Op 9 januari 2009 ondertekende de stad Antwerpen het Europese Burgemeesterconvenant of ‘Covenant of Mayors’. Dit convenant is een initiatief van de Europese Commissie. Het heeft tot doel om steden te verenigen in een permanent netwerk voor de uitwisseling van goede praktijken ter bevordering van energie-efficiëntie in de stedelijke omgeving.
Van de deelnemende steden wordt verwacht dat zij ernaar streven verder te gaan dan de Europese 20-20-20 klimaatdoelstellingen. Met deze doelstellingen heeft de Europese Unie toegezegd om de uitstoot van broeikasgassen te verminderen met ten minste 20% tegen 2020, evenals de verhoging van de energie-efficiëntie met 20% en het vergroten van het aandeel van duurzame energie tot 20%. De deelnemende steden dienen een actieplan voor een duurzaam energiebeleid in bij de Europese Commissie. Dit plan bevat een emissie-inventaris van broeikasgassen en een opsomming van de maatregelen om de doelstellingen te bereiken. Voorts wordt er periodiek een voortgangsrapport ingediend bij de Europese Commissie waarin de acties geëvalueerd worden.
Het college keurde op 14 september 2012 (jaarnummer 9577) de gunning goed voor het opmaken van een emissie-inventaris voor de jaren 2010 (uitvoering in 2012), 2012 (uitvoering in 2014) en 2014 (uitvoering in 2016). Op 17 mei 2013 (jaarnummer 4880) nam het college kennis van de resultaten van de actualisering van de emissie-inventaris van broeikasgassen voor het jaar 2010. Op 6 juni 2014 (jaarnummer 6029) nam het college kennis van de resultaten van de actualisering van de emissie-inventaris van broeikasgassen voor het jaar 2012.
Resultaten
Deze emissie-inventaris kadert inde ondertekening van het Europees Burgemeestersconvenant. Hierin wordt gesteld dat er een nulmeting van de CO2-emissies dient te gebeuren voor een gekozen referentiejaar. Voor de stad Antwerpen is 2005 het referentiejaar. Om de voortgang in het stedelijk energie- en klimaatbeleid in kaart te brengen werden de cijfers tot nu toe tweejaarlijks geactualiseerd. Het voorliggend rapport is de actualisering van de emissie-inventaris voor het stedelijk grondgebied van de stad Antwerpen voor het jaar 2012. Het bevat ook beperkte updates van de CO2 emissie-inventarissen 2005, 2007 en 2010. Deze updates betreffen voornamelijk de emissies van het wegverkeer (de Vlaamse Milieumaatschappij is overgeschakeld op een ander verkeersmodel), gewijzigde opsplitsing handel en diensten, correctie van de electriciteitsfactor industrie ETS en bijschatting van de niet-energetische emissies in de sector industrie niet-ETS.
De emissie-inventaris wordt op twee manieren gepresenteerd. De eerste presentatievorm bevat de cijfers die aan het Europese bureau van het Burgemeestersconvenant overgemaakt zullen worden. De tweede presentatievorm bevat de totale uitstoot van broeikasgassen op het stedelijk grondgebied, inclusief de uitstoot van de ETS-industrie (ETS = emissions trading scheme, het systeem van verhandelbare emissierechten voor energie-intensieve industrie), van de lokale energieproductie bij deze bedrijven en van de zeevaart, de luchtvaart, de natuur en de landbouw. Deze sectoren zijn niet vereist voor de rapportage voor het Burgemeestersconvenant aangezien ze grotendeels buiten het bereik van stedelijk beleid vallen en minder geschikt zijn om de voortgang van dat stedelijk beleid op te volgen.
Rapportage voor Burgemeestersconvenant (exclusief ETS, zee- en luchtvaart, natuur en landbouw)
| kiloton CO2-equivalent | 2005 | 2007 | 2010 | 2012 | 2014 | 2014 tov 2005 |
| residentieel | 1.093 | 1.064 | 960 | 858 | 877 | -20% |
| handel en diensten (excl. stedelijke diensten) | 695 | 814 | 714 | 644 | 688 | -1% |
| transport (excl. stedelijke vloot, zee- en luchtvaart) | 908 | 952 | 891 | 879 | 913 | +0% |
| industrie (niet-ETS) | 556 | 349 | 300 | 356 | 234 | -33% |
| lokale energieproductie (niet-ETS) | 258 | 277 | 223 | 234 | 183 | -29% |
| stedelijke diensten | 130 | 118 | 99 | 81 | 84 | -36% |
| stedelijke vloot | 8 | 8 | 9 | 10 | 12 | +22% |
| totaal | 3.655 | 3.591 | 3.206 | 3.139 | 3.135 | -14% |
Totale rapportage (inclusief ETS, zee- en luchtvaart, natuur en landbouw)
| kiloton CO2-equivalent | 2005 | 2007 | 2010 | 2012 | 2014 | 2014 tov 2005 |
| residentieel | 1.044 | 952 | 910 | 808 | 869 | -17% |
| handel en diensten (incl. stedelijke diensten) | 748 | 895 | 718 | 688 | 757 | +1% |
| transport (incl. stedelijke vloot, zee- en luchtvaart) | 1.194 | 1.239 | 1.185 | 1.181 | 1.198 | +0% |
| industrie (ETS en niet-ETS) | 13.435 | 11.137 | 11.950 | 11.318 | 13.489 | +0% |
| lokale energieproductie (ETS en niet-ETS) | 906 | 1.558 | 1.538 | 1.467 | 784 | -14% |
| natuur en landbouw | 7 | 6 | 16 | 12 | 14 | + 99% |
| totaal | 17.333 | 15.802 | 16.316 | 15.473 | 17.111 | -1.3% |
Het verschil tussen de twee tabellen van (vooral) de residentiële sector vindt zijn oorsprong in de wijze waarop de emissies van al dan niet lokale elektriciteitsproductie verrekend moeten worden. Lokale elektriciteitsproductie heeft een gunstigere CO2-emissiefactor dan de gemiddelde Belgische energiemix. De hoge lokale productie in de ETS-industrie (17,1% van totale elektriciteitsverbruik) weegt positief op emissiefactor in de totale rapportage. uitstoot per kWh.
