Terug

2017_CBS_03302 - Gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan Nieuw Zuid - Definitieve vaststelling onteigeningsplan. Goedkeuring zelfrealisatieovereenkomst - Goedkeuring

college van burgemeester en schepenen
vr 14/04/2017 - 09:00 digitaal
Goedgekeurd

Samenstelling

Aanwezig

Bart De Wever, burgemeester; Caroline Bastiaens, schepen; Ludo Van Campenhout, schepen; Claude Marinower, schepen; Marc Van Peel, schepen; Fons Duchateau, schepen; Roel Verhaert, stadssecretaris

Afwezig

Koen Kennis, schepen; Rob Van de Velde, schepen; Nabilla Ait Daoud, schepen; Serge Muyters, korpschef

Secretaris

Roel Verhaert, stadssecretaris

Voorzitter

Bart De Wever, burgemeester
2017_CBS_03302 - Gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan Nieuw Zuid - Definitieve vaststelling onteigeningsplan. Goedkeuring zelfrealisatieovereenkomst - Goedkeuring 2017_CBS_03302 - Gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan Nieuw Zuid - Definitieve vaststelling onteigeningsplan. Goedkeuring zelfrealisatieovereenkomst - Goedkeuring

Motivering

Gekoppelde besluiten

Onderzoek

Een openbaar onderzoek vond plaats van 8 augustus 2016 tot en met 22 augustus 2016.

Tijdens deze periode ontving de stad Antwerpen enerzijds een verzoek tot zelfrealisatie en anderzijds bezwaarschriften.

Algemene financiƫle opmerkingen

De financiële gevolgen zullen in de begrotingsopmaak 2018 gecompenseerd worden voorzien.

Aanleiding en context

Met het besluit van de deputatie van de provincie Antwerpen van 17 juli 2014 werd goedkeuring verleend aan het ruimtelijk uitvoeringsplan (RUP) Nieuw Zuid dat de gemeenteraad van Antwerpen op 26 mei 2014 definitief vastgesteld heeft (jaarnummer 447).

In zitting van 22 februari 2016 besliste de gemeenteraad (jaarnummer 122) om het onteigeningsplan RUP Nieuw Zuid voorlopig vast te stellen.

Dit besluit werd verdaagd in de zitting van 31 maart 2017 (jaarnummer 3065) en in zitting van 7 april 2017 (jaarnummer 3302).

Argumentatie

De basisfinaliteit van huidig besluit is de volledige realisatie van het RUP Nieuw Zuid.

Uit de toelichtingsnota bij het ruimtelijk uitvoeringsplan (RUP) Nieuw Zuid blijkt een zeer specifieke ontwikkelingsvisie van de stad Antwerpen. In de toelichtingsnota bij het RUP Nieuw Zuid wordt inzake de finaliteit ervan volgende overwogen:

“Het plangebied van het RUP Nieuw Zuid beslaat een deel van de Scheldekaaien, het projectgebied Nieuw Zuid en de aangrenzende bouwblokken.
Het programma voor Nieuw Zuid en de Scheldekaaien is een verdere verfijning van de strategische ruimtes bepaald in het Strategisch Ruimtelijk Structuurplan Antwerpen. Dit geldt ook voor de Konijnenwei (inclusief op- en afritten R1) en de Singel maar vanwege de selectie van de Singel op Vlaams niveau en omdat concreet ontwerpmatig onderzoek nog opgestart moet worden, zullen de Singel (verplaatsing en herinrichting van de vrijkomende ruimte) en de Konijnenwei in een later planproces aan bod komen. Het RUP Nieuw Zuid zal op dat moment gedeeltelijk vervangen moeten worden. Het projectgebied Nieuw Zuid is grotendeels in eigendom van de ‘Ontwikkeling Nieuw Zuid NV en zal op korte termijn worden ontwikkeld in functie van een stadsuitbreiding. Aan de westelijke zijde van het projectgebied Nieuw Zuid streeft de stad Antwerpen via de Scheldekaaien een versterking van de relatie tussen de Schelde, de kernstad en de nieuwe stadsuitbreiding na. De krijtlijnen voor de heraanleg van de Scheldekaaien werden vastgelegd in het Masterplan Scheldekaaien, opgemaakt door de stad Antwerpen en Waterwegen en Zeekanaal NV. De heraanleg van dit zuidelijke deel van de Scheldekaaien zal een belangrijke impuls betekenen voor Nieuw Zuid, en omgekeerd. Beide ontwikkelingen kunnen elkaar wederzijds versterken.
(…)
Voor de realisatie van dit masterplan (opgesteld door het ontwerpteam rond Secchi - Vigano) is de opmaak van een ruimtelijk uitvoeringsplan nodig. Het ruimtelijk uitvoeringsplan zal het masterplan (met bijhorende beeldkwaliteitseisen) juridisch verankeren door de bestemmingen en inrichtings- en beheervoorschriften vast te leggen. Het masterplan is hiervoor richtinggevend.
(…)
Het projectgebied Nieuw Zuid omvat in hoofdzaak gronden waarop het gewestplan van toepassing is maar ook het bouwblok ten westen van de Jan Van Gentstraat en een deel van de Bolivarplaats. Dit gebied ligt binnen de plancontour van het recent opgemaakte RUP Binnenstad. De reden waarom de huidige stedenbouwkundige voorschriften voor dit gebied worden opgeheven en vervangen door andere, komt voort uit de gewijzigde context. Immers de ontwikkeling van de wijk Nieuw Zuid en de realisatie van een park, verandert de ontwikkelingsmogelijkheden voor de onmiddellijke omgeving drastisch en vereist tegelijkertijd dat het een rol als schakel tussen ‘Zuid’ en ‘Nieuw Zuid’ opneemt. Het is vanuit die optiek dat de nieuwe stedenbouwkundige voorschriften worden toegekend.”

De ontwikkelingsvisie van de stad wordt in de toelichtingsnota zeer specifiek toegelicht:

“2.1 Ambitie
De ambitie van de stad met betrekking tot het plangebied is 5-ledig.

ambitie 1: een groen stadsdeel aan het water_ Naar analogie met het Eilandje in het noorden van de stad is het de ambitie dat dit zuidelijk stadsdeel de relatie tussen stad, water en open groene ruimte maximaal versterkt. De site biedt ook opportuniteiten om tegemoet te komen aan het tekort aan open groene ruimte dat momenteel in de omliggende wijken wordt ervaren. Er werd voluit gekozen voor het versterken van ecologische verbindingen op schaal van de stad, maar ook uit het voorzien van een divers aanbod aan open ruimte op schaal van de wijk en buurt.

ambitie 2: een aantrekkelijk en vitaal stadsdeel_ Nieuw Zuid biedt, aansluitend bij de binnenstad, unieke kansen voor een aanzienlijke uitbreiding van de kernstad. Om deze uitbreiding een meerwaarde te laten zijn voor de omliggende wijken en voor de stad als geheel, is een sterk gevarieerde functionele invulling belangrijk.

ambitie 3: een verkeersstructuur op maat_ Nieuw Zuid ligt in de onmiddellijke nabijheid van het zuidelijke aansluitingscomplex van de Antwerpse Ring. Dit biedt kansen qua bereikbaarheid maar vraagt ook de nodige voorzorg voor de wijk zelf. Er werd gekozen om in te zetten op een duurzaam mobiliteitsbeleid, waarbij de aanwezigheid van het station Antwerpen Zuid en een tramontsluiting troeven zijn. Het STOP-principe werkt door in het gebied door in te zetten op een sterk doorwaadbaar weefsel voor voetgangers en fietsers, mogelijkheden voorzien voor uitbreiding van het netwerk van openbaar vervoer en de realisatie van clusterparkings. De inrichting van het openbaar domein met erfontsluitende straten en paden weerspiegelt maximaal deze ambitie. Het RUP anticipeert op de geplande herconfiguratie en compactere organisatie van het aansluitingscomplex van de R1 en een verplaatsing van de Singel (gebundeld met het aansluitingscomplex) waardoor op termijn de huidige Singel anders ingevuld zal kunnen worden.

ambitie 4: een gezonde en ecologische leefomgeving_ Ook in termen van milieukwaliteit (energie- en waterbeheer) en gezondheid (geluidskwaliteit, bezonning) werden doelstellingen en randvoorwaarden geformuleerd. Dit resulteert in de aanleg van een warmtenet, een systeem van wadi’s in de hele wijk en een oordeelkundige inplanting van de gebouwen in functie van geluid en schaduw.

ambitie 5: een flexibele ontwikkelingsstrategie_ Naast een ruimtelijk kader is het vanzelfsprekend ook belangrijk dat het masterplan en het RUP een organisatorisch kader vormen voor de beoogde gefaseerde ontwikkeling.”

De globale visie van de stad Antwerpen wordt zeer specifiek toegelicht:

“2.2 Globale visie
De globale visie zoals uitgewerkt in het masterplan en doorvertaald in het RUP steunt op drie thema’s die elk op een verschillende schaal spelen.

een stedelijk park ‘à pois’_ Een eerste thema beslaat het ruime gebied, van de kaaien tot het station Antwerpen Zuid. Dit concept toont een interessante bemiddeling tussen de logica van de stad en de logica van het landschap. De harde en zachte ruggengraat uit het s-RSA (doorvertaald in Masterplan Scheldekaaien en Visie Groene Singel) zijn beide aanwezig en herkenbaar, maar worden ook op elkaar betrokken binnen een geïntegreerd verhaal van bebouwing en open ruimte. Zo wordt de grote groene ruimte van de zachte ruggengraat tot aan de Schelde gebracht. De ontwikkeling van de randzone met sport- en spelinfrastructuur legt op functioneel vlak de relatie met de nabijgelegen stadswijken Zuid en Brederode.

Een aantal door infrastructuur ingesloten ruimten zullen op termijn toegankelijk worden gemaakt en gaan daardoor ook als stapsteen fungeren in het overbruggen van de afstand tussen de wijken binnen en buiten de Ring. Segmenten van de spaghettiknoop, die vacant worden na de compactering ervan, worden gerecycleerd om voetgangers- en fietsverbindingen door en over deze infrastructuurknoop te leggen. Het geëquipeerd park kan hierdoor, overeenkomstig de Visie Groene Singel, verdergezet worden richting Kielpark en Hobokense Polder.

Het bestaande landschap wordt nadrukkelijk gerecupereerd en opgewaardeerd waar mogelijk. De nieuwe topografie en vegetatie valoriseren de aangetroffen grond- en groenconditie van het semi-natuurlijk rivierduinenlandschap. Er wordt ingezet op natuurbehoud en –ontwikkeling. Ook water is een vormgevend element. Het park wordt doorprikt met natte zones die profiteren van de topografische condities van het terrein en die het park verrijken met natte stapstenen voor fauna en flora. In en aan de rand van de woonwijk worden wadi’s voorzien die deel zijn van de publieke ruimte maar tegelijk ook een technische functie vervullen in de opvang en recuperatie van regenwater. Zo worden ecologische aspecten van bij aanvang meegenomen als insteek voor het ruimtelijk ontwerp.

een wijkstructuur van striga’s_ In de uitwerking van de woonwijk komt een tweede thema naar voor, namelijk dat van ‘de striga’ als een concept voor de stedelijke structuur. De striga organiseert de nieuwe wijk met een minimale lineaire rationaliteit. Belangrijk is een oriëntatie die verbinding zoekt tussen de kaaizone en het stedelijk park. De striga is een systeem dat maat en sculptuur verleent aan de bouwstroken en een middel om de dichtheid in de wijk te organiseren. Anderzijds is het systeem ook voldoende flexibel om de overgangen naar het bestaande weefsel op een verzorgde manier op te lossen. In alle richtingen is het weefsel doorwaadbaar. Binnen de structuur van een striga is een grote variatie mogelijk aan woningtypologieën, binnen- en buitenruimtes en private en publieke delen. Lokale voorzieningen zoals een school of sporthal kunnen als een iets grotere korrel mee opgenomen worden in deze lineair georganiseerde bouwvelden. Het uitgangspunt is dat de striga een sociale, intergenerationele en functionele vermenging moet faciliteren.

‘innovatieve woonvormen_ Een derde thema situeert zich op schaal van de woning. Onder de noemer ‘groter en goedkoper’ wordt een woningtypologie voorgesteld waarin rond een compacte en geklimatiseerde kern een buitenschil zit die buiten- of semibuitenruimtes huisvest. Hierdoor kan een grotere woonoppervlakte gerealiseerd worden zonder dat de bouw- en onderhoudskosten navenant stijgen. Het uitgangspunt is om duurzaamheid eerste instantie niet zozeer in de technologische hoogstandjes te zoeken, maar in correcte basiskeuzes m.b.t. zonoriëntatie, slagschaduwbeperking, compactheid en clustering, etc.”.

Samen met de vaststelling van het RUP Nieuw Zuid werd geen onteigeningsplan vastgesteld. In de toelichtingsnota werd dan ook niet overwogen dat onteigening noodzakelijk zou zijn. Het feit dat niet simultaan met het RUP een onteigeningsplan werd vastgesteld belet uiteraard niet dat a posteriori een onteigeningsplan kan worden vastgesteld en een onteigeningsmachtiging kan worden aangevraagd. Meer nog, deze mogelijkheid wordt uitdrukkelijk voorzien in de VCRO, meer bepaald in artikel 2.4.4. §2. Op grond van artikel 2.4.3. § 1 VCRO kan elke verwerving van onroerende goederen, vereist voor de verwezenlijking van de ruimtelijke uitvoeringsplannen, door onteigening ten algemenen nutte tot stand worden gebracht. Een overheid die initieel geen onteigeningsplan vaststelde ter verwezenlijking van een ruimtelijk uitvoeringsplan, kan dit, na voortschrijdend inzicht, nadien nog wel kan doen.

Het RUP Nieuw Zuid is immers vastgesteld om tegemoet te komen aan een reële noodzaak om de woongelegenheid in de stad Antwerpen substantieel uit te breiden. De ontwikkeling van de stad Antwerpen vereist ook daadwerkelijk dat dit ruimtelijk uitvoeringsplan daarom ook wordt gerealiseerd en dat de realisatie niet op de lange baan wordt geschoven of beperkt wordt door een gebrek aan totale visie, aanpak en ontwikkeling.

Bovendien volgt uit de eigenomssituatie dat het volledige RUP Nieuw Zuid niet spontaan op middelkorte termijn zal kunnen worden gerealiseerd. 

  • Het grootste gedeelte van het projectgebied Nieuw Zuid is in eigendom van Only Land nv (een private projectontwikkelaar.
  • De overige delen zijn eigendom van overheidsinstanties,zo blijkt uit hun bezwaren tijdens het openbaar onderzoek geformuleerd, die duidelijk niet de intentie hebben om het RUP Nieuw Zuid te realiseren. Zij wensen hun huidige functies op de betreffende locaties te behouden.

Gelet op de specificiteit van de ruimtelijke doelstellingen en de ontwikkelingsvisie van de stad Antwerpen en gelet op het feit dat de stad Antwerpen het noodzakelijk acht dat het volledige projectgebied Nieuw Zuid ook daadwerkelijk op middelkorte termijn zal worden ontwikkeld in overeenstemming met deze zeer specifieke ontwikkelingsvisie, is het aangewezen dat ter verwezenlijking van het RUP Nieuw Zuid een onteigeningsplan moet worden goedgekeurd en een onteigeningsmachtiging moet worden aangevraagd. Het onteigeningsplan is het instrument bij uitstek om bij een versnipperde eigendomsstructuur en gegeven het feit dat bepaalde eigenaars absoluut niet de intentie hebben om tot realisatie van het RUP over te gaan, om toch een realisatie van het RUP Nieuw Zuid mogelijk te maken.

Gelet op de hierboven aangetoonde specificiteit van de ruimtelijke doelstellingen en de ontwikkelingsvisie van de stad Antwerpen en gelet op het feit dat de gemeenteraad van de stad Antwerpen het noodzakelijk acht dat het volledige projectgebied Nieuw Zuid ook daadwerkelijk zal worden ontwikkeld in overeenstemming met deze zeer specifieke ontwikkelingsvisie, en dat het in de ogen van de gemeenteraad noodzakelijk is dat het volledige gebied dat is begrepen door het voorontwerp van onteigeningsplan vanuit eenzelfde visie en op harmonische en geordende wijze wordt ontwikkeld, is de gemeenteraad van oordeel dat ter verwezenlijking van het RUP Nieuw Zuid een onteigeningsplan moet worden goedgekeurd en een onteigeningsmachtiging moet worden
aangevraagd.

Op 8 december 2015 (bestelbon 4005154069) werd aan Thomas Collin, beëdigd landmeterexpert, de opdracht gegeven om een onteigeningsplan op te stellen.

Het onteigeningsplan omvat tevens een zone waarvoor in het RUP een overgangsmaatregel werd opgenomen ten behoeve van de Federale politie en AWV.(Stedenbouwkundige voorschriften zone Ce1 – artikel 1.3).

In afwijking van de stedenbouwkundige voorschriften voor deze zone, is in Striga 6 en 7 een overgangsmaatregel van toepassing ter tijdelijke bestendiging van de gemeenschapsvoorzieningen en voorzieningen van openbaar nut die er momenteel aanwezig zijn (Federale politie en Agentschap Wegen en Verkeer van de Vlaamse overheid). Het betreft een overgangsmaatregel die vervalt op het moment dat de huidige gebruikers, zoals gekend op het moment van inwerkingtreding van dit RUP, de site verlaten.

De definitieve vaststelling van het onteigeningsplan is niet strijdig met deze overgangsbepaling. Niettemin wenst de stad Antwerpen er zich toe te engageren niet over te gaan tot onteigening van de gronden die onder het betreffende voorschrift vallen, zonder concreet en daadwerkelijk perspectief voor de bewuste diensten op een objectief volwaardig alternatief. In dit verband herinnert de gemeenteraad eraan dat het RUP Nieuw Zuid niet op zichzelf staat, maar beleidsmatig optimaal gepaard gaat met een nieuwe aanleg en nieuwe plaatsgeving, door de Afdeling Wegen en Verkeer, van de Singel ter hoogte van Nieuw Zuid. Mogelijk kunnen de gelden die AWV ontvangt bij een verwerving van de gronden binnen het RUP, niet alleen worden aangewend voor de realisatie van een nieuwe locatie doch ook voor de betreffende, noodzakelijke mobiliteitswerken. De gemeenteraad meent dat elke verwerving van de betreffende eigendommen moet worden voorafgegaan door intensief overleg en met respect voor de behoeften van elke betrokken partij".

De rechtsgrond van de onteigening is artikel 2.4.3. §1 VCRO. Het algemeen belang ervan is gelegen in de verwezenlijking van het ruimtelijk uitvoeringsplan om daarmee tegemoet te komen aan de actuele ontwikkelingsbehoeften van de stad Antwerpen. De onteigeningsnoodzaak is gelegen in het feit dat de realisatie van het RUP niet op de lange baan mag geschoven worden en dat er bovendien nood is aan een overkoepelende en geïntegreerde aanpak voor de ontwikkeling van alle gronden die in het woongebied binnen de contouren van het RUP gelegen zijn.

Openbaar onderzoek

Tijdens dit openbaar onderzoek, dat liep van 8 augustus 2016 tot en met 22 augustus 2016, ontving de stad Antwerpen een verzoek tot zelfrealisatie enerzijds en bezwaarschriften anderzijds.

Bezwaarschriften

Op 18 augustus 2016 werd door het Agentschap Wegen en Verkeer (AWV) een bezwaar ingediend.

Dit bezwaar is ontvankelijk.

De inhoud van het bezwaar luidt als volgt:

Er is niet voldaan aan de vereiste van algemeen nut.

Er kan slechts onteigend worden ten algemenen nutte.  Dit wil zeggen dat de onteigening de gemeenschap ten goede moet komen.  In dit concrete geval moet vooreerst de vraag worden gesteld of de onteigening wel het algemeen nut dient daar het de ontwikkeling van een nieuwe wijk betreft. Minstens moet worden vastgesteld dat het belang van AWV zwaarder doorweegt en door de onteigening in het gedrang wordt gebracht. Er is dus een strijdigheid met het algemeen nut zoals dit door AWV wordt uitgeoefend.

Uit de volgende argumentatie blijkt duidelijk het belang van de huidige locatie van het districtsgebouw :

Voor het agentschap is het behoud van deze locatie van strategisch belang.  Deze locatie geeft rechtstreeks toegang tot het autosnelwegdomein en meer bepaald tot één van de drukste en meest bereden stukken (waarop dan ook frequent moet kunnen geïntervenieerd worden) en tot de meest gebruikte TERN tunnel.  Deze goede uitvalsbasis vlakbij R1, onderliggend wegennet en Kennedytunnel (vanaf het districtsgebouw kunnen zowel AWW als WPR met dienstwagens de R1 oprijden in beide richtingen, gemakkelijk de E19 Zuid en A12 Zuid en het centrum bereiken) is tevens belangrijk voor de organisatie van strooiactiviteiten voor alle gewest- en autosnelwegen van het district Antwerpen vanaf deze locatie.  Tevens vormt deze locatie de werkplaats en uitvalsbasis van zo’n 60 personen van de afdeling Wegen en Verkeer Antwerpen.  Niet enkel de autosnelwegen en gewestwegen van groot Antwerpen worden vanuit deze site beheerd, ook het beheer, onderhoud en inspectie van de bruggen van de hele provincie Antwerpen gebeurt vanop deze locatie.  Daarenboven zijn op deze locatie ook de collega’s belast met het beheer en onderhoud van alle wegverkeerstunnels in Vlaanderen gevestigd.  Ook voor deze activiteiten van brug- en tunnelbeheer en –onderhoud is de goede ontsluiting van deze locatie zeer belangrijk voor een efficiënte werking.

Op deze locatie bevinden zich zowel een kantoorgebouw als de nodige technische voorzieningen noodzakelijk voor wegenbeheer, bruggenbeheer en tunnelbeheer (kantoren, vergaderruimtes, werkplaatsen, loodsen, opstelplaats strooiers en sneeuwruimers, zoutloods, afvalcontainers, …). Recent werden (met de zekerheid en de toelating tot verder verbouwingen) nog renovatiewerken aan het kantoorgebouw uitgevoerd +/- 1.5 milj. € en is er nog een renovatie van de technische loods gepland voor 1.2 milj. € (studie en ontwerp lopende) en masterplan voor geheel het terrein (incl. herinrichting terrein en milieu-investeringen).

Het algemeen nut van AWV primeert op het voorgestelde algemeen nut zoals vervat in het besluit van de gemeenteraad van de Stad Antwerpen.”

Bespreking van dit onderdeel van het bezwaar:

De voorgenomen onteigening geschiedt ter verwezenlijking van een definitief vastgesteld ruimtelijk uitvoeringsplan, het RUP Nieuw Zuid. Op grond van artikel 2.4.3. §1 VCRO geniet de onteigening ter verwezenlijking van een ruimtelijk uitvoeringsplan een vermoeden van algemeen belang.  Het bezwaar van AWV houdt geen weerlegging in van dit vermoeden van algemeen belang. Er wordt immers niet weerlegd dat de finaliteit van het RUP Nieuw Zuid van algemeen belang is.

Dat de huidige locatie van het districtsgebouw van AWV van algemeen belang is, is mogelijk, maar weerlegt niet dat het onteigeningsdoel in casu, met name de verwezenlijking van een ruimtelijk uitvoeringsplan (ook) van algemeen belang is.

De gemeenteraad merkt ook op dat AWV zich niet heeft verzet tegen het vastgestelde en intussen definitief geworden RUP Nieuw Zuid.

Het eerste onderdeel van het bezwaar is ongegrond. 

  1. Het te onteigenen goed behoort tot het openbaar domein en kan daarom niet onteigend worden.

De gebouwen van AWV maken aanhorigheden van de weg uit die bestemd zijn voor het gebruik door allen.  Aldus zijn deze gebouwen bestemd voor een openbare dienst en is de aanwezigheid van die gebouwen, zoals hierboven reeds werd uiteengezet, in de buurt van de weg noodzakelijk.

Ook de desbetreffende regiepost behoort tot het openbaar domein omdat (i) zij aan het Vlaams Gewest toebehoort en (ii) deze omwille van haar aard nodig is voor een openbare dienst of voor de tegemoetkoming aan een openbare noodwendigheid. De regiepost kan in die functie dan ook door geen enkel andere vervangen worden.

Het openbaar domein is zoals gekend onvervreemdbaar en buiten de handel en kan als dusdanig niet het voorwerp uitmaken van een onteigening.

Dit werd dan ook bevestigd in het RUP Nieuw Zuid zelf :

“In afwijking van de stedenbouwkundige voorschriften voor deze zone, is in Striga 6 en 7 namelijk een overgangsmaatregel van toepassing in functie van de gemeenschapsvoorzieningen en voorzieningen van openbaar nut die er momenteel aanwezig zijn (Federale politie en Agentschap Wegen en Verkeer van de Vlaamse overheid).”

Het onteigeningsplan kan bijgevolg niet van toepassing zijn op de percelen van AWV, aangezien percelen die deel uitmaken van het openbaar domein, niet kunnen worden onteigend.

AWV verzoekt dan ook dat het plan in die zin wordt aangepast zodat de percelen van AWV niet opgenomen worden in het onteigeningsplan.

Bespreking van dit onderdeel van het bezwaar:

In wezen komt het tweede onderdeel van het bezwaar overeen met het eerste onderdeel van het bezwaar. Zonder zich uit te spreken over het feit of de gebouwen en aanhorigheden van AWV behoren tot het openbaar domein, is er geen enkele wettelijke bepaling die verhindert dat gronden van het openbaar domein zouden kunnen worden onteigend. Dat het openbaar domein buiten de handel is, is een zaak, maar impliceert niet dat het openbaar domein niet voor onteigening vatbaar zou zijn. De onteigening is immers gericht op het algemeen nut, doch niet op handel.

Het tweede onderdeel van het bezwaar is ongegrond.

  1. De onteigeningsnoodzaak ontbreekt.

De noodzaak voor een onteigening ontbreekt in casu.  Er is immers geen noodzaak tot onteigenen op basis van het RUP. 

Het RUP voorziet zoals hoger gezegd in een overgangsbepaling op basis waarvan AWV het recht heeft om haar functie aldaar verder uit te oefenen tot zij de site verlaat.

Tijdens de plenaire vergadering betreffende dit RUP werd door AWV gewezen op het belang van het behoud van deze locatie binnen de dienstverlening van het wegendistrict Antwerpen.  Als gevolg hiervan werd de bewuste overgangsbepaling opgenomen in het RUP.  Voor AWV betekende dit dat zij haar activiteiten op deze locatie onbeperkt in de tijd kon blijven uitvoeren. 

Het onteigeningsplan omvat de eigendommen/percelen van AWV wat een contradictie inhoudt met de geest van deze overgangsbepaling ingeschreven in de stedenbouwkundige voorschriften van het RUP.

Dit houdt een schending in van het vertrouwensbeginsel.  De Stad heeft door deze overgangsbepaling en haar houding en beloftes destijds bepaalde gerechtvaardigde verwachtingen gecreëerd.  Door nu een onteigeningsplan op te stellen, honoreert zij deze verwachtingen niet.

In het gemeenteraadsbesluit van 22 februari 2016 staat nochtans letterlijk :

Niettemin wenst de stad Antwerpen er zich toe te engageren niet over te gaan tot onteigening van de gronden die onder het betreffende voorschrift vallen, zonder concreet en daadwerkelijk perspectief voor de bewuste diensten op een objectief volwaardig alternatief.  In dit verband herinnert de gemeenteraad eraan dat het RUP Nieuw Zuid niet op zichzelf staat, maar beleidsmatig optimaal gepaard gaat met een heraanleg en herlocalisatie, door de Afdeling Wegen en Verkeer, van de Singel ter hoogte van Nieuw Zuid.  Mogelijk kunnen de gelden die AWV ontvangt bij een werving van de gronden binnen het RUP, niet alleen worden aangewend voor de realisatie van een nieuwe locatie doch ook voor de betreffende, noodzakelijke mobiliteitswerken.  De gemeenteraad meent dat elke verwerving van de betreffende eigendommen moet worden voorafgegaan door intensief overleg en met respect voor de behoefte van elke betrokken partij.

Evenwel heeft er tot op heden geen overleg plaatsgevonden. 

Bespreking van dit onderdeel van het bezwaar:

Ook het derde onderdeel van het bezwaar van AWV behandelt hetzelfde initiële thema.

De onteigeningsnoodzaak houdt in dat het noodzakelijk is om het betreffende goed te onteigenen ten einde het onteigeningsdoel te kunnen realiseren.  Aangezien AWV niet de intentie heeft het onteigeningsdoel zelf te verwezenlijken en aangezien het onteigeningsdoel niet elders kan worden verwezenlijkt (hetgeen nu eenmaal eigen is aan de verwezenlijking van een bestemmingsplan), is er wel degelijk sprake van onteigeningsnoodzaak.

Het voorhanden zijn van een overgangsbepaling raakt de onteigeningsnoodzaak niet.

Het derde onderdeel van het bezwaar is ongegrond. 

  1. Het RUP kan niet dienen als rechtsgrond. 

Het RUP kan niet dienen als rechtsgrond voor de voorgenomen onteigening.

Volgens het gemeenteraadsbesluit van 22 februari 2016 zou worden onteigend op basis van artikel 2.4.3 VCRO.

Gelet op randnummer 3, m. n. dat aan AWV in het desbetreffende RUP het recht wordt verleend de aan haar verleende taken te blijven uitoefenen, kan de voorgenomen onteigening als vanzelfsprekend niet plaatsvinden ter realisatie van het RUP.

Voor de voorgenomen inname van het perceel van AWV door de Stad Antwerpen ontbreekt dan ook elke rechtsgrond.  Artikel 16 GW stelt nochtans dat elke onteigening slechts kan plaatsvinden in de gevallen bij wet bepaald.  De voorgenomen onteigening is dan ook strijdig met de relevante Grondwettelijke bepalingen.

Bespreking van dit onderdeel van het bezwaar:

Niet valt in te zien waarom ter verwezenlijking van het RUP Nieuw Zuid artikel 2.4.3. §1 VCRO niet als grondslag tot onteigening zou kunnen dienen. Het RUP Nieuw Zuid is niet van de toepassing van artikel 2.4.3. §1 uitgesloten.

Het vierde onderdeel van het bezwaar is in dat opzicht ongegrond.

De gemeenteraad is evenwel uiteraard niet blind voor de overgangsbepaling die in het RUP ten behoeve van AWV is voorzien. Deze overgangsbepaling is evenwel niet van aard de definitieve goedkeuring van het onteigeningsplan te verhinderen in de mate en voor zover dit gebeurt mits naleving van de betreffende voorwaarde en de betreffende gronden slechts worden verworven nadat ten behoeve van AWV een voor AWV aanvaardbaar alternatief kan worden voorzien. De definitieve goedkeuring van het onteigeningsplan verhindert immers niet dat met AWV gesprekken worden gevoerd om tot een regeling te kunnen komen.

  1. Het tracé der werken ontbreekt. 

Er is niet voldaan aan de vereisten van artikel 2 van de wet van 27 mei 1870.  Het onderzoek dient namelijk te worden ingesteld over een ontwerp dat het tracé van het werk en het perceelsgewijze plan omvat.  Dit plan dient de namen van de eigenaars te vermelden volgens de gegevens van het kadaster.

Evenwel ontbreekt het tracé der werken want dit wordt niet voorgelegd in dit openbaar onderzoek, waarvoor dan ook niet is voldaan aan de bepalingen van artikel 2 van voornoemde wet.  Het openbaar onderzoek wordt hierdoor dan ook niet wettig gehouden en kan geenszins aanleiding geven tot het nemen van een formeel onteigeningsbesluit.

Bespreking van dit onderdeel van het bezwaar:

De bedoelde onteigening betreft de onteigening van een bestemmingsplan, het RUP Nieuw Zuid. Het grafisch plan van het ruimtelijk uitvoeringsplan, dat al voorwerp heeft uitgemaakt van een openbaar onderzoek, vormt het plan houdende het tracé der werken zoals bedoeld in artikel 2 van de Administratieve Onteigeningswet van 27 mei 1870. 

Het vijfde onderdeel van het bezwaar is ongegrond.

  1. Het onteigeningsplan komt niet overeen met de werkelijk eigendomssituatie.

Het onteigeningsplan dat voorligt in het openbaar onderzoek, komt niet overeen met de correcte feitelijke eigendomssituatie.

Volgens het KB van 6 december 1991 tot vaststelling van de  lijst van de wegen en van hun aanhorigheden overgedragen aan het Vlaamse Gewest, werden de rijkswachtposten en de bijhorende parkeerplaatsen en terreinen niet overgedragen aan het Vlaamse Gewest.  Het Vlaamse Gewest wordt dan ook foutief voorgesteld als eigenaar van deze percelen. 

Op basis hiervan zou het perceel op het onteigeningsplan gekenmerkt als inneming 13 dus eigenlijk verdeeld moeten worden tussen FOD en AWV.  Op het onteigeningsplan werd dit foutief voorgesteld als nl. 2704L2. Bovendien staat op inneming 16 van het onteigeningsplan een gebouw ingetekend dat in eigendom toebehoort aan Aquafin.  De intekening van dit perceel is dan ook niet correct.

