwen met een gevelbreedte van minder dan 8 m bij renovatie kunnen behouden blijven.
Van artikel 12 –“Levendige plint”- kan via artikel 3 –“Afwijkingsmogelijkheid” afgeweken worden. De afmetingen van de garage zijn voldoende groot om een kleine tot medium grote gezinswagen te stallen, in de vrijblijvende ruimte is er nog plaats voor het stallen van 2 fietsen. Het betreft een éénslaapkamerwoning, dus geen eengezinswoning, waar de aanschaf van een kleine stadswagen niet onlogisch lijkt. Een garage van dit formaat is zeker bruikbaar, ook voor gemiddelde stadswagens.
De Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en zijn uitvoeringsbesluiten.
Het college sluit zich gedeeltelijk aan bij het verslag van de gemeentelijk stedenbouwkundig ambtenaar.
Het college beslist de stedenbouwkundige vergunning goed te keuren en af te leveren aan de aanvrager die ertoe gehouden is een afsluiting te voorzien op de perceelsgrens tussen de achtertuin en de spoorwegberm volgens de richtlijnen van artikel 19 –“Tuinafsluitingen”- van de bouwcode.
Uitsluiting: