Terug

2017_CBS_02890 - Milieuvergunningen Vlarem klasse 2 - Triple Living nv, Léon Stynenstraat 70, 2000 Antwerpen. Dossiernummer MV2016/497/NR - Goedkeuring

college van burgemeester en schepenen
vr 31/03/2017 - 09:00 Collegezaal, stadhuis
Goedgekeurd

Samenstelling

Aanwezig

Bart De Wever, burgemeester; Koen Kennis, schepen; Caroline Bastiaens, schepen; Ludo Van Campenhout, schepen; Claude Marinower, schepen; Marc Van Peel, schepen; Rob Van de Velde, schepen; Nabilla Ait Daoud, schepen; Fons Duchateau, schepen; Roel Verhaert, stadssecretaris

Secretaris

Roel Verhaert, stadssecretaris

Voorzitter

Bart De Wever, burgemeester
2017_CBS_02890 - Milieuvergunningen Vlarem klasse 2 - Triple Living nv, Léon Stynenstraat 70, 2000 Antwerpen. Dossiernummer MV2016/497/NR - Goedkeuring 2017_CBS_02890 - Milieuvergunningen Vlarem klasse 2 - Triple Living nv, Léon Stynenstraat 70, 2000 Antwerpen. Dossiernummer MV2016/497/NR - Goedkeuring

Motivering

Regelgeving: bevoegdheid

Artikel 36,4° van Vlarem I bepaalt dat het college een uitspraak dient te doen over een milieuvergunningsaanvraag klasse 2.

Aanleiding en context

Aanvrager: Triple Living nv - Jan van Gentstraat 7 bus 402 - 2000 Antwerpen. De aanvraag omvat een woontoren met hotel.

Argumentatie

Het college beslist op basis van het verslag van de dienst milieuvergunningen, dat als bijlage bij dit besluit is gevoegd en sluit zich aan bij deze motivatie.

Juridische grond

Het milieuvergunningendecreet van 28 juni 1985, meermaals gewijzigd, en haar uitvoeringsbesluiten (Vlarem I en II) bepalen dat niemand zonder vergunning of melding een hinderlijke inrichting mag exploiteren.

Besluit

Het college van burgemeester en schepenen beslist:

Artikel 1

Het college beslist een milieuvergunning, zoals geformuleerd in de argumentatie, goed te keuren aan Triple Living nv, Jan van Gentstraat 7 bus 402, 2000 Antwerpen, voor de inrichting gelegen te 2000 Antwerpen, Léon Stynenstraat 70. De vergunning heeft als voorwerp de exploitatie van een woontoren met hotel.

Artikel 2

Het college wijst erop dat de exploitant de algemene en sectorale voorwaarden dient na te leven.

Artikel 3

Het college wijst erop dat de exploitant de volgende brandweervoorwaarden dient na te leven:

Onderstaande maatregelen dienen getroffen door de exploitant/eigenaar. De exploitant/eigenaar is verantwoordelijk voor de goede werking, voor het onderhoud en indien toepasselijk voor de bereikbaarheid bij brand van de onderstaande brandvoorzorgsmaatregelen. 

G1

Er moet voldaan zijn aan de specifieke brandvoorzorgsmaatregelen opgelegd in de bouwvergunning(en) van de gebouwen. Zo moeten onder meer volgende blusmiddelen voorzien worden:

G1.1

3 Bovengrondse hydranten BH 100 conform NBN S 21.019, maar met afsluiters op beide uitgeefkanten van 70 mm Ø op een voeding met minimale binnendiameter 150 mm, moeten, met een maximale onderlinge tussenafstand van ca. 80 m, aangebracht worden rondom het gebouw.

G1.2 

Muurhaspels met axiale voeding (conform NBN EN 671-1), aangesloten via een aangepaste leiding op de openbare waterbedeling of ander gelijkwaardig voedingssysteem, moeten op oordeelkundig gekozen plaatsen opgesteld zijn zodanig dat elk punt van de gebouwen kan bespoten worden. Hun aantal wordt zodanig bepaald dat de af te leggen afstand vanaf om het even welk punt tot het dichtst bijgelegen toestel niet meer bedraagt dan de lengte van de gebruikte haspels. De haspels dienen gevoed met een leiding onder druk zodanig dat het debiet bij de minst bedeelde haspel gelijk is aan of groter dan 24 liter per minuut. De leidingen voor bluswater dienen vervaardigd in staal of in een metaal dat minstens dezelfde waarborgen biedt. De geplaatste muurhaspels dienen voorzien van een vergrendeling derwijze dat men het afsluitmondstuk niet kan verwijderen zonder het openen van een handbediende afsluiter op de watertoevoer.