De desbetreffende innemingen zoals aangehaald op het onteigeningsplan, stemmen niet overeen met de feitelijke juiste en correcte eigendomssituatie. Het onteigeningsplan mist om die reden zowel feitelijk als in recht de juiste grondslag.  Het is dan ook onwettig.

Bespreking van dit onderdeel van het bezwaar:

Het onteigeningsplan werd opgemaakt op basis van de meest beschikbare kadastrale gegevens.

De gemeenteraad beschikt niet over de nodige gegevens en AWV deelt ze ook niet nader mee, om te beoordelen of het standpunt van AWV op dit punt correct is. De gemeenteraad meent dat deze kwestie voornamelijk een discussiepunt vormt tussen enerzijds AWV en anderzijds de Regie der Gebouwen.

Gelet op het zakelijk karakter van de onteigening is het bezwaar niet van aard de onteigening te kunnen verhinderen. Discussies over de grond worden na onteigening discussies over de onteigeningsvergoeding.

Het zesde onderdeel van het bezwaar is ongegrond.

  1. Er wordt geen rekening gehouden met de erfdienstbaarheden ten voordele van AWV (zie bijgevoegde stukken).

Op het perceel dat in eigendom toebehoort aan NV Nieuw Zuid (opvolger van NV Herbouville) werd een erfdienstbaarheid voor ondergrondse leidingen gevestigd in het voordeel van AWV.

Het is de eigenaar van dit perceel niet toegestaan om verhardingen aan te brengen of te bouwen op deze leidingen, gelet op het belang hiervan door AWV en voor de afwatering van de Antwerpse ring.

AWV dient deze leidingen te allen tijde te kunnen onderhouden, nakijken en herstellen en verkreeg hiervoor dan ook een recht van doorgang.

Het is dan ook duidelijk dat het behoud van deze leidingen eveneens strekken tot het algemeen nut, namelijk ten behoeve van de correcte afwatering van de ring rond Antwerpen.

De stad Antwerpen heeft niet duidelijk aangegeven wat het lot is van de bestaande erfdienstbaarheden.  Uit de in het openbaar onderzoek gelegde stuken blijkt niet dat de erfdienstbaarheid kan blijven bestaan na deze onteigening. Het project waarvoor werd onteigend, is onverenigbaar met deze erfdienstbaarheid, daar deze duidelijk stelt dat niet gebouwd mag worden of geen verharding mag worden voorzien boven de leidingen en deze altijd toegankelijk moeten blijven voor de wegbeheerder.

Het beëindigen van deze erfdienstbaarheid is geen optie, gelet op het hierboven aangehaalde belang voor de afwatering van de ring rond Antwerpen.

Zoals onder randnummer 1 ook al werd uiteengezet, dient het algemeen nut van AWV te primeren op het beweerdelijk algemeen nut waartoe de onteigening zou strekken.”

Bespreking van dit onderdeel van het bezwaar:

Er is geen enkele bepaling of ongeschreven regel op grond waarvan het beweerde algemeen nut waarop AWV zich beroept zou primeren op het algemeen nut van de ruimtelijke ordening zoals dat is ingebed in een ruimtelijk uitvoeringsplan. Uit de vaststelling van het onteigeningsplan vloeit ook niet de beëindiging van de privaatrechtelijke erfdienstbaarheid voort op het perceel dat, blijkens het bezwaar, toe zou behoren aan de NV Nieuw Zuid.

Het laatste onderdeel van het bezwaar is ongegrond.

Op 18 augustus 2016 werd door Elia een bezwaar ingediend.

Dit bezwaar is ontvankelijk ratione temporis.

De inhoud van het bezwaar luidt als volgt:

“Naar aanleiding van het openbaar onderzoek met betrekking tot het onteigeningsplan “Nieuw Zuid” raadpleegden wij dit dossier.

Elia heeft, als hoogspanningsnetbeheerder, in deze zone (deelgebieden in onteigeningstabel nr. 17 en 18) een 150 kV kabelverbinding 150.371 tussen de hoogspanningsstations Zurenborg en Petrol.  Deze verbinding vormt een essentiële voeding in het regionale elektrisch hoogspanningsnet en dient in stand gehouden te worden.

Wij dienen dan ook bezwaar te formuleren tegen het onteigeningsplan “Nieuw Zuid” met betrekking tot :

  • Onteigeningstabelnr. 17 – kadastraal afdeling 9, sectie l, nr; 2704 o4 (243,16 m²), gezien op dit perceel de verbindingscabine voor de 150 kV kabel is geplaatst.
  • Onteigeningstabelnr. 18 – openbaar domein, gezien zich hier de 150 kV kabel situeert.

Ingesloten vindt u een overzichtsplan en de actuele liggingsplannen van de 150 kV kabel en cabine, alsook de van toepassing zijnde veiligheidsvoorschriften.

Mogen wij u vragen deze bezwaren en opmerkingen op te nemen in de verdere uitwerking van dit dossier. Wij blijven uiteraard beschikbaar voor bijkomende toelichting en steeds bereid tot verder overleg om te komen tot een optimale uitwerking van dit plangebied.”

Bespreking van het bezwaar:

Het standpunt van Elia mist wettelijke grondslag. Uit geen enkele bepaling volgt dat het voorhanden zijn van nutsvoorzieningen op een bepaald onroerend goed tot gevolg zou hebben dat dat onroerend goed niet zou kunnen worden onteigend.

Het bezwaar is ongegrond.

Op 18 augustus 2016 werd door Eandis een bezwaar ingediend.

Dit bezwaar is ontvankelijk ratione temporis.

De inhoud van het bezwaar luidt als volgt:

“In antwoord op uw brief dd. 19 juli 2016, waarin u ons op de hoogte brengt van bovengenoemd onteigeningsplan, melden wij u dat zich op betrokken perceel 150 kV-hoogspanningsinstallaties bevinden van netbeheerder Elia (cabine + kabel), welke zeker dienen te behouden worden.

Wij dienen hierbij dan ook bezwaar te formuleren tegen het onteigeningsplan ‘Nieuw Zuid’ met betrekking tot dit perceel.

Alvast bedankt om ons bezwaar op te nemen in dit dossier.”

Bespreking van het bezwaar:

Het standpunt van Eandis mist wettelijke grondslag. Uit geen enkele bepaling volgt dat het voorhanden zijn van nutsvoorzieningen op een bepaald onroerend goed tot gevolg zou hebben dat dat onroerend goed niet zou kunnen worden onteigend.

Het bezwaar is ongegrond.

Op 18 augustus 2016 werd door Eurostation een bezwaar ingediend.

Dit bezwaar is ontvankelijk ratione temporis.

De inhoud van het bezwaar luidt als volgt:

“Wij ontvingen in goede orde uw aangetekend schrijven van 19 juli 2016 waarmee u ons in kennis stelt van het feit dat het onteigeningsplan ‘Nieuw Zuid’, district Antwerpen voorlopig werd vastgesteld en dat dit onteigeningsplan betrekking heeft op het volgende perceel, onze eigendom : afdeling 11, sectie L, nr. 3917 R, 400,92 m².

Wij verzoeken u beleefd te willen noteren dat wij ons formeel verzetten tegen de voorgenomen onteigening.  De Raad van Bestuur van Eurostation heeft zich op 28 juni 2016 formeel akkoord verklaard met de verkoop van voormelde grond aan de Groep ‘Triple Living’, die thans overgaat tot de gehele ontwikkeling van het project in overleg en in samenspraak met de Stad Antwerpen.  Wij menen dat een onteigening dan ook niet noodzakelijk is voorde realisatie van het RUP Nieuw Zuid, rekening houdende met de gemaakte afspraken tussen de Stad Antwerpen en de Groep ‘Triple Living’.

De notariële verkoopsakte tussen Eurostation NV en de Groep ‘Triple Living’, zal in principe worden verleden voor de studie van notaris Jan Boeykens te Antwerpen in de loop van de maand september 2016.

Wij blijven intussen te uwer beschikking voor eventuele verdere toelichting.”

Bespreking van het bezwaar:

Uit het bezwaar zelf blijkt dat er een formeel akkoord is tussen de partijen. Eurostation verzet zich niet in wezen tegen de voornomen onteigening, maar geeft aan dat er een akkoord bestaat met de private grondeigenaar. De gemeenteraad ziet geen reden om daar aan te twijfelen en neemt er akte van dat Eurostation zich niet formeel verzet tegen de onteigening zelf. 

Op 22 augustus 2016 werd namens de Federale Dienst Regie der Gebouwen een bezwaar ingediend.

Dit bezwaar is ontvankelijk ratione temporis.

De inhoud van het bezwaar luidt als volgt “

1.    Artikel 1128 Burgerlijk Wetboek bepaalt als volgt:

“Alleen zaken die in de handel zijn, kunnen het voorwerp van een overeenkomst uitmaken.”

2.    De inneming die in het onteigeningsplan aangeduid is als inneming 14, betreft de eigendom van bezwaarindiener, een federale overheid. Betreffende site wordt ter beschikking gesteld voor de Federale Wegpolitie.

3.    Door bovenvermelde eigendom én bestemming van de site en haar gebouwen hierop aanwezig, is inneming 14 niet vatbaar voor onteigening aangezien zij reeds zelf deel uitmaakt van het openbaar domein en bijgevolg niet in de handel is. Het openbaar domein bestaat immers uit die goederen van de overheid die bestemd worden voor het gebruik van allen of voor een openbare dienst. Volgens vaststaande rechtspraak van het Hof van Cassatie behoort een goed tot het openbaar domein doordat het, hetzij door een uitdrukkelijke, hetzij door een impliciete beslissing van de overheid wordt bestemd tot het gebruik van allen, zonder onderscheid van de persoon.

(Cass. 3 mei 1968, Pas. 1968, I, 1033, RW 1968-69, 409, Arr.Cass. 1968, 1100, RCJB 1969, 5; Cass. 18 mei 2007, Arr. Cass. 2007, 1045, JLMB 2007, 1726, NJW 2007, 652, Pas. 2007, 934, DPK 2008, 219, RCJB 2012, 466, noot A. Vandeburle, Rev.Not.B. 2007, 631, RW 2007-08, 736, TBBR 2008, 550, TBO 2008, 550, TBO 2008, 9, TBP 2008, 495, T. not., 2009, 32.)

4.    De site wordt gebruikt voor de activiteiten van de Federale Wegpolitie, die instaat voor de veiligheid van het federale wegennet. Omwille van de ligging van het perceel met aansluitingen op alle belangrijke federale wegen, is het belang van deze site van strategische aard. Zo is de ligging ervan uniek: net boven het knooppunt rond de Kennedeytunnel maar eveneens zeer vlot bereikbaar via de “gewone weg”. Dat maakt dat interventieploegen, maar ook tal van partners (AWV, FAST, Brandweer, …) bij evenementen of in standaard noodhulp via de dienstwegen zich naar alle mogelijke richtingen bijzonder snel kunnen begeven. Het netwerk hier voorziet aansluitingen met de E17, de ring (R1), de A12, etc. en dit via de snelst mogelijke toegangsroutes. Gelet op de aard van de activiteiten (noodhulp, intercepties van ANPR-hits oa terro, …) en het belang van een snel optreden (veiligheid van mensen, mobiliteit rond Antwerpen) zijn de troeven van de ligging van het perceel onmisbaar voor een snelle en adequate noodhulpverlening.

