De beleidsrichtlijn parkeren (college 10 november 2016, jaarnummer 9865) bevat een verduidelijking van de bouwcode over het berekenen en toepassen van de parkeernorm bij aanvragen stedenbouwkundige vergunningen.
Voorgesteld wordt om deze reeds goedgekeurde beleidsrichtlijn parkeren te verankeren in een verordenend instrument, nl de stedenbouwkundige verordening 'Bouwcode'. Hiervoor dient de Bouwcode gedeeltelijk herzien te worden. Deze gedeeltelijke herziening betreft het artikel 30 van de huidige Bouwcode (gemeenteraad 28 april 2014, deputatie 29 september 2014). Gezien een wijziging is doorgevoerd mbt stallingsmogelijkheid in voortuin, wordt bij deze herziening ook artikel 27 (open ruimte) §2, §3, §4 en §5 in overeenstemming gebracht.
Het college bevestigt de drie stappen als werkwijze voor een transparant en werkbaar parkeerbeleid:
Onderstaande weergave van artikel 30 zal in de plaats komen van het bestaande artikel 30 dat geschrapt wordt.
In het nieuwe artikel 30 wordt er net zoals bij het voormalige artikel 30 verwezen naar een bijlage. Deze bijlage bevindt zich achteraan de bouwcode en geeft enerzijds bijkomende toelichting over de verschillende zones die worden onderscheiden met betrekking tot de parkeernormen. Anderzijds wordt er ook nog een bijkomende toelichting gegeven over het bepalen van de normen voor parkeerplaatsen. Gezien de bijlage niet wordt aangepast wordt deze ook niet opgenomen in dit collegebesluit.
Artikel 30: Autostalplaatsen en autoparkeerplaatsen
§1 Parkeer- en stallingsnormen
Bij nieuwbouw, herbouw, verbouwing, functiewijziging, volumeuitbreiding of wijziging van het aantal wooneenheden dient de aanvraag te voldoen aan de normen zoals voorzien in de tabel onder artikel 30 §2, 1°.
Het algemene principe is dat een bouwaanvraag in vele gevallen een parkeerbehoefte genereert. Om te vermijden dat de parkeerbehoefte (geheel of gedeeltelijk) wordt afgewenteld op het openbaar domein, dient het parkeren maximaal op eigen terrein te worden voorzien, het zogenaamde POET principe (Parkeren Op Eigen Terrein).
§2 Theoretische parkeerbehoefte, werkelijke parkeerbehoefte en ontbrekende autostal- en autoparkeerplaatsen
1° Berekenen van de theoretische parkeerbehoefte
In toepassing van §1 van dit artikel geldt - per functiecategorie - volgende theoretische parkeerbehoefte:
|
|
centrumgebied |
centrumschil |
overig gebied |
aandeel bezoekers per functie (inbegrepen in norm) |
|
Woonproject met maximaal 5 wooneenheden |
1 / woning |
1 / woning |
1 / woning |
0,3 |
|
Woon- of gemengd project met meer dan 5 wooneenheden: - woningen > 90m² - woningen (60m² t/m 90 m²) |
- 1,35 / woning - 1,2 / woning - 1,05 / woning |
- 1,55 / woning - 1,35 / woning - 1,1 / woning |
- 1,8 / woning - 1,55 / woning - 1,25 / woning |
0,3 |
|
Sociale koopwoning |
1 / woning |
1 / woning |
1 / woning |
0,3 |
|
Sociale huurwoning |
0,6-0,9 / woning |
0,6-0,9 / woning |
0,75-0,9 / woning |
0,3 |
|
Kamerwoning / studentenkamer |
0,15 / kamer |
0,25 / kamer |
0,25 / kamer |
0,2 |
|
Assistentiewoning |
0,4 / kamer |
0,8 / kamer |
0,8 / kamer |
0,3 |
|
Woonzorgcentrum |
0,6 / wooneenheid |
0, 6 / wooneenheid |
0,6 / wooneenheid |
60% |
|
Kantoor niet in stationsomgeving
|
1,10 / 100m2 bvo |
1,55 / 100m² bvo |
1,65 / 100m² bvo |
5% |
|
Kantoor in stationsomgeving |
- A’pen-Centraal: 0,6 / 100 m² - A’pen-Berchem: - A’pen-Zuid:
|
|
|
5% |
|
Detailhandel (< 500m² bvo) |
op maat |
op maat |
op maat |
89% |
|
Detailhandel (500m² bvo t/m 1.500m² bvo) |
3,3 / 100 m2 bvo |
4,3 / 100m² bvo |
4,7 / 100m² bvo |
94% |
|
Detailhandel (> 1.500m² bvo) |
4,7 / 100m² bvo |
5,3 / 100m² bvo |
6,0 / 100m² bvo |
84% |
|
Horeca |
op maat |
op maat |
op maat |
hotel 74% restaurant 80% café 90% |
|
Crèche (> 500m² bvo) |
0,6 / 100m2 bvo |
0,7 / 100m2 bvo |
0,9 / 100m² bvo |
95% |
|
Basisonderwijs |
0,75 / leslokaal |
0,75 / leslokaal |
0,75 / leslokaal |
|
|
Secundair onderwijs |
3,3 /100 leerlingen |
4,0 /100 leerlingen |
4,3 /100 leerlingen |
11% |
|
Hoger onderwijs |
op maat |
op maat |
op maat |
hogeschool 72% |
|
Volwassenenonderwijs |
op maat |
op maat |
op maat |
95% |
|
Sporthal |
1,45 / 100m² bvo |
2,0 / 100m² bvo |
2,65 / 100m² bvo |
96% |
|
Andere functies |
op maat |
op maat |
op maat |
|
Bij nieuwbouw, herbouw, verbouwing, functiewijziging, volumeuitbreiding of wijziging van het aantal wooneenheden waarbij autostal- en autoparkeerplaatsen verdwijnen, wordt de volgens bovenstaande tabel berekende parkeerbehoefte van het nieuwe project vermeerderd met het aantal op eigen terrein geschrapte vergunde of vergund geachte plaatsen, voor zover zij noodzakelijk blijven om te voldoen aan de parkeerbehoefte van de nieuwe toestand (dus met inbegrip van eventueel ongewijzigde, bestaande functies in de nieuwe toestand).
Er wordt afgerond naar beneden indien het cijfer na de komma lager is dan 0,50. Er wordt afgerond naar boven indien het cijfer na de komma groter of gelijk is aan 0,50.
De norm per functie verschilt al naargelang de ligging in de stad. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen centrumgebied, centrumschil en overig gebied. De gebiedsafbakening en bijhorende motivering ervan is terug te vinden in bijlage van deze bouwcode. Ook de afbakening voor “stationsomgeving” is in deze bijlage terug te vinden. Dit is van belang voor het berekenen van de norm bij kantoren.
Voor wonen wordt aan de hand van een ruimtelijke maat een onderscheid gemaakt tussen woningen groter dan 90m², woningen tussen 60 en 90 m² en woningen kleiner dan 60 m². Ook dit onderscheid is gebaseerd op CROW.
De bouwcode maakt eveneens onderscheid tussen woningen uit het reguliere woonaanbod en sociale woningen. Uit onderzoek blijkt dat bewoners van sociale woningen een lager autobezit kennen dan deze uit de reguliere woningmarkt. Daarnaast is het autobezit eveneens afhankelijk of het een eigenaar dan wel een huurder van een sociale woning betreft. Voor sociale woningbouw kan er in- of uitpandig geparkeerd worden. Het bezoekersparkeren kan op het openbaar domein voorzien worden, indien de parkeerdruk in de wijk beperkt is. Waar er door ruimtegebrek geen kwalitatieve groenvoorziening gerealiseerd kan worden, dient er inpandig geparkeerd te worden. Er dient steeds gestreefd te worden naar 0,9 parkeerplaatsen per huurwoning.
De norm voor crèches verschilt al naargelang het een nieuwbouw, dan wel een functiewijziging betreft. Bij een nieuwbouw dienen bovenstaande normen maximaal nagestreefd te worden. Bij functiewijziging moet er maximaal gestreefd worden naar een oplossing die het op- en afhaalverkeer efficiënt kan absorberen, rekening houdend met de lokale toestand en met de grootte van het kinderopvanginitiatief. Indien het perceel voldoende groot is om ook deels of geheel aan de parkeernorm te voldoen, moet dit ook daadwerkelijk voorzien worden. Uiteraard zonder kwalitatieve buitenruimte of andere voorzieningen die bij de functie horen, in te nemen of te hypothekeren. Een goed evenwicht dient bekomen te worden. Men kan daarbij bijvoorbeeld minimaal denken aan een afzet- en afhaalzone op het private terrein van het initiatief bij functiewijziging. Bij de kleinere kinderdagverblijven in het bestaande woonweefsel (vaak rijwoningen) kan het zeer moeilijk zijn om te voldoen aan de parkeernormen. Gelet op het feit dat het bezoekerspercentage veel hoger ligt dan de eigenlijke parkeerbehoefte van de functie, is het aangewezen om eerder op eigen terrein een afzetplaats te voorzien, dan langdurige parkeerplaatsen. Dit aangezien kinderen afzetten gepaard gaat met een kortstondige doch noodzakelijke parkeertijd. Dit weerspiegelt correct het verschil tussen de eerder grote kinderdagverblijven die nieuw gebouwd worden en die wel degelijk over voldoende parkeerplaatsen en een afzet- en ophaalzone moeten beschikken om zowel personeel als de ouders te kunnen opvangen. Er kan dus naargelang de context (perceel en omgeving) beroep gedaan worden op de afwijkingsregel mits uitvoerige motivering en bespreking met de stedelijke diensten.
Het aantal type supermarkten wordt in de bouwcode ten opzicht van de CROW-normen gereduceerd tot drie. Dit wordt bepaald op basis van de vloeroppervlakte. Een kleine winkel trekt eerder buurtbewoners aan, terwijl een grotere winkel klanten aantrekt vanuit een groter gebied.
Bij grotere complexen is het aangewezen een duidelijk onderscheid te maken in de aanleg van parkeerplaatsen en stallingsplaatsen. Elke doelgroep heeft zijn specifieke eisen naar gebruik. Zo dienen parkeerplaatsen voor bezoekers liefst zo vlot mogelijk bereikbaar te zijn.
2° Werkelijke parkeerbehoefte
Het uitgangspunt is dat de werkelijke parkeerbehoefte gelijk is aan de theoretische parkeerbehoefte zoals bepaald onder artikel 30, §2, 1°.
De vergunningverlenende overheid kan echter - op eigen initiatief of naar aanleiding van een gemotiveerd verzoek van de aanvrager - op gemotiveerde wijze een afwijking toestaan op de theoretische parkeerbehoefte.
Ingeval het verzoek van de aanvrager uitgaat, wordt aan zijn aanvraag een toelichtende nota toegevoegd waarin zijn verzoek tot afwijking wordt onderbouwd met voldoende en valabele elementen gericht op mobiliteit.
De vastgestelde parkeerbehoefte, na toepassing van de eventuele afwijkingen die door de vergunningverlenende overheid worden aanvaard, is de werkelijke parkeerbehoefte.
Een afwijking op de theoretische parkeerbehoefte is mogelijk onder meer omwille van volgende redenen:
Bij grootschalige projecten kan er bijkomend onderzoek naar de parkeernoodzaak en verkeers(over)last noodzakelijk zijn. We wensen hierbij steeds te streven naar een ruime waaier aan vervoersmogelijkheden die tezelfdertijd het zuinig ruimtegebruik faciliteren. Op basis van een toelichtende nota met voldoende elementen naar mobiliteit is een afwijking van het vooropgestelde aantal mogelijk.. Het kader voor de mobiliteitselementen van de toelichtende nota wordt gevormd door het richtlijnenboek mobiliteitseffectenstudies van de Vlaamse overheid en het standaardsjabloon mobiliteitstoets. Beiden kunnen teruggevonden worden op: http://www.mobielvlaanderen.be/ vademecums/mober.php
Het kader voor een mobiliteitstoets wordt gevormd door het richtlijnenboek mobiliteitseffectenstudies van de Vlaamse overheid en het standaardsjabloon mobiliteitstoets. Beiden kunnen teruggevonden worden op: http://www.mobielvlaanderen.be/vademecums/mober.php
In een gemotiveerd verzoek worden naast het parkeren ook andere facetten van werknemers- en bezoekersverplaatsingen beschreven. Zo denken we aan het gebruik van het openbaar vervoer, autodelen, fietsdelen, etc. Dit gemotiveerd verzoek wordt bij voorkeur opgemaakt door mobiliteitsexperten.
Bij grootschalige projecten dient het aantal vervoersmogelijkheden zeer divers te zijn maar moet er tevens zuinig ruimtegebruik nagestreefd worden. Dit kan onder meer door het gedeeld gebruik van parkeerplaatsen tussen functies die naar mobiliteitsvraag complementair zijn (bv. De parking van een grote winkel kan in de avond en tijdens het weekend gebruikt worden als buurtparking voor de omwonenden.) Bij de uitwerking van de plannen en het projectprogramma dient best dergelijk gebruik meegenomen te worden aangezien er bepaalde infrastructurele voorwaarden in acht moeten genomen worden (bijvoorbeeld aparte ingang vanuit het openbaar domein, toegangssysteem, enzovoort). De aanvrager dient hierover dan ook een visie uit te werken.
Voor deze grootschalige projecten kan dan bijkomend afgeweken worden als:
3° Ontbrekende autostal- en autoparkeerplaatsen
a) Realisatie van de werkelijke parkeerbehoefte op eigen terrein als uitgangspunt
Met parkeren op eigen terrein wordt bedoeld; parkeerplaatsen die worden gerealiseerd binnen de projectgrens of op aangrenzend privaat domein. Een vlotte interne connectie over eigen terrein moet mogelijk zijn. Beroep doen op aanpalende bestaande parkeer- of stalplaatsen kan, zolang deze plaatsen niet reeds de invulling zijn van een andere bestaande parkeerbehoefte. Er moet sprake zijn van eigendomsrecht, huur- of andere tijdelijke overeenkomsten komen niet in aanmerking.
Indien uit de beoordeling van de stedenbouwkundige aanvraag blijkt dat de werkelijke parkeerbehoefte volledig kan worden gerealiseerd op eigen terrein, dienen alle autostal- en autoparkeerplaatsen verplicht te worden gerealiseerd op eigen terrein.
Indien zulks het geval is, is het aantal ontbrekende autostal- en autoparkeerplaatsen gelijk aan nul en zijn de stappen b) en c) niet van toepassing.
Indien realisatie van de vooropgestelde plaatsen slechts gedeeltelijk of helemaal niet mogelijk is, wordt het aantal ontbrekende autostal- en autoparkeerplaatsen bepaald als verschil tussen de werkelijke parkeerbehoefte en het aantal te realiseren nuttige autostal- en autoparkeerplaatsen.
Een parkeerplaats wordt als nuttig bestempeld indien ze voldoet aan artikel 30 §3 Inrichting.
b) Eerste berekening van het aantal ontbrekende autostalplaatsen en autoparkeerplaatsen
Indien de werkelijke parkeerbehoefte om aantoonbare redenen niet of onvolledig kan worden gerealiseerd op eigen terrein, kan naar aanleiding van een gemotiveerd verzoek van de aanvrager, door de vergunningverlenende overheid worden toegestaan dat de werkelijke parkeerbehoefte niet volledig wordt ingevuld.
Indien dergelijk gemotiveerd verzoek geen deel uitmaakt van het dossier, en de vergunningverlenende overheid niet voldoende elementen vindt in het dossier om alsnog te besluiten dat het onmogelijk is om de werkelijke parkeerbehoefte op eigen terrein te organiseren, zal de aanvrager de werkelijke parkeerbehoefte op eigen terrein moeten realiseren.
Enkele voorbeelden van stedenbouwkundige redenen waardoor (gedeeltelijke) realisatie op eigen terrein (potentieel) niet mogelijk is:
• perceelsbreedte smaller dan 8 meter;
• RUP, BPA of verkaveling legt een beperking van de parkeernorm op;
•de grootte en/of vorm van het perceel het gevraagde aantal parkeerplaatsen niet toelaat;
• voor gebouwen opgenomen in de inventaris van bouwkundig erfgoed of voor gebouwen in beschermde stads- en dorpszichten waarbij de erfgoedwaarde teniet zou worden gedaan indien parkeren op het perceel zou moeten gerealiseerd worden;
• de inrichting en/of het gebruik van de openbare ruimte dit niet toelaat, bijvoorbeeld wanneer het perceel gelegen is in voetgangersgebied.
Ingeval aangetoond wordt dat het niet mogelijk is om de werkelijke parkeerbehoefte volledig op eigen terrein in te vullen, zal de vergunningverlenende overheid het aantal ontbrekende autostalplaatsen en autoparkeerplaatsen vaststellen.
Het aantal ontbrekende autostalplaatsen en autoparkeerplaatsen is dan het verschil tussen de werkelijke parkeerbehoefte en het effectief aantal nuttige autostalplaatsen en autoparkeerplaatsen dat op eigen terrein zal worden gerealiseerd.
Een parkeerplaats wordt als nuttig bestempeld indien ze voldoet aan artikel 30 §3 Inrichting.
c) Eventuele bijstelling van het aantal ontbrekende autostalplaatsen en autoparkeerplaatsen
De vergunningverlenende overheid kan - op eigen initiatief mits motivering of naar aanleiding van een gemotiveerd verzoek van de aanvrager - het aantal ontbrekende autostalplaatsen en autoparkeerplaatsen bijstellen voor:
1. Eengezinswoningen
Voor een ééngezinswoning kan de ontbrekende plaats worden bijgesteld indien realisatie niet mogelijk is. Dit geldt tevens voor ééngezinswoningen die boven winkelpanden ingericht worden.
2. Bestaande gebouwen
Voor bestaande gebouwen kan het aantal ontbrekende plaatsen worden bijgesteld indien realisatie van de parkeerplaatsen slechts gedeeltelijk of helemaal niet mogelijk is. In dat geval wordt het aantal ontbrekende plaatsen bepaald als volgt;
Het aantal ontbrekende stal- en/of parkeerplaatsen wordt verminderd met het aantal plaatsen van de bestaande vergunde of vergund geachte toestand dat reeds afgewenteld werd op het openbaar domein.
Deze bijstelling kan worden toegestaan naar aanleiding van een gemotiveerd verzoek van de aanvrager met opgave van de nodige gegevens (aantal wooneenheden, (bruto vloer)oppervlaktes, aantal gebruikers,…) om de werkelijke parkeerbehoefte van de bestaande vergunde of vergund geachte toestand te kunnen berekenen. Tevens kan de vergunningverlenende overheid mits motivering deze toepassen.
d) Definitieve vaststelling van het aantal ontbrekende autostalplaatsen en autoparkeerplaatsen
Rekening houdende met het resultaat van de stappen a) tot en met c) zal de vergunningverlenende overheid in de stedenbouwkundige vergunning - naast de werkelijke parkeerbehoefte zoals bedoeld in artikel 30, §2, 2° - het definitief aantal ontbrekende autostalplaatsen en autoparkeerplaatsen vaststellen.
Financiële compensatieregeling
Indien de werkelijke parkeerbehoefte niet (volledig) wordt gerealiseerd op eigen terrein, moet er per ontbrekende autostalplaats of autoparkeerplaats zoals vastgesteld in artikel 30, §2, 3°, c) een financiële compensatie betaald worden.
Het doel van deze regeling is om ontwikkelingen die niet zelfvoorzienend kunnen zijn hun deel te laten bijdragen aan mobiliteits- en parkeerprojecten die vanuit de overheid opgezet zullen worden in Antwerpen.
Ten behoeve van schoolbesturen (leerplichtonderwijs) wordt een eenvoudig sjabloon of een eenvoudige rekentool beschikbaar gesteld via de stedelijke website, die toelaat op eenvoudige wijze de elementen te inventariseren die een afwijking op de toepasselijke parkeernorm onderbouwen.