G1.3

Muurhydranten (volgens de norm NBN 571) die voorzien zijn van vaste koppelstukken DSP 45 (volgens KB van 30 januari 1975), en gevoed worden door een bluswaternet met een binnendiameter van tenminste 70 mm, moeten in het hotel en in de parkeergarage met bijbehorende ondergrondse ruimtes (fietsbergingen, bergingen, technische lokalen) aangebracht worden op oordeelkundig gekozen plaatsen, zoals onder meer:
- Bij elke toegang tot een traphal.
- Bij elke muurhaspel.

Hun aantal wordt mogelijk bijkomend uitgebreid zodat de af te leggen afstand vanaf om het even welk punt tot het dichtstbijgelegen toestel niet meer bedraagt dan 30 meter. De leidingen voor bluswater dienen vervaardigd in staal of in een metaal dat minstens dezelfde waarborgen biedt. De overblijvende druk aan de minst bedeelde hydrant dient onder alle omstandigheden ten minste 5 bar te bedragen wanneer deze hydrant zonder slang noch straalpijp 500 liter per minuut debiteert.

G1.4

Muurhydranten dienen voorzien te worden voor het gehele appartementsgebouw (toren):
- in ieder sas van het trappenhuis: 2 x DSP 45.
- in de evacuatieweg, nabij elke toegang tot een trappenhuis: 2 x DSP 45.

De DSP koppelingen dienen zo aangesloten te worden op de hoofd- of stijgleiding dat elke muurhydrant minstens 400 l/min kan debiteren (bv. 2 x DSP45 leveren 2 x 400 l/min). De muurhydranten zijn aangesloten op een stijgleiding met minimale binnendiameter 110 mm. De aansluiting van elk koppel muurhydranten op de stijgleiding moet gebeuren via een leiding met minimale binnendiameter 80 mm, zodat minstens 800 l/min geleverd kan worden. In geval van activatie van de branddetectie en/of stroomonderbreking dient een veiligheidsverlichting boven de muurhydranten geactiveerd te worden.

G2

Snelblustoestellen van minstens één bluseenheid conform NBN EN 3-7 – bij voorkeur 6 kg poeder type ABC of van een ander type indien meer aangewezen - dienen goed verdeeld aangebracht te worden à rato van 1 toestel per 150 m² (binnenruimte).

G3 

In de onmiddellijke omgeving van elk lokaal of punt met een verhoogd risico, zoals ondermeer machinekamers, industriële pompen en compressoren, noodgenerator, belangrijke elektriciteitsborden, enzovoort, dienen snelblustoestellen conform NBN EN 3-7 - bij voorkeur 6 kg poeder type ABC, of van een ander type indien meer aangewezen - aangebracht te worden.

G4

In de onmiddellijke omgeving van een lokaal of punt met een verhoogd risico, zoals onder meer hoogspanningscabines, belangrijke elektriciteitsborden, enzovoort, dienen snelblustoestellen van minstens 5 kg CO2 - ½ bluseenheid conform NBN EN 3-7 - of van een ander type indien meer aangewezen - aangebracht te worden. 

G5

Er moeten maatregelen genomen worden om lekvloeistoffen van de brandstoftank en -leidingen van de noodgenerator op te vangen. De ruimte voor de opslag van de brandstof van de noodgenerator moet voorzien worden van een vloeistofdichte vloer.

Artikel 4

Het college beslist dat de milieuvergunning ingaat op 31 maart 2017 en eindigt op 31 maart 2037.

Artikel 5

De vergunde inrichting dient in gebruik genomen te worden binnen de 3 jaar vanaf de datum van deze vergunning, zoniet vervalt deze vergunning van rechtswege.

Artikel 6

Dit besluit heeft in principe geen financiële gevolgen.