5.    Bovendien is de verkeerspost Antwerpen de grootste van België, met 61 mensen die er tewerkgesteld worden. Ook bevindt zich hier het provinciaal magazijn (waar alles qua logistiek voor de hele provincie wordt gecentraliseerd en opgeslagen en dat vlot bereikbaar is met een vrachtwagen) én het provinciaal gerechtelijk bureel, waar alle operationele administratie wordt gecentraliseerd en waar alle klanten worden ontvangen.

6.    Op vlak van voertuigen is hier een groot bestand aanwezig: 14 moto’s, 9 auto’s met striping, 4 anonieme voertuigen en 2 T5 bestelwagens (waaronder 1 met drone voor fotogrammetrie). Er is een buitenparking die voldoende groot is om geïntercepteerde voertuigen (heel vaak 44 ton) te stallen in afwachting van het betalen van boetes. De verkeerspost herbergt eveneens een helihaven die gebruikt wordt door de eigen helikopters van de Federale Politie of door medische heli’s van het brandwondencentrum ZNA. Eveneens doet de verkeerspost dienst als safe place voor VIP’s.

7.    Het gebouw van de Federale wegpolitie behoort, net zoals een Ministerie of een militair domein, uit diens bestemming tot het openbaar domein.

8.    Op basis van het voorgaande is duidelijk dat deze site tot de eigendom behoort van de federale overheid en dat door de functie en het gebruik ervan bestemd is voor een openbare dienst. Betreffende site behoort aldus ontegensprekelijk tot het openbaar domein.

9.    Het openbaar domein is onvervreemdbaar en buiten de handel, en kan niet het voorwerp van een onteigening uitmaken.”

Bespreking van dit onderdeel van het bezwaar:

In wezen komt het tweede onderdeel van het bezwaar overeen met het eerste onderdeel van het bezwaar. Zonder zich uit te spreken over het feit of de gebouwen en aanhorigheden van De Regie der Gebouwen behoren tot het openbaar domein, is er geen enkele wettelijke bepaling die verhindert dat gronden van het openbaar domein zouden kunnen worden onteigend. Dat het openbaar domein buiten de handel is, is een zaak, maar impliceert niet dat het openbaar domein niet voor onteigening vatbaar zou zijn. De onteigening is immers gericht op het algemeen nut, doch niet op handel. Een bepaling uit het burgerlijk wetboek kan de onteigening gericht op het algemeen nut niet verhinderen. Uit geen enkele bepaling of ongeschreven regel volgt bovendien het algemeen belang waarop de Regie der Gebouwen zich beroept van een hogere aard zou zijn dan het algemeen belang dat voortvloeit uit de ruimtelijke ordening.

Het eerste onderdeel van het bezwaar is ongegrond. 

STRIJDIGHEID RUP

10. Letterlijk genomen vereist artikel 16 van de Grondwet de cumulatieve vervulling van vier voorwaarden alvorens “iemand van zijn eigendom kan worden ontzet ten algemenen nutte” . Bepaald wordt dat slechts onteigend kan worden ten algemenen nutte (1), in de gevallen bij de wet bepaald (2), op de wijze bij de wet bepaald (3) en tegen een billijke en voorafgaande schadeloosstelling (4).

(S. Verbist, “Bevoegdheid, machtiging en habilitatie inzake onteigening ten algemenen nutte”, in J. Ghysels en R. Palmans, (eds.), Onteigeningen. De voorgaande fase, intersentia, 2006, 4.)

11In het gemeenteraadsbesluit wordt duidelijk gemeld dat de procedure uit de Wet van 27 mei 1870 houdende vereenvoudiging van de administratieve formaliteiten inzake onteigening ten algemenen nutte (derde voorwaarde) wordt toegepast. Op basis van artikel 3 e.v. van betreffende wet, wordt huidig openbaar onderzoek ook georganiseerd.

12Met betrekking tot de hierboven opgesomde tweede voorwaarde, nl. dat een onteigening enkel kan plaatsvinden in de gevallen bij de wet bepaald, wordt in het gemeenteraadsbesluit dd. 22 februari 2016 volgende wettelijke grondslag aangehaald:

“Op grond van artikel 2.4.3. §1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (VCRO) kan elke verwerving van onroerende goederen, vereist voor de verwezenlijking van de ruimtelijke uitvoeringsplannen, door onteigening ten algemenen nutte tot stand worden gebracht.

 (…)

Gelet op de hierboven aangetoonde specificiteit van de ruimtelijke doestelling en de ontwikkelingsvisie van de stad Antwerpen en gelet op het feit dat de gemeenteraad van de stad Antwerpen het noodzakelijk acht dat het volledige projectgebied Nieuw Zuid ook daadwerkelijk zal ontwikkeld worden in overeenstemming met deze zeer specifieke ontwikkelingsvisie, en dat het in de ogen van de gemeenteraad noodzakelijk is dat het volledige gebied dat is begrepen door het voorontwerp van de gemeenteraad van oordeel dat ter verwezenlijking van het RUP Nieuw Zuid een onteigeningsplan moet worden goedgekeurd en een onteigeningsmachtiging moet worden gevraagd.”

13. De vaststelling van het onteigeningsplan gebeurt aldus ter realisatie van het RUP Nieuw Zuid, zoals wettelijk mogelijk gemaakt in artikel 2.4.3 VCRO en volgende.

14. Bezwaarindiener wenst echter op te merken dat betreffend RUP niet als habilitatie kan gebruikt worden bij betreffende voorgenomen onteigening en het voorlopig vastgestelde onteigeningsplan, minstens niet voor het perceel van bezwaarindiener.

15. Met betrekking tot dit perceel, op het plan aangeduid als inneming 14, wordt in de stedenbouwkundige voorschriften van het RUP Nieuw Zuid immers bepaald als volgt:

             “1.3.  Overgangsbepaling Federale Politie en AWV

In afwijking van de stedenbouwkundige voorschriften voor deze zone, is in Striga 6 en 7 een overgangsmaatregel van toepassing in functie van de gemeenschapsvoorzieningen en voorzieningen van openbaar nut die er momenteel aanwezig zijn (Federale politie en Agentschap Wegen en Verkeer van de Vlaamse Overheid).

Het betreft een overgangsmatregel die vervalt op het moment dat de huidige gebruikers, zoals gekend op het moment van inwerkingtreding van het RUP, de site verlaten.

Alle werken, handelingen en wijzigingen die nodig of nuttig zijn voor het aanbieden van betreffende gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen zijn toegelaten. Het gaat hierbij meer bepaald over het aanpassen en/of uitbreiden van bestaande gebouwen, het oprichten van nieuwe gebouwen, realisatie van constructies en aanleg van verharding en/of beplanting.

Het volume van gebouwen en constructies, de proporties, de verschijningsvorm en de inplanting ervan moeten afgestemd zijn op de bestemming van de zone (zone voor centrumfuncties) en de inrichtingsvoorschriften die van toepassing zijn in zoverre dat dit verenigbaar is met de specifieke functionele eisen verbonden aan betreffende werken, handelingen en wijzigingen. Ook de inrichting van de niet-bebouwde ruimte moet, in zoverre dat dit verenigbaar is met de specifieke functionele eisen verbonden aan betreffende werken, handelingen en wijzigingen, afgestemd zijn op de bestemming van de zone (zone voor centrumfuncties) en de inrichtingsvoorschriften die van toepassing zijn.”

16. Op basis van dit voorschrift uit het RUP, wordt aldus voorzien dat de Federale politie haar activiteiten kan blijven uitoefenen en aldus op het terrein aanwezig kan blijven tot zij zelf de site zou verlaten. Betreffende overgangsbepaling kan niet worden gerijmd met een onteigening zoals vooropgesteld in het besluit van de gemeenteraad en het voorlopig vastgesteld onteigeningsplan. Meer nog, het is hiermee zelfs flagrant tegenstrijdig! In het RUP wordt immers duidelijk voorzien dat de bestaande activiteit kan behouden blijven en wordt in een overgangsbepaling voorzien gebaseerd op het feit dat men een toekomstvisie heeft voor de site en deze op termijn wel wenst te ontwikkelen, terwijl in de voorlopige vaststelling het tegenovergestelde wordt gemeld nl. dat de ontwikkeling niet op de lange baan geschoven mag worden:

“(…)

De onteigeningsnoodzaak is gelegen in het feit dat de verwezenlijking van het RUP niet op de lange baan mag geschoven worden en dat er bovendien nood is aan een overkoepelende en geïntegreerde aanpak voor de ontwikkeling van alle gronden die in het woongebied binnen de contouren van het RUP gelegen zijn.”

 17. Gelet op deze flagrante tegenstrijdigheid, kan op geen enkele wijze worden aangenomen dat de voorgenomen onteigening gebeurt ter realisatie van het RUP, die een ontwikkeling van de site wél over een verdere toekomst ziet gelet op de opgenomen overgangsbepaling. Betreffend onteigeningsplan maakt eveneens een schending uit van het rechtszekerheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. Immers werd middels de opmaak van het RUP in artikel 1.3 aan bezwaarindiener de boodschap gegeven dat de Federale Wegpolitie zijn taken verder kan blijven uitoefenen op deze site. Huidig onteigeningsplan staat hier haaks op.

18. Over deze tegenstrijdigheid wordt enkel gesteld als volgt :

“In afwijking van de stedenbouwkundige voorschriften voor deze zone, is in striga 6 en 7 een overgangsmaatregel van toepassing ter tijdelijke bestendiging van de gemeenschapsvoorzieningen en voorziening van openbaar nut die er momenteel aanwezig zijn (Federale politie en Agentschap Wegen en Verkeer van de Vlaamse Overheid).  Het betreft een overgangsmaatregel die vervalt op het moment dat de huidige gebruikers, zoals gekend op het moment van inwerkingtreding van dit RUP, de site verlaten.

De voorlopige vaststelling van het onteigeningsplan is niet strijdig met deze overgangsbepaling.”

19. De voorlopige vaststelling, waarbij het perceel van bezwaarindiener mee opgenomen werd binnen de contouren van het voorlopig vastgesteld onteigeningsplan, is echter wél tegenstrijdig met de overgangsbepaling uit het RUP die de aanwezigheid van de Federale Politie toelaat tot het ogenblik dat deze de site zelf verlaat.  Door de opname van deze overgangsbepaling werd duidelijk gemaakt dat de ontwikkeling van de site een visie naar de toekomst toe was, die gerealiseerd zou worden wanneer de bestaande activiteiten ter plaatse uitgedoofd waren.

20. Gelet hierop, kan betreffend onteigeningsplan niet ter realisatie van het RUP Nieuw Zuid dienen en is het plan manifest strijdig met artikel 2.4.3 VCRO.

21. Wegens het ontbreken van een wettelijke grondslag voor de voorgenomen onteigening van de onteigening, kan het onteigeningsplan niet op wettige wijze worden vastgesteld, minstens niet voor het perceel van bezwaarindiener.

