Naar aanleiding van de geplande werken aan het stadhuis en de daarmee gelijklopende plannen voor het Steen en het nieuwe diamantmuseum (DIVA) wenste de stad Antwerpen de haalbaarheid van een warmtenet voor deze gebouwen en de omgeving te onderzoeken. Met dat doel gunde het college op 29 juli 2016 (jaarnummer 6722) een opdracht aan studiebureau 3E.
De studie werd in nauw overleg met de betrokken diensten van de afdeling vastgoed van de bedrijfseenheid stadsbeheer (SB/VG) en Warmte@Vlaanderen uitgevoerd. Met Warmte@Vlaanderen werd door het college een intentieverklaring goedgekeurd op 9 september 2016 (jaarnummer 7862) over de ontwikkeling van het warmteproject Antwerpen Zuid.
De resultaten van de haalbaarheidsstudie worden samen met de conclusies en vervolgacties met betrekking tot de projecten van het stadhuis en het Steen ter goedkeuring voorgelegd aan het college.
De haalbaarheid van een warmtenet in de omgeving van het stadhuis werd onderzocht door studiebureau 3E
Er werden twee warmtevraaggebieden onderzocht:
Naast de bepaling van de warmtevraag gebeurde een inventarisatie van de mogelijke groene warmtebronnen. Het lokale potentieel voor zonne-energie, biomassa, geo-, rio- en Scheldethermie werd vastgesteld. Naast de lokale duurzame bronnen werd de mogelijkheid onderzocht om een toekomstige koppeling mogelijk te maken met het stadswarmtenet uit het zuiden, onder andere gevoed door restwarmte van ISVAG (Intercommunale voor Slib- en Vuilverwijdering van Antwerpse Gemeenten). Deze latere connectie heeft een hoog potentieel inzake CO2-reductie.
Uit de potentieelanalyse van deze lokale bronnen bleek dat geothermie en zonthermie slechts kan instaan voor een beperkt aandeel van de warmtevraag. Het geothermisch systeem kent bovendien een groot ondergronds ruimtebeslag in een archeologische zone. Een zonthermisch systeem op de daken van de historische hangars zou dan weer hoge eisen stellen aan de draagconstructie. Van een lichter fotovoltaïsch systeem is de rendabiliteit reeds goed gekend en hoeft de haalbaarheid niet specifiek onderzocht te worden. Biomassa is nauwelijks aanwezig in de omgeving van het projectgebied en de techniek is weinig geschikt voor stedelijke centra omwille van de daarmee gepaard gaande emissies. Er blijven dus drie bronnen over die een aanzienlijk aandeel van de warmtevraag kunnen invullen en ruimtelijk inpasbaar zijn: riothermie, Scheldethermie en restwarmte. Aardgas wordt ingezet als tijdelijke oplossing en om pieken in de warmtevraag op te vangen.
Er werden in totaal drie concepten onderzocht (aardgas, riothermie, Scheldethermie) die allemaal na 15 jaar inschakelen op restwarmte waarbij telkens de situatie voor het kerngebied op zich en het kerngebied plus de uitbreiding werd onderzocht. Zo werden een totaal van zes scenario’s getoetst op hun haalbaarheid.
De economische resultaten leveren geen enkel haalbaar scenario op. Geen enkel scenario kon namelijk een interne opbrengstvoet realiseren van meer dan 5% op 25 jaar. Het aardgasscenario met een inkoppeling van restwarmte na 15 jaar bleek het meest rendabel met een interne opbrengstvoet van 2.98%, ruim onder de investeringsdrempel van Warmte@Vlaanderen.
De uitbreiding naar de sociale woongebouwen blijkt voor het aardgasscenario een negatief effect te hebben op de rendabiliteit omwille van de lage prijs waartegen Woonhaven aardgas kan aankopen. Dat heeft immers tot gevolg dat de door het warmtenet aangeboden warmte ook aan eenzelfde laag tarief moet aangeboden worden. De twee andere scenario’s blijken voornamelijk gehinderd door de verhouding tussen de aardgasprijs en de elektriciteitsprijs. De efficiëntie van warmtepompsystemen blijkt in de onderzochte scenario’s nog onvoldoende om het verschil met de aardgasprijs te overbruggen (factor 4).
Bij het onderzoek naar mogelijke ingrepen om de rendabiliteit van het project op te drijven, bleek steeds een verhoging van de warmteprijs noodzakelijk. Het betekent met andere woorden dat de warmte duurder zal zijn dan de referentieoplossing (aardgas).
Ecologisch is er over een periode van 25 jaar wel een winst vast te stellen. Een reductie van 20 tot 50% CO2-emissies kan gerealiseerd worden afhankelijk van het scenario. Als gebruik gemaakt wordt van groene stroom kan de reductie voor het Scheldethermie scenario oplopen tot 75%. In het aardgasscenario is de reductie enkel te danken aan de inkoppeling van restwarmte na 15 jaar. De andere scenario’s verduurzamen al van bij de start maar ook daar is nog een belangrijke winst te maken bij de inkoppeling van restwarmte.
De belangrijkste conclusies zijn samengevat:
Het college neemt kennis van de resultaten en conclusies van de haalbaarheidsstudie "Warmtenet stadhuis en omgeving".
Het college keurt goed dat de ontwerpen van het Steen en het stadhuis in overeenstemming worden gebracht met de technische voorschriften aangeleverd door Warmte@Vlaanderen zodat een toekomstige aansluiting op een warmtenet eenvoudig gerealiseerd kan worden.
Het college geeft opdracht aan:
| Dienst | Taak |
| SW/EMA | Opmaak strategische envergievisie voor de hele stad waarbinnen ook de mogelijke realisatie van een stadswarmtenet en de daarvoor noodzakelijke condities wordt opgenomen. |