§3 Inrichting
1° Een autostalplaats en een autoparkeerplaats dient bepaalde minimumdimensies te hebben die het beoogde gebruik en aantal (zoals bepaald in de tabel onder §2) garanderen. Bij de stedenbouwkundige vergunningsaanvraag dienen op het grondplan de autostalplaatsen en autoparkeerplaatsen met maatlijnen aangeduid te zijn, alsook het voorziene aantal en de toe leidende circulatieruimten.
Onderstaande maten zijn richtinggevend en beogen een goed gebruik van de autostallings- en/of autoparkeerplaatsen. Naargelang de intensiteit van gebruik en de functie waar deze stal- en/of parkeerplaatsen voor worden voorzien dient de aanvrager af te wegen of een grotere, of afwijkende, maatvoering wenselijk is.
Gelet op de stedelijke context en de soms beperkte ruimte kan afgeweken worden van onderstaande maatvoering indien er op een voldoende wijze aangetoond wordt dat de parkeerplaatsen bruikbaar zijn. Dit gebeurt in overleg met de stedelijke administratie die het voorstel naar bruikbaarheid beoordeelt.
Tevens kan de verhouding tussen rijweg (circulatieruimte) en stal- of parkeerplaats aangepast worden naargelang de ruimtelijke context. Bij een parking met een rijweg van 7,5 meter en haakse parkeervakken bijvoorbeeld zullen de parkeervakken minder breed moeten zijn dan bij de standaard rijweg van 6 meter breed. De aanvrager dient hierbij aan te tonen dat de draaicirkels tussen obstakels zoals steunpalen en andere mogelijk is.
Onbruikbare (krappe) parkeerplaatsen moeten vermeden worden aangezien deze zowel suboptimaal ruimtegebruik betekenen op de private kavels alsook een extra druk op het openbaar domein met zich meebrengen die net door parkeren op eigen terrein vermeden moet worden. Deze worden dan niet in rekening gebracht.
Bij parkings die bestemd zijn voor wonen mag een deel van de parkeerbehoefte gerealiseerd worden als achterliggende parkeerplaatsen. Hierbij moet minimum 1 parkeerplaats per wooneenheid steeds bereikbaar zijn. De overige parkeerplaatsen mogen dan achterliggend zijn.
Voor andere functies dan wonen is dit niet toegelaten.
Bij parkings met een hoge parkeerfrequentie zoals bij grootwarenhuizen, rotatieparkings, enzovoort, wordt aangeraden om voldoende aandacht te besteden aan een veilige circulatiestroom voor het voetgangersverkeer. Deze is bij voorkeur gescheiden van de circulatieruimte voor wagens en/of minstens voorzien van een duidelijke markeringen en signalisatie.
|
Type |
Lengte |
Breedte |
Hoekplaatsen |
|
Evenwijdig met de rijrichting |
5,50 m |
2,20 m |
6 m lengte |
|
30° met de rijrichting |
4,20 m |
2,50 m |
2,80 m breedte |
|
45° met de rijrichting |
4,85 m |
2,50 m |
2,80 m breedte |
|
60° met de rijrichting |
5,15 m |
2,50 m |
2,80 m breedte |
|
90° met de rijrichting |
5,00 m |
2,50 m (bruto) |
2,80 m breedte |
Wanneer echter een hoge turnover gewenst is (bijvoorbeeld bij een Kiss&Ride) dient de tussenafstand 3,50 meter te zijn voor haakse vakken.
Voor parkeerplaatsen voor personen met een handicap geldt de maatvoering en richtlijnen uit het Vademecum Duurzaam Parkeerbeleid.
Om te garanderen dat parkeerplaatsen effectief gebruikt worden voor het parkeren en/of stallen van wagens worden garageboxen niet toegelaten in collectieve parkeervoorzieningen (bijvoorbeeld parking onder een appartementsgebouw, kantoorgebouw,…). In de praktijk worden garageboxen vaak gebruikt als bergplaats in plaats van een parkeerplaats voor de wagen. Dit moet in de toekomst vermeden worden.
Afbeelding 1 (zie bijlage)
2° Het stallen en parkeren van auto’s (naar aanvragen bepaald in Artikel 30, §1 en naar aantal bepaald in Artikel 30, §2 is toegelaten op volgende wijzen:
Parkeren in openlucht dient oordeelkundig ingetekend te worden. Onderstaande richtlijnen dienen in acht genomen te worden bij de uitwerking.
De stad hecht belang aan een duurzame waterhuishouding en een vermindering van de stedelijke opwarming. Water- en hitteproblematieken komen dan ook vaak voor door de grote bodemafdichting door weginfrastructuur en parkeerfaciliteiten. Daarom zijn zowel groene invulling als waterdoorlatende materialen te verkiezen bij het ontwerp van de open ruimte. Om verkoeling te stimuleren tijdens de zomermaanden raadt de stad ook aan om lichte materialen met een energetische reflectiefactor groter of gelijk aan 30% te gebruiken. Ook wordt er best minimaal één plantenstrook toegevoegd tussen elke cluster van 10 parkeerplaatsen. Omwille van de schaduw en afkoeling worden deze best ingericht met heesters of bomen van eerste grootteorde.