Bespreking van dit onderdeel van het bezwaar:

Niet valt in te zien waarom ter verwezenlijking van het RUP Nieuw Zuid artikel 2.4.3. §1 VCRO niet als grondslag tot onteigening zou kunnen dienen. Het RUP Nieuw Zuid is niet van de toepassing van artikel 2.4.3. §1 uitgesloten.

Het tweede onderdeel van het bezwaar is in dat opzicht ongegrond.

De gemeenteraad is evenwel uiteraard niet blind voor de overgangsbepaling die in het RUP ten behoeve van de Regie der Gebouwen is voorzien. Deze overgangsbepaling is evenwel niet van aard de definitieve goedkeuring van het onteigeningsplan te verhinderen in de mate en voor zover dit gebeurt mits naleving van de betreffende voorwaarde en de betreffende gronden slechts worden verworven nadat ten behoeve van de Regie der Gebouwen een voor de Regie der Gebouwen aanvaardbaar alternatief kan worden voorzien. De definitieve goedkeuring van het onteigeningsplan verhindert immers niet dat met de Regie der Gebouwen gesprekken worden gevoerd om tot een regeling te kunnen komen. 

GEEN ALGEMEEN BELANG

22. Zoals hierboven reeds gesteld, bepaalt artikel 16 G.W. dat niemand van zijn eigendom kan worden ontzet dan ten algemene nutte.  Onteigening kan aldus enkel plaatsvinden ter realisatie van het algemeen nut.

23. In het gemeenteraadsbesluit wordt het algemeen belang voor de onteigening omschreven als volgt :

“De rechtsgrond van de onteigening is artikel 2.4.3.§1 VCRO.  Het algemeen belang ervan is gelegen in de verwezenlijking van het ruimtelijk uitvoeringsplan om daarmee tegemoet te komen aan de actuele ontwikkelingsbehoeften van de stad Antwerpen.  De onteigeningsnoodzaak is gelegen in het feit dat de verwezenlijking van het RUP niet op de lange baan mag geschoven worden en dat er bovendien nood is aan een overkoepelende en geïntegreerde aanpak voor de ontwikkeling van alle gronden die in het woongebied binnen de contouren van het RUP gelegen zijn.”

24. Op basis van de vermeldingen in het gemeenteraadsbesluit dd. 22 februari 2016 blijkt niet dat voldaan is aan deze wettelijke vereiste, zijnde het algemeen nut.

25. Immers, zoals hiervoor reeds gebleken, kan het RUP niet dienen als habilitatie van de voorziene onteigening.  Nu in het gemeenteraadsbesluit ook het algemeen belang expliciet gekoppeld wordt aan de verwezenlijking van het RUP, kan ook dit algemeen belang geenszins worden aangenomen.  Zoals onder punt VI.1 reeds aangetoond, is het onteigeningsplan immers strijdig met de voorschriften van het RUP, meer specifiek met de overgangsbepaling uit artikel 1.3.

26. Gelet op het voorgaande, kan bij gebreke aan een algemeen belang, het onteigeningsplan niet worden vastgesteld, minstens niet voor het perceel van bezwaarindiener.

27. Bovendien dient in casu te worden vastgesteld dat de vooropgestelde onteigening het algemeen nut eveneens niet dient, daar het belang van de aanwezigheid van de Federale Wegpolitie zwaarder doorweegt en door een onteigening in het gedrang wordt gebracht.

28. Op geen enkele wijze wordt aangetoond dat de verwezenlijking van de bestemming van het RUP ‘Nieuw Zuid’ zwaarder doorweegt dan de aanwezigheid op de site van de Federale Wegpolitie, die instaat voor de veiligheid, controle en leiden van de verkeerssituatie bij ongevallen e.d. op het aanpalende wegennet.

29. Het belang van de huidige locatie is van strategische aard.  Zo is de ligging ervan uniek : net boven het knooppunt rond de Kennedytunnel maar eveneens zeer vlot bereikbaar via de “gewone weg”.  Dat maakt dat interventieploegen, maar ook tal van partners (AWV, FAST, Brandweer, …) bij evenementen of in standaard noodhulp via de dienstwegen zich naar alle mogelijke richtingen bijzonder snel kunnen begeven.  Het netwerk hier voorziet aansluitingen met de E17, de ring (R1), de A12, etc en dit via de snelst mogelijke toegangsroutes.  Gelet op de aard van de activiteiten (noodhulp, intercepties van ANPR-hits oa terro, …) en het belang van een snel optreden (veiligheid van mensen, mobiliteit rond Antwerpen) zijn de troeven van de ligging van het perceel onmisbaar voor een snelle en adequate noodhulpverlening.

30. Bovendien is de verkeerspost Antwerpen de grootste van België, met 61 mensen die er tewerkgesteld worden.  Ook bevindt zich hier het provinciaal magazijn (waar alles qua logistiek voor de hele provincie wordt gecentraliseerd en opgeslagen en dat vlot bereikbaar is met een vrachtwagen) én het provinciaal gerechtelijk bureel, waar alle operationele administratie wordt gecentraliseerd en waar alle klanten worden ontvangen.

31. Op vlak van voertuigen is hier een groot bestand aanwezig : 14 moto’s, 9 auto’s met striping, 4 anonieme voertuigen en 2 T5 bestelwagens (waaronder 1 met drone voor fotogrammetrie).  Er is een buitenparking die voldoende groot is om geïntercepteerde voertuigen (heel vaak 44 ton) te stallen in afwachting van het betalen van boetes.  De verkeerspot herbergt eveneens een helihaven die gebruikt wordt door de eigen helikopters van de Federale Politie of door medische heli’s van het brandwondencentrum ZNA.  Eveneens doet de verkeerspost dienst als safe place voor VIP’s.

32. Uit al het voorgaande blijkt zeer duidelijk het belang van de huidige locatie voor de uitoefening van de activiteiten van de Federale Wegpolitie ter plaatse die duidelijk ten dienste zijn van het algemeen belang.  Dat de aanwezigheid van de Federale politie het algemeen belang dient, wordt zelfs erkend in artikel 1.3 RUP ‘Nieuw Zuid’ : 

              “1.3  Overgangsbepaling Federale politie en AWV

In afwijking van de stedenbouwkundige voorschriften voor deze zon, is in Striga 6 en 7 een overgangsmaatregelen van toepassing in functie van de gemeenschapsvoorzieningen en voorziening van openbaar nut die er momenteel aanwezig zijn (Federale politie en Agentschap Wegen en Verkeer van de Vlaamse Overheid).

Het betreft een overgangsmaatregel die vervalt op het moment dat de huidige gebruikers, zoals gekend op het moment van inwerkingtreding van het RUP, de site verlaten.

Alle werken, handelingen en wijzigingen die nodig of nuttig zijn voor het aanbieden van betreffende gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen zijn toegelaten.  Het gaat hierbij meer bepaald over het aanpassen en/of uitbreiden van bestaande gebouwen, het oprichten van nieuwe gebouwen, realisatie van constructies en aanleg van verharding en/of beplanting. (…)” (eigen onderlijning)

33. Hiertegenover wordt in het gemeenteraadsbesluit enkel summier opgenomen als volgt :

“Het algemeen belang ervan is gelegen in verwezenlijking van het ruimtelijk uitvoeringsplan om daarmee tegemoet te komen aan de actuele ontwikkelingsbehoeften van de stad Antwerpen.”

34. Op geen enkele wijze wordt een afweging gemaakt van het belang van de huidige bestemming van het perceel ten opzichte van de verwezenlijking van het RUP.  Dergelijke beoordeling is manifest in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, dat stelt dat enkel een besluit genomen kan worden op basis van een zorgvuldige feitenvinding, waarbij de relevante feiten en omstandigheden mee in de beoordeling worden opgenomen.  Pas dan kan tot een zorgvuldig en deugdelijk onderbouwd besluit worden gekomen.

35. Op basis van voormelde uiterst summiere omschrijving van het algemeen belang, kan niet worden aangenomen dat het vooropgestelde algemene belang zoals omschreven in het gemeenteraadsbesluiten van hoger belang is dan het hierboven algemeen belang van de aanwezigheid van de Federale Politie op het terrein (veiligheid, snelle eerste hulp, …).  Minstens werd geen rekening gehouden met het algemeen belang van de aanwezigheid van de Federale Wegpolitie op deze site en werd hierover geen afweging gemaakt in het gemeenteraadsbesluit.  Evenmin wordt gemotiveerd om welke reden de tegenstrijdigheid tussen deze activiteiten van algemeen nut zwaarder zou kunnen doorwegen in de richting van realisatie van het RUP.  Het voorlopig vaststellingsbesluit schend aldus het zorgvuldigheidsbeginsel.

36. Het vooropgestelde algemeen belang kan niet dienen ter staving van betreffend onteigeningsplan.”

Bespreking van dit onderdeel van het bezwaar:

Dit onderdeel is, zij het met andere woorden, in wezen identiek aan het vorige onderdeel en er dus een herhaling van, zodat voor de bespreking ervan kan verwezen worden naar die van het vorige onderdeel.

GEEN ONTEIGENINGSNOODZAAK

37. Zoals hierboven reeds gesteld, bepaalt artikel 16 G.W. dat niemand van zijn eigendom kan worden ontzet dan ten algemene nutte. Onteigening kan aldus enkel plaatsvinden ter realisatie van het algemeen nut.

38. Voorafgaande voorwaarde om tot onteigening te kunnen overgaan is echter niet afdoende.  Eveneens dient te worden aangetoond dat het algemeen nut niet verwezenlijkt kan worden dan met een onteigening.  Betreffende voorwaarde betreft de onteigeningsnoodzaak. Het volstaat niet dat de ingeroepen doelstelling van algemeen nut is : aangetoond moet worden dat deze doelstelling niet kan worden gerealiseerd zonder de onteigening, m.n. dat de onteigening van het bepaalde perceel een noodzaak is voor realisatie van de doestelling van algemeen nut.

(S. Verbist, “Administratiefrechtelijke aspecten inzake onteigening”, CABG 2004, afl. 5, 10.)

39. Het standpunt van het Hof van Cassatie is daaromtrent duidelijk:

(Cass. (1ste k.) AR C.01.0114.N, 11 september 2003, (S.D./ Gemeente Willebroek), http://www. Cass.be (30 oktober 2003, T.B.P. 2004, afl. 5, 311 en Cass. 3 februari 2000, AR C.96.0380.N, nr. 89.)

De motivering van een onteigeningsbesluit moet vermelden waarom de onteigening noodzakelijk is, hetgeen impliceert dat de motivering moet berusten op werkelijke feiten, dat daaruit een redelijk verband tussen de voorgenomen onteigening en het vooropgestelde doel kan afgeleid worden en dat, naargelang het geval, daaruit blijkt dat de genomen beleidsopties afgewogen werden”.

40. In het gemeenteraadsbesluit wordt de onteigeningsnoodzaak voor de onteigening, omschreven als volgt :

De rechtsgrond van de onteigening is artikel 2.4.3.§1 VCRO.  Het algemeen belang ervan is gelegen in de verwezenlijking van het ruimtelijk uitvoeringsplan om daarmee tegemoet te komen aan de actuele ontwikkelingsbehoeften van de stad Antwerpen.  De onteigeningsnoodzaak is gelegen in het feit dat de verwezenlijking van het RUP niet op de lange baan mag geschoven worden en dat er bovendien nood is aan een overkoepelende en geïntegreerd aanpak voor de ontwikkeling van alle gronden die in het woongebied binnen de contouren van het RUP gelegen zijn.