Bespreking per sector
De totale uitstoot in 2014 op het stedelijk grondgebied Antwerpen bedroeg 17.111 kTon (kiloton) CO2. In 2005 was deze 17.333 kTon. Ten opzichte van 2005 stellen we een totale daling vast van -1,3%.
De totale emissies van stedelijk grondgebied Antwerpen die onder de rapportering van Covenant of Mayors vallen, bedroegen 3.135 kTon in 2014. Dit is een daling met 14,2% ten opzichte van referentiejaar 2005.
Residentieel / huishoudens
De sector huishoudens heeft een resultaat dat 20% lager ligt dan in 2005. Dit resultaat is zeker opmerkelijk aangezien de bevolking in Antwerpen met 9,9% toenam sinds 2005. De samenstelling van deze reductie bestaat uit: 12% daling door een reductie van het (graadgecorrigeerd) energieverbruik bij de huishoudens, en daar bovenop 3% door een daling van de emissiefactor voor elektriciteit ten opzichte van 2005. De overige 5% reductie volgt uit een switch in het aandeel stookoliegebruikers naar aardgas.
Mogelijke verklaringen voor de daling in energieverbruik zijn te vinden in de renovatiegraad (2,5%) bij sociale renovatie in Antwerpen, verbeterde performantie bij (ver)nieuwbouw, de actieve stedelijke werking via het Ecohuis. Het Ecohuis bereikte in 2012 een totaal aantal inschrijvingen op energiescans, samenaankoop groene stroom, groene leningen en energiepremies van 13.775. In 2014 steeg dit tot 19.059 deelnames.
Handel en diensten
Het resultaat van de sector Handel & diensten ligt 6% lager ligt dan in 2005, ondanks een hoger energieverbruik (+12%). De verklaring hiervoor is sterke aanwezigheid van stookolieverbruik in 2005, dat nu plaats heeft gemaakt voor aardgasgebruik. Het stookolieverbruik is gedaald met 42%, het aardgasgebruik gestegen met 28%. In deze sector is er duidelijk nog potentieel voor wat betreft reductie van emissies door het voeren van een gericht beleid.
Transport
De uitstoot van de sector transport onder Covenant of Mayors (zonder lucht- en zeevaart) blijft constant. De totale emissies voor wegverkeer zijn met 5% gestegen ten opzichte van 2005. Het aandeel van het wegverkeer bedraagt 92% van de totale transportemissies. De uitstoot door personenwagens heeft het overheersende aandeel in de CO2-emissies. Het aandeel nieuw verkochte wagens met een lage CO2-uitstoot blijft stijgen. Maar doordat het wagenpark blijft groeien en het aantal kilometer dat gereden wordt op jaarbasis blijft stijgen, nemen de CO2-emissies door personenwagens nog altijd toe. De CO2-emissies door het zware vrachtverkeer blijft de laatste jaren op hetzelfde niveau. De emissies van tramverkeer zijn weggevallen door de overschakeling op 100% hernieuwbare energie. Binnenvaart en spoorverkeer tekenen een significante reductie op in emissies.
In de totaalrapportage (inclusief lucht- en zeevaart) blijft de transportsector stabiel ten opzichte van 2005. Wegverkeer blijft verantwoordelijk voor de grootste emissies binnen de categorie transport met 72% van de totale emissies (inclusief stedelijke vloot). De emissies voor wegverkeer zijn met 5% gestegen ten opzichte van 2005.
Industrie
De emissies van de sector industrie (niet-ETS) zijn ten opzichte van 2005 met 33% afgenomen. De grootste subsector is vandaag de voedingsnijverheid. In 2005 waren dit nog metaalverwerkende nijverheid en chemie. De afname van de impact van de metaalverwerkende nijverheid kan, met grote terughoudendheid, verklaard worden door de impact van de sluiting van Opel Antwerpen (ETS) op zijn toeleveringsbedrijven.