3° De in- en uitritten van en naar de garage moeten bij voorkeur inpandig worden geconcipieerd. De eerste 5 meter ervan, vanaf de openbare weg, mag maximaal een helling hebben van 4%.
Voor inritten wordt een maximum hellingspercentage opgelegd voor de laatste meters aan het voetpad zodat een omhoog rijdende auto niet te snel komt afgereden op het voetpad en de veiligheid van voorbijgangers gerespecteerd wordt. Parkeerliften zijn een duurdere uitvoeringswijze maar kunnen dit probleem van hellingspercentages vaak oplossen.
4° Bij grootschalige projecten, anders dan wonen, moet er minstens één voetgangerstoegang tot de parking rechtstreeks vanaf het openbaar domein bereikbaar zijn.
Door de parking niet alleen via de collectieve delen te ontsluiten maar door eveneens een autonome toegang te voorzien die vlot bereikbaar is vanaf de openbare weg, wordt het ook mogelijk om de parking als buurtparking te laten functioneren.
5° Per 10 autostalplaatsen dient er telkens één elektriciteitsvoorziening voorzien te worden ten behoeve van elektrische oplaadpunten voor wagens.
Voor grote projecten moeten de bijhorende infrastructurele voorzieningen kunnen meegroeien met het aantal gebruikers van elektrische wagens. Dit kan een impact hebben op de dimensionering van het tellerlokaal.
6° Het voorzien van stallingsmogelijkheid op een verharde zone in de voor-, zij- of achtertuin kan worden toegestaan mits deze het begroende karakter van deze zones ondersteunt. De aanvrager dient hiervoor een kwalitatief uitgewerkt voorstel voor te leggen.
In bepaalde projecten kan het een voordeel zijn om geen inpandige parkeerplaats te voorzien om zo meer nuttige leefruimte en dusdanig leefkwaliteit te bekomen binnen de woning. Bijkomend kan hierdoor mogelijks ook een meer levendige gevel bekomen worden aangezien er geen garagepoort voorzien moet worden. De wagen kan dan in een groen kader gestald worden, rekening houdende met de bepalingen van art. 27 Open ruimte.
In bepaalde gevallen, zoals straten zonder parkeerstrook, kan parkeren op eigen terrein als afwijking worden overwogen voor perceelsbreedten van minder dan 8 meter. Hierbij dient de aanvraag uitgebreid aan te geven hoe het groene karakter van de voortuin behouden blijft. Een detailintekening van groene zones en verharde zones, alsook materiaalgebruik en beplantingskeuze dient gespecifieerd te worden.
De verharding in de stroken rondom het gebouw dienen tot een minimum beperkt te worden en moeten maximaal gebundeld worden. Zo kan een verharde stallingsplaats in een voortuin deels breder aangelegd worden om ook de toegang naar een voordeur of achtertuin te accommoderen. Zo vermijden we verdere versnippering van de groene ruimte rondom een gebouw.
Eveneens is het noodzakelijk rekening te houden met eventuele opritten van aanpalende percelen, en deze te bundelen met de eigen oprit, zodat door een optimale bundeling een minimum aantal aan parkeerplaatsen op het openbaar domein verloren gaat
Tot slot moet rekening worden gehouden met waardevolle beplanting (zoals bomen) en vaste inrichtingen op het openbaar domein, zoals elektriciteitscabines, bushokjes, edm .
Onderstaande weergave van artikel 27 zal in de plaats komen van het bestaande artikel 27 dat geschrapt wordt:
Artikel 27: Open ruimte
§1 Bij nieuwbouw, herbouw, bij functiewijziging of bij toename van de bebouwde grondoppervlakte moet minimaal 20% van de oppervlakte van het perceel op het niveau van het maaiveld onbebouwd zijn. Deze 20% dient zich te bevinden in de zone voor zij-, achtertuinen en binnenplaatsen. De oppervlakte van de voortuin wordt niet in rekening gebracht, noch voor de onbebouwde ruimte, noch voor de oppervlakte van het perceel. De gezamenlijke bruto-oppervlakte van constructies in de tuin telt mee als bebouwde oppervlakte, voor zover dit meer is dan 10 vierkante meter. Het is mogelijk minder dan 20% van het perceel onbebouwd te laten indien het perceel in het kernwinkelgebied gelegen is en geen woonbestemming heeft op het gelijkvloers.
Open binnengebieden zijn zeer belangrijk voor de woon- en leefkwaliteit binnen een bouwblok en voor de ecologische kwaliteiten van een wijk. Open binnengebieden brengen niet enkel licht en lucht in de aangrenzende bebouwing, zij zorgen ook voor speelruimte, voor infiltratiemogelijkheden van het regenwater en voor een afkoeling van de stadslucht in tegenstelling tot bebouwde oppervlakten en wegen. Daarom stelt de bouwcode voorop dat een deel van het perceel, minstens 20%, achteraan de bebouwing open en onbebouwd blijft. De formule om dit te berekenen is: “oppervlakte tuin / (oppervlakte perceel – oppervlakte voortuin) > 20%”
De gevraagde 20% open ruimte per perceel geldt als een strikt minimum. In vele gevallen zal een groter percentage wenselijk en haalbaar zijn. Bij nieuwbouw, functiewijziging of volume-uitbreiding dient 20% van het perceel open en onbebouwd te zijn, zelfs al is deze in de bestaande toestand wel bebouwd.