41. Ook de onteigeningsnoodzaak die vooropgesteld wordt in het gemeenraadsbesluit kan niet worden aangenomen.

42. Zoals reeds herhaaldelijk vermeld, wordt betreffend onteigeningsplan opgemaakt op basis van artikel 2.4.3 VCRO, nl. ter realisatie van het RUP ‘Nieuw Zuid’.  In betreffend RUP werd met betrekking tot het perceel van bezwaarindiener echter volgende bepaling van toepassing gemaakt:

1.3. Overgangsbepaling Federale Politie en AWV

In afwijking van de stedenbouwkundige voorschriften voor deze zone, is in Striga 6 en 7 een overgangsmaatregel van toepassing in functie van de gemeenschapsvoorzieningen en voorzieningen van openbaar nut die er momenteel aanwezig zijn (Federale Politie en Agentschap Wegen en Verkeer van de Vlaamse overheid).

Het betreft een overgangsmaatregel die vervalt op het moment dat de huidige gebruikers, zoals gekend op het moment van inwerkingtreding van het RUP, de site verlaten.

Alle werken, handelingen en wijzigingen die nodig of nuttig zijn voor het aanbieden van betreffende gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorziening zijn toegelaten.  Het gaat hierbij meer bepaald over het aanpassen en/of uitbreiden van bestaande gebouwen, het oprichten van nieuwe gebouwen, realisaties van constructies en aanleg van verharding en/of beplanting.

Het volume van gebouwen en constructies, de proporties, de verschijningsvorm en de inplanting ervan moeten afgestemd zijn op de bestemming van de zone (zone voor centrumfuncties) en de inrichtingsvoorschriften die van toepassing zijn in zoverre dat dit verenigbaar is met de specifieke functionele eisen verbonden aan betreffende werken, handelingen en wijzigingen, afgestemd zijn op de bestemming van de zone (zone voor centrumfuncties) en de inrichtingsvoorschriften die van toepassing zijn.

43. Op basis van betreffend voorschrift uit het RUP, wordt aldus voorzien dat de Federale Politie haar activiteiten kan blijven uitoefenen en aldus op het terrein aanwezig kan blijven tot zij zelf de site zou verlaten.  Betreffende overgangsbepaling kan niet worden gerijmd met een onteigeningsnoodzaak zoals vooropgesteld in het besluit van de gemeenteraad.  Hierin wordt enkel summier omschreven als volgt:

(…)

De onteigeningsnoodzaak is gelegen in het feit dat de verwezenlijking van het RUP niet op de lange baan mag geschoven worden en dat er bovendien nood is aan een overkoepelende en geïntegreerde aanpak voor de ontwikkeling van alle gronden die in het woongebied binnen de contouren van het RUP gelegen zijn.”

44. Betreffende de motivering van onteigeningsnoodzaak, nl. dat de realisatie van het RUP niet op de lange baan mag geschoven worden, is compleet in strijd met voormelde overgangsbepaling waarbij de aanwezigheid op de site van de Federale politie ter verwezenlijking van het algemeen belang, hier mag blijven tot zij de site zelf verlaat.

45. Over betreffende tegenstrijdigheid wordt enkel gesteld als volgt:

In afwijking van de stedenbouwkundige voorschriften voor deze zone, is in striga 6 en 7 een overgangsmaatregel van toepassing ter tijdelijke bestendiging van de gemeenschapsvoorzieningen en voorziening van openbaar nut die er momenteel aanwezig zijn (Federale politie en Agentschap Wegen en Verkeer van de Vlaamse Overheid).  Het betreft een overgangsmaatregel die vervalt op het moment dat de huidige gebruikers, zoals gekend op het moment van inwerkingtreding van dit RUP, de site verlaten.

De voorlopige vaststelling van het onteigeningsplan is niet strijdig met deze overgangsbepaling.

46. Betreffende vaststelling, waarbij het perceel van bezwaarindiener mee opgenomen werd binnen de contouren van het voorlopig vastgesteld onteigeningsplan, is echter wél tegenstrijdig met de overgangsbepaling uit het RUP die de aanwezigheid van de Federale politie toelaat tot het ogenblik dat deze de site zelf verlaat.  Om deze reden kan de vooropgestelde noodzaak niet worden aanvaard.  Uit de stedenbouwkundige voorschriften van het RUP, en met name de betreffende overgangsbepaling, blijkt zeer duidelijk dat een onteigening niet de enige mogelijkheid is om de voorschriften van het RUP te realiseren.

47.Aldus ontbreekt het betreffende voorlopige vaststelling aan een duidelijk gemotiveerde onteigeningsnoodzaak (zonder dewelke de realisatie van het RUP niet verwezenlijkt zou kunnen worden).

Bespreking van dit onderdeel van het bezwaar:

Dit onderdeel is, zij het met andere woorden, in wezen identiek aan het vorige onderdeel en er dus een herhaling van, zodat voor de bespreking ervan kan verwezen worden naar die van het vorige onderdeel.

Het verzoek tot zelfrealisatie van Only Land nv

Het verzoek tot zelfrealisatie ging uit van Only Land nv, welke vennootschap tijdens het openbaar onderzoek op 16 december 2016 aan de stad Antwerpen een brief heeft gericht, welke brief de volgende inhoud heeft:

“Wij ontvingen goed uw  aangetekende brief van 19 juli 2016 waarmee u ons in kennis stelt van het feit dat het onteigeningsplan ‘Nieuw Zuid’, district Antwerpen voorlopig werd vastgesteld en dat dit onteigeningsplan betrekking heeft op de volgende percelen, onze eigendom:

  • Afdeling 11, sectie L, nr 3925 P3;
  • Afdeling 11, sectie L, nr 3982 W3;
  • Afdeling 11, sectie L, nr. 3925 M3;
  • Afdeling 11, sectie L, nr. 3917 V;
  • Afdeling 11, sectie L, nr. 3917 S;
  • Afdeling 9, sectie I, nr. 2704 H2. 

Wij verzoeken u beleefd te willen noteren dat wij ons formeel verzetten tegen de voorgenomen onteigening. Wij verzoeken u beleefd te willen noteren dat wij op grond van artikel 2.4.3. §2 VCRO zelf wensen over te gaan tot de realisatie van het RUP Nieuw Zuid voor wat betreft alle in het onteigeningsplan opgenomen percelen. Wij zijn, zoals blijkt uit het voorlopig goedgekeurde onteigeningsplan ‘Nieuw Zuid’ eigenaar van meer dan de helft van in het onteigeningsplan begrepen gronden. Wij zijn bereid en in staat om over te gaan tot realisatie van het RUP Nieuw Zuid.

Wij kunnen u diverse referenties voorleggen van de succesvolle ontwikkeling van stedelijk woongebied. Tevens kunnen wij u bevestigen dat wij ook financieel in staat zijn tot deze ontwikkeling over te gaan. Wij zijn bereid om ons engagement tot zelfrealisatie in een overeenkomst te bevestigen en nodigen u beleefd uit tot een gesprek ten einde de inhoud en de draagwijdte van een dergelijke overeenkomst nader te bespreken.

Hieruit volgt dat er geen onteigeningsnoodzaak meer voorhanden is, wat onze eigendom betreft.

Tevens zijn we zo vrij u beleefd te verzoeken om in toepassing van artikel 2.4.3. §2, in fine VCRO, dat bepaalt: “In gevallen als bepaald in het tweede en het vierde lid zal de onteigenende overheid, op verzoek van de personen die met de ordening van de strook zijn belast, de daartoe vereiste onroerende goederen onteigenen, wanneer de onderhandse verkrijging daarvan onmogelijk is gebleken.”, over te gaan tot de verwerving of desgevallend de onteigening van de volgende percelen: 

  • Sectie I, nr. 2704 M2;
  • Sectie I, nr. 2704 Z;
  • Sectie I, nr. 2704 D2;
  • Sectie I, nr. 2704 X;
  • Sectie I, nr. 2704 S;
  • Sectie I, nr. 2704 R;
  • Sectie I, nr. 2704 L2.

Met huidig schrijven wensen wij u uitdrukkelijk en formeel te willen bevestigen dat ONLY LAND NV, met maatschappelijke zetel te 2000 Antwerpen, Jan Van Gentstraat 7, bus 402 met ondernemingsnummer 0827.487.895. bereid is de financiële verantwoordelijkheid (m.i.v. prefinanciering) te dragen voor de lasten en de kosten die de stad Antwerpen moet dragen voor het rechtmatig voeren van een verwervingsprocedure respectievelijk desgevallend de onteigeningsprocedure die in toepassing van artikel 2.4.3., §2 VCRO als finaliteit heeft de verwezenlijking van het volledige woongebied van het RUP NIEUW ZUID en er op gericht is dat ONLY LAND NV, tegen marktconforme prijs, eigenaar wordt van de restgronden.

In dit verband bezorgen wij u kopie van een recente vertrouwensverklaring van ING.

Wij hopen u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.  Zo u vragen heeft of toelichting wenst, staan wij uiteraard steeds tot uw dienst. Wij hopen oprecht spoedig van uw diensten te mogen vernemen wanneer de gesprekken met het oog op het afsluiten van een zelfrealisatieovereenkomst kunnen worden gevoerd.”

In het Vlaams Regeerakkoord wordt de mogelijkheid tot zelfrealisatie inzake onteigeningen ten algemenen nutte uitdrukkelijk erkend en is deze mogelijkheid ook uitdrukkelijk voorzien in artikel 2.4.3. § 2 VCRO.

De gemeenteraad kan een verzoek tot zelfrealisatie inwilligen of afdoende gemotiveerd afwijzen. Elk verzoek tot zelfrealisatie zal worden beoordeeld in functie van de eigendomsstructuur, de (technische en financiële) mogelijkheid en de bereidheid om tot daadwerkelijke realisatie van het RUP over te gaan.

De gemeenteraad neemt akte van het zelfrealisatieverzoek van Only Land en meent dat Only Land, welke vennootschap aantoont over meer dan 50% van het projectgebied te beschikken, in overeenstemming met artikel 2.4.3. §1 VCRO het bewijs levert bereid en in staat te zijn om binnen de termijnen en onder de voorwaarden die de stad Antwerpen heeft bepaald belast te worden met de uitvoering van de voor de ordening vereiste werken. 

In de ogen van de gemeenteraad geeft Only Land er blijk van de nodige middelen te bezitten alsook in staat te zijn het RUP Nieuw Zuid te kunnen realiseren. De gemeenteraad heeft er akte van genomen dat Only Land op heden reeds een belangrijk deel van het RUP Nieuw Zuid kwaliteitsvol heeft gerealiseerd en de ontwikkeling een vlot tempo volgt. 

Om die redenen meent de gemeenteraad dat op het zelfrealisatieverzoek moet worden ingegaan en dat met Only Land een zelfrealisatieconvenant kan worden afgesloten conform het ontwerp dat als bijlage bij onderhavig gemeenteraadsbesluit wordt goedgekeurd.