Met ongeveer 13.500 kTon aan CO2-emissies is de Antwerpse ETS-industrie veruit de grootste bron van broeikasgassen op stedelijk grondgebied. In 2012 tekende de sector industrie nog voor een reductie van 16% ten opzichte van 2005. In 2014 is ETS terug op het niveau van 2005. In 2013 startte de derde handelsperiode van ETS. Dit hield een verdere uitbreiding (meer gassen en meer activiteiten) in van de activiteiten die onder het ETS vallen. Deze uitbreiding van het toepassingsgebied betekent voor Vlaanderen een niet onbelangrijke verschuiving van emissiebronnen (en emissies) naar het ETS, die vooral merkbaar is in de deelsector chemie. Een groot deel van die sector chemie is aanwezig op het Antwerps grondgebied. De grote stijging van de sector chemie ETS tussen 2012 en 2014 kan niet toegeschreven worden aan een verschuiving van chemie niet-ETS naar chemie ETS gezien de grootte-orde van de verschillen (+2.054 kTon ETS versus -2 kTon niet-ETS).
Lokale energieproductie
Windenergie nam toe van 8.723 MWh in 2005 naar 66.177 MWh in 2014 en electriciteitsproductie door PV-panelen nam toe van 4 MWh in 2007 naar 47.682 MWh in 2014. Dit zijn spectaculaire toenames in hernieuwbare energie en zij vertegenwoordigen nu samen 7,9% van de totale energieproductie in Antwerpen.
Landbouw en natuur
Landbouw en natuur hebben in Antwerpen geen significant aandeel in de CO2-emissies en -opname.
Stedelijke diensten en vloot
De stedelijke diensten tekenen een reductie van 32% aan CO2-emissies op. Zonder de vloot is deze reductie 36%. Dit is grotendeels toe te schrijven aan de overschakeling op een groenestroomcontract (-21%), de emissiefactor elektriciteit (-4%) en de afname van energieverbruik (-11%).De stedelijke vloot stijgt met 19% t.o.v 2005 en kent nagenoeg hetzelfde als in 2012. Er zijn reeds grote inspanningen gedaan bij de lichte wagens, maar de verbruiken door vuilnis- en veegwagens blijven de emissies van de stedelijke vloot domineren.
Conclusie
Uit de rapportage voor het Burgemeestersconvenant blijkt voor 2014 een totale uitstoot van 3.135 kTon CO2-equivalenten. Dit is een daling van 14% in vergelijking met 2005. In de totaalrapportage (inclusief ETS) is er in 2014 1,3% minder CO2 uitgestoten dan in 2005.
De ambities van Stad Antwerpen voor het totaal van broeikasgassen conform het Burgemeestersconvenant is een reductie met 20% tegen 2020 ten opzichte van de emissies in 2005. Vandaag tekenen we een reductie op voor 2014 met -14,2%. Wanneer we de ambitie van -20% lineair zouden uitzetten zouden we in 2014 een reductie van -12% moeten gemeten hebben. Strikt genomen zitten we dus op koers om de doelstelling te halen, maar een aantal factoren verdient toch de aandacht:
De ambitie van de stad Antwerpen voor de stedelijke diensten en stedelijke vloot is een halvering (-50%) van de emissies van de stedelijke diensten. Om die doelstelling over een periode van 15 jaar (2005-2020) te halen zou, in een lineaire vertaling, in 2014 een reductie van -32% moeten vastgesteld zijn om op koers te zitten. Dit is nu -32% voor diensten en vloot samen, wat betekent dat de stad momenteel op koers zit om de doelstelling van -50% te behalen. Bovendien zullen veel van de acties die stad Antwerpen al heeft ondernomen voor zijn gebouwen in de toekomst verder zichtbaar worden. Een belangrijk aandachtspunt blijft de stedelijke vloot waarvan de emissies in 2014 nog 22% hoger liggen dan in 2005.
De graaddagcorrectie verbergt mooiere resultaten. Door de toepassing van de graaddagcorrectie wordt het mogelijk om warme en koude jaren met elkaar te vergelijken. De methodiek zorgt echter voor een sterke overschatting van de graadgecorrigeerde verbruiken. 2014 was een warm jaar. In 2014 was de correctie 29,3 %, in 2012 1,5%.
Verder gebruik van de gegevens
De resultaten van de emissie-inventaris zullen ontsloten worden voor de stedelijke diensten en het grote publiek. De cijfergegevens worden overgemaakt aan de Europese Commissie in het kader van het Burgemeestersconvenant.
Het college neemt kennis van de resultaten van de emissie-inventaris van broeikasgassen voor het jaar 2014.
Het college geeft volgende opdracht:
| Dienst | Taak |
| SW/EMA | rapportering van de cijfergegevens aan de Europese Commissie in het kader van het Burgemeestersconvenant |