In specifieke gevallen is het niet mogelijk om aan deze voorwaarde te voldoen, zoals bij kleinere hoekpercelen, minder dan 20 meter diep aan beide straatkanten. Een afwijkingsmogelijkheid via Artikel 3 behoort tot de mogelijkheden.
Dit artikel is zoals vermeld van toepassing bij functiewijzigingen. Afwijkingen hierop zijn mogelijk indien duidelijk kan aangetoond worden dat met een kleinere open ruimte dan de voorgeschreven 20% een grotere maatschappelijke meerwaarde en herwaardering wordt bereikt.
§2 De tuin moet zoveel mogelijk als onverharde ruimte ingericht worden en als groene ruimte aangeplant worden.
Aangezien de stad al zeer dicht bebouwd is, dienen de onbebouwde delen van een perceel, de tuin, hun groen karakter zo veel mogelijk te behouden. De bouwcode ondersteunt de zo natuurlijk mogelijke inrichting van de niet-bebouwde delen van een perceel. Dit heeft immers verschillende voordelen. Een groene tuin heeft een aangenamer uitzicht in de straat of binnen in een bouwblok en bevordert daarom de leefkwaliteit van bewoners en omwonenden. Door de tuin niet te bebouwen of te verharden blijft een deel beschikbaar voor natuurlijke infiltratie van regenwater in de bodem, zodat de openbare riolering minder belast wordt en het risico op problemen met de waterhuishouding vermindert. Bovendien is elke tuin, hoe klein ook, een natuurlijke oase in de bebouwing voor vogels, insecten,… en zorgt ze ervoor dat de opwarming van de stedelijke omgeving licht verminderd wordt.
§3 Verhardingen zoals een terras, een autostalplaats of een tuinhuis zijn in zij- en achtertuinen beperkt toegestaan, met een maximum van:
§4 Voortuinen zijn vrij van constructies met uitzondering van tuinafsluitingen, brievenbussen.
Enkel de strikt noodzakelijke verhardingen zijn toegelaten:
1° paden, palend aan de bebouwing en toegangspaden met een maximumbreedte van 1,50 meter
2° opritten naar een garage, carport of autostaanplaatsen met een maximumbreedte van 3 meter per autostaanplaats.
De bouwcode beschouwt de voortuin als een volwaardig deel van de tuin omwille van een aantal redenen. Een groene voortuin heeft een aangenamer uitzicht in de straat of binnen in een bouwblok en bevordert daarom de leefkwaliteit van bewoners en omwonenden. Door de tuin niet te bebouwen of te verharden blijft een deel beschikbaar voor natuurlijke infiltratie van regenwater in de bodem, zodat de openbare riolering minder belast wordt en het risico op problemen met de waterhuishouding vermindert. Bovendien is elke tuin, hoe klein ook een natuurlijke oase in de bebouwing voor vogels, insecten,… en zorgt ze ervoor dat de opwarming van de stedelijke omgeving licht verminderd wordt.
Uiteraard is het dan ook niet toegelaten dat de voortuinstrook gebruikt of ingericht wordt voor o.a. het opslaan van gebruikte of afgedankte voertuigen, van allerhande materialen of afval, het plaatsen van één of meer verplaatsbare inrichtingen die voor bewoning kunnen worden gebruikt of het oprichten van bergplaatsen en andere constructies.
De verharding in de stroken rondom het gebouw dienen tot een minimum beperkt te worden en moeten maximaal gebundeld worden. Zo kan een verharde stallingsplaats in een voortuin deels breder aangelegd worden om ook de toegang naar een voordeur of achtertuin te accommoderen. Zo vermijden we verdere versnippering van de groene ruimte rondom een gebouw.
Eveneens is het noodzakelijk rekening te houden met eventuele opritten van aanpalende percelen, en deze te bundelen met de eigen oprit, zodat door een optimale bundeling een minimum aantal aan parkeerplaatsen op het openbaar domein verloren gaat
Tot slot moet rekening worden gehouden met waardevolle beplanting (zoals bomen) en vaste inrichtingen op het openbaar domein, zoals elektriciteitscabines, bushokjes, edm .
Voor historisch gegroeide handelszaken of industriële panden zal in functie van het referentiebeeld bepaald worden in welke mate de voortuinstrook “verhard” al dan niet “vergroend” moet worden.
Timing
Na de definitieve vaststelling van de nieuwe artikels door de gemeenteraad zullen deze aan de deputatie ter goedkeuring toegezonden worden. Eind december 2017 wordt een beslissing verwacht. Dat wil zeggen dat bij een positief besluit de nieuwe artikels vanaf januari 2018 van kracht zouden kunnen zijn.
De Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (VCRO), in het bijzonder de artikelen 2.3.1. en volgende leggen de procedure vast voor de opmaak van stedenbouwkundige verordeningen.
Op 28 april 2014 (jaarnummer 377) stelde de gemeenteraad de stedenbouwkundige verordening 'Bouwcode' definitief vast en op 29 september 2014 keurde de deputatie de verordening goed.
Op 10 november 2016 (jaarnummer 9865) keurde het college de beleidsrichtlijn parkeren goed.
Op 28 april 2017 (jaarnummer 3974) keurde het college de gedeeltelijke herziening van de stedenbouwkundige verordening ‘Bouwcode’ goed. Deze herziening wordt beperkt tot artikel 30 maar doet ook uitspraken over artikel 27.
Het college gaf hierbij de opdracht om adviezen in te winnen van de gewestelijk stedenbouwkundige ambtenaar en de gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening (GECORO). Deze adviezen werden ontvangen op respectievelijk 15 mei 2017 en 14 juni 2017.
Art. 2.3.2. §2 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening zegt dat het college gemeentelijke stedenbouwkundige verordeningen opmaakt en hiervoor de nodige maatregelen neemt.
Het advies van de gewestelijk stedenbouwkundige ambtenaar stelde dat er geen strijdigheden zijn met gewestelijke stedenbouwkundige verordeningen of andere wetgeving. Het artikel behoeft op basis van dit advies geen aanpassingen.
De ontwerptekst herziening van de bouwcode, mbt artikel 30 wordt gedeeltelijk aangepast op basis van het advies van de gemeentelijke commissie van ruimtelijke ordening (GECORO) van 14 juni 2017:
Algemeen: Het college bevestigt de visie van GECORO dat er nood is aan een toekomstgerichte visie. Evenwel tonen de cijfers aan dat het autobezit in Antwerpen blijft stijgen en dat de parkeerbehoefte een realistisch gegeven is dat vandaag een plaats moet krijgen binnen de stad. Daarnaast, en gelijktijdig, werkt de stad stapsgewijs aan de noodzakelijke investeringen in het openbaar vervoer en fiets- en voetgangersinfrastructuur. Er is een overgangsperiode nodig vooraleer de gewenste modal shift ook effectief bereikt kan worden.
De CROW-normen dd 2011 leunen meer aan bij de Belgische situatie in 2017 dan de CROW-normen dd 2014. Vermits de herziening van de bouwcode een eenvoudige procedure vereist, kan een aanpassing van de CROW normen op een later ogenblik ook doorgevoerd worden, wanneer de behoefte in Antwerpen zou afnemen.
Dat de bouwcode ook inspeelt op toekomstige evoluties, wordt concreet duidelijk dmv aanpassing voorschrift elektrische mobiliteit.
Afwijkingsmogelijkheden en vrijstellingen: Het college gaat akkoord met het voorstel van GECORO om afwijkingen te overwegen bij het voorzien van gedeeld gebruik van parkeerplaatsen (of buurtparkeren). Ook wordt de directe nabijheid van een openbaarvervoersknooppunt meegenomen in de overwegingen.
Eengezinswoningen waarvoor realisatie van parkeerplaatsen niet mogelijk is (bv met minder dan 8m gevelbreedte) waren reeds vrijgesteld in de ontwerptekst. Maar beschermde gebouwen en gebouwen in voetgangerszone zijn dit niet. De suggestie van GECORO om garageboxen toch toe te laten in collectieve parkeervoorzieningen (om bv fietsen te kunnen stallen). De reglementering betreffende het stallen van fietsen wordt reeds voorzien in artikel 29. Het feitelijk gebruik van garageboxen is daarenboven niet te handhaven. Tot slot ondergraaft het willekeurige gebruik van garagebox het poetprincipe omdat hierdoor de gewenste stallingscapaciteit niet wordt gerealiseerd.
Elektrische en hybride mobiliteit: Het college is akkoord met de suggestie van GECORO om elektrische oplaadpunten te voorzien, inclusief verdere bouwkundige impact (tellerlokaal, voedingen, ..).
Bouwen in voortuinstrook: Dit aspect zal in artikel 27 worden opgenomen. De situatie van straten en uitritten is in Antwerpen zeer gedifferentieerd. Deze situatie moet bekeken worden vanuit de historiek en specifieke context van een wijk. Daarom zal het college de mogelijkheid hebben om dit op sommige plaatsen wel toe te laten.
Technische opmerkingen: deze zijn verwerkt in de aangepaste tekst.
Aangezien de opbouw en formulering van de ontwerptekst tot een aantal interpretatiefouten zouden kunnen leiden, is de aangepaste tekst opnieuw gestructureerd en geherformuleerd, naar een meer leesbare en eenduidige tekst.
De gemeenteraad keurt bij monde van de fractievoorzitters volgend besluit goed.
Stemden ja: N-VA, Vlaams Belang, CD&V en Open VLD.
Stemden nee: sp.a en Groen.
Hebben zich onthouden: PVDA+
De gemeenteraad stelt de herziening van de artikels 30 en 27 van de gemeentelijke stedenbouwkundige verordening 'Bouwcode' definitief vast.