De uitgangspunten van de convenant zijn:

  • Only Land gaat zo spoedig mogelijk over tot de ontwikkeling van de percelen opgelijst in het convenant met het oog op de verwezenlijking van het RUP Nieuw Zuid en engageren zich om de principes en de inhoud van het masterplan Nieuw Zuid na te leven;
  • Only Land respecteert hierbij de afspraak de stedenbouwkundige lasten te betalen of te voldoen in natura zodra er één of meerdere uitvoerbare en definitieve en niet bestreden stedenbouwkundige vergunning(en) of omgevingsvergunningen bekomen word(t)(en) in het kader van de zelfrealisatie;
  • Only Land draagt alle huidige en toekomstige kosten met betrekking tot de definitieve vaststelling van het onteigeningsplan en de opvolging van de zelfrealisatie enerzijds, en anderzijds de kosten en lasten van elke rechtmatige verwerving en latere overdracht door de stad Antwerpen;
  • de stad Antwerpen zal zich inspannen om de zelfrealisatie door Only Land te ondersteunen, uiteraard met voorbehoud van haar publiekrechtelijke verantwoordelijkheid ten aanzien van het besluitvormingsproces;
  • de stad Antwerpen doet hierbij afstand van haar mogelijke rechten tot onteigening van de eigendommen van Only Land, opgenomen in het door de gemeenteraad voorlopig vastgestelde onteigeningsplan;
  • de stad Antwerpen heeft het recht een onteigeningsprocedure op te starten indien Only Land haar verplichtingen niet nakomt en hieromtrent binnen een termijn van 90 dagen na aanmaning door de stad Antwerpen, geen redelijke verantwoording heeft gegeven:
  • de stad Antwerpen verwerft, dan wel onteigent de percelen opgelijst in het convenant tegen marktconforme prijzen, dan wel tegen de definitieve onteigeningsvergoeding. De stad Antwerpen draagt deze percelen na definitieve verwerving zo spoedig mogelijk over aan Only Land tegen dezelfde prijs inclusief alle notariële en fiscale kosten verbonden aan de overdracht.

Juridische grond

Volgens artikel 43 § 2, 12° van het Gemeentedecreet is de gemeenteraad bevoegd voor het stellen van daden van beschikking met betrekking tot onroerende goederen.

Op grond van artikel 2.4.3. § 1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (VCRO) kan elke verwerving van onroerende goederen, vereist voor de verwezenlijking van de ruimtelijke uitvoeringsplannen, door onteigening ten algemenen nutte tot stand worden gebracht.

Wanneer de voorgenomen onteigening de ordening tot doel heeft van een gedeelte van het grondgebied dat bestemd is om verkaveld te worden met het oog op het oprichten van gebouwen voor huisvestings- of handelsdoeleinden, kan of kunnen de eigenaar of eigenaars die meer dan de helft van de oppervlakte van de in dat gebied begrepen gronden bezitten, op grond van artikel 2.4.3. §2, tweede lid VCRO, vragen om, binnen de termijnen en onder de voorwaarden die de overheid heeft bepaald en voor zover ze er blijk van geven de nodige middelen te bezitten, belast te worden met de uitvoering van de voor die ordening vereiste werken en ook met de herverkavelings- en ruilverkavelingsverrichtingen. In artikel 2.4.3. §2 vierde lid wordt deze mogelijkheid veralgemeend voor wat betreft de verwezenlijking van een gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan.

De aanvraag, vermeld in het tweede lid van artikel 2.4.3. §2 VCRO, moet op grond van de het derde lid van de betreffende bepaling, op straffe van verval, worden ingediend binnen drie maanden na de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van het besluit tot goedkeuring van het onteigeningsplan. Het is evenwel stellig aangewezen dat een dergelijke aanvraag tijdens het openbaar onderzoek wordt geformuleerd, zodat hiermee desgevallend rekening kan worden gehouden bij de definitieve vaststelling van het onteigeningsplan.

De gemeenteraad kan een verzoek tot zelfrealisatie inwilligen of gemotiveerd afwijzen. Elk verzoek tot zelfrealisatie zal worden beoordeeld in functie van de eigendomsstructuur, de (technische en financiële) mogelijkheid en de bereidheid om tot daadwerkelijke realisatie van het RUP over te gaan. Hiertoe dient dan, desgevallend, een overeenkomst tot zelfrealisatie te worden opgemaakt. In een dergelijke overeenkomst worden onder meer de zelfrealisatievoorwaarden en – termijnen bepaald. Om vaart te maken kan de eigenaar bij zijn verzoek een ontwerp van zelfrealisatieovereenkomst voegen, dat eventueel al voorwerp heeft uitgemaakt van enig vooroverleg met de stedelijke diensten.

Dit onteigeningsplan moet, krachtens artikel 2.4.4. §1 VCRO de omtrek van de te onteigenen goederen aangeven, afzonderlijk of tot stroken samengevoegd, met kadastrale vermelding van de sectie, de nummers, de grootte en de aard van de percelen, en met de naam van de eigenaars volgens de kadastrale gegevens. Het onteigeningsplan moet eveneens voor elk te onteigenen perceel de onteigenende rechtspersoon vermelden. In casu zal dit de Stad Antwerpen zijn. Wat de uit te voeren werken en onroerende verrichtingen betreft, kan het onteigeningsplan zich beperken tot het overnemen van de voorschriften van het ruimtelijk uitvoeringsplan.

Het onteigeningsplan dat na het ruimtelijk uitvoeringsplan waarvan het de verwezenlijking beoogt, wordt opgemaakt, dient, krachtens artikel 2.4.4. §2 VCRO uiterlijk 5 jaar na de inwerkingtreding van dat ruimtelijk uitvoeringsplan definitief vastgesteld te worden en is onderworpen aan de procedureregels voor onteigeningen ten algemenen nutte inzake gewestelijke aangelegenheden.

De eigenaars van de goederen, gelegen binnen de omtrek van de te onteigenen percelen, worden vóór de aanvang van het openbaar onderzoek door de overheid die het ontwerpplan voorlopig vaststelt, bij aangetekende brief in hun woonplaats ervan op de hoogte gebracht dat het ontwerp van onteigeningsplan in het gemeentehuis ter inzage ligt.

In artikel 2.4.4. §2 VCRO wordt verwezen naar de procedureregels voor onteigeningen ten algemenen nutte inzake gewestelijke aangelegenheden. Hiermee wordt impliciet verwezen naar de wet van 27 mei 1870 houdende vereenvoudiging van de administratieve formaliteiten inzake onteigening ten algemenen nutte (Belgisch Staatsblad 29 mei 1870). De bepalingen uit deze wet zijn deels overlappend ten aanzien van de bepalingen uit de onteigeningsregeling van de VCRO. Er is echter geen sprake van enige tegenspraak. Mocht er toch tegenspraak gelezen of begrepen worden, geldt de regel dat de bijzondere regelgeving (VCRO) voorgaat op de algemenere (Administratieve Onteigeningswet).

Op grond van artikel 2 van deze wet wordt het onderzoek ingesteld over een ontwerp dat het tracé van het werk en het perceelsgewijze plan omvat. Dit plan vermeldt de namen van de eigenaars, volgens de gegevens van het kadaster. Op grond van artikel 3 van deze wet wordt het ontwerp, dat eerst voorlopig werd vastgesteld door de gemeenteraad, gedurende 15 dagen ter inzage neergelegd op het gemeentehuis van de gemeenten, waardoor het werk loopt, in casu is dat de stad Antwerpen.

De eigenaars van de binnen de omtrek van de te onteigenen gronden gelegen percelen worden schriftelijk, afzonderlijk en in hun woning, in kennis gesteld van die nederlegging van het ontwerp. Het bericht van die nederlegging wordt daarenboven aangeplakt en gepubliceerd in de voor de officiële bekendmakingen gebruikelijke vorm. Van de vervulling van die formaliteiten moet worden blijk gegeven door een bewijsschrift van het college van burgemeester en schepenen (hiermee wordt een proces-verbaal van opening en een proces- verbaal van sluiting van het openbaar onderzoek bedoeld). De vernoemde formaliteiten zijn voorgeschreven op straffe van nietigheid. Het verzuim van kennisgeving brengt echter alleen nietigheid ten opzichte van de niet aangeschreven eigenaars mede.

De gestelde termijn van 15 dagen loopt vanaf de kennisgeving aan de belanghebbenden en aan het publiek, zoals hierboven bepaald.

De klachten of aanmerkingen die tegen het ontwerp mochten worden ingebracht, worden op grond van artikel 5 van de wet, door het college van burgemeester en schepenen verzameld. Het daartoe geopende proces-verbaal bevat de mondelinge verklaringen van de comparanten, door dezen te ondertekenen, en vermeldt de schriftelijke verklaringen, te voegen bij het proces-verbaal, dat na afloop van de vastgestelde termijn door de burgemeester of de gemachtigde schepen wordt gesloten.

Wanneer wordt onteigend met toepassing van de Wet op de onteigening ten algemenen nutte van 17 april 1835 moet geen hoogdringendheid worden aangetoond.

Bij het eventueel aanvragen van een onteigeningsmachtiging moeten de bepalingen uit de omzendbrief BB 2011/5. - besluit van de Vlaamse regering inzake onteigeningen ten algemenen nutte ten behoeve van de gemeenten, de provincies, de autonome gemeentebedrijven, de autonome provinciebedrijven, de OCMW's, de intergemeentelijke sa menwerkingsverbanden en de provinciale ontwikkelingsmaatschappijen, van 14 oktober 2011, worden nageleefd.

Besluit

Het college van burgemeester en schepenen beslist:

Artikel 1

Het college verzoekt de gemeenteraad om het onteigeningsplan RUP Nieuw Zuid definitief vast te stellen, zonder dat met deze definitieve vaststelling afbreuk kan worden gedaan aan de overgangsbepaling die ten behoeve van de Afdeling Wegen en Verkeer respectievelijk de Regie der Gebouwen in het RUP Nieuw Zuid is opgenomen.

Artikel 2

Het college verzoekt de gemeenteraad:

  • akte te nemen van het verzoek tot zelfrealisatie vanwege Only Land en dit verzoek ontvankelijk en gegrond te verklaren;
  • Only Land NV bijgevolg toe te staan tot zelfrealisatie en het zelfrealisatieconvenant met Only Land NV goed te keuren.

Artikel 3

Het college verzoekt de gemeenteraad akte te nemen van het verzoek van Only Land NV om in toepassing van artikel 2.4.3. §1, laatste lid VCRO de gronden te verwerven die niet tot de stad Antwerpen behoren en die niet tot Only Land behoren om ze naderhand over te dragen aan Only Land NV en verklaart dit verzoek ontvankelijk en gegrond.

Het college verzoekt derhalve de gemeenteraad te beslissen om de onteigeningsprocedure verder te zetten met het oog op de verwerving van de gronden die niet in eigendom zijn van de stad Antwerpen of van Only Land NV, met het oog op de toepassing van artikel 2.4.3  §1, laatste lid van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening.

Artikel 4

Dit besluit heeft in principe geen financiƫle gevolgen.

Bijlagen

  • Onteigeningsplan_definitief
  • Vraag tot zelfrealisatie met garanties
  • Kostenraming
  • Akkoord_Eurostation.pdf
  • Schattingsverslag.pdf
  • Zelfrealisatieconvenant