Nee
Artikel 4.7.12. van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening stelt dat het college bevoegd is om de beslissing te nemen over een aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning.
| Aanvragers: | ANTWERP DRY DOCKS |
| De aanvraag omvat: | slopen van bebouwing en installaties op de site Antwerp Dry Docks |
| Dossiernummer: | HVN/B/20161293 |
Voorafgaand aan zijn beslissing neemt het college conform artikel 4.7.17 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening kennis van het verslag van de gemeentelijk stedenbouwkundig ambtenaar dat als bijlage bij dit besluit is gevoegd.
Op 18 juli 2016 heeft het Agentschap Onroerend Erfgoed Vlaanderen een advies verleend inzake de aanvraag. Dit advies is ongunstig.
“De sloop is niet wenselijk in het licht van de doelstellingen of zorgplichten binnen andere beleidsvelden dan ruimtelijke ordening (art. 4.3.4. VCRO); in dit geval betekent dit de integratie van onroerend erfgoed in de ruimtelijke ontwikkelingen. Het advies op deze aanvraag tot sloop is bijgevolg ongunstig.
Dit advies is niet bindend. Toch dient de vergunningverlenende overheid dit advies af te wegen ten aanzien van haar lokaal erfgoedbeleid en dit mee te nemen in de volledige beoordeling van deze sloopaanvraag met zijn verschillende maatschappelijke en ruimtelijke aspecten, zoals omschreven in bovenvermeld artikel 4.3.1. §2, 1° . Als de gemeente dient af te wijken van dit advies dient zij dit uitdrukkelijk te motiveren.”
In dit verband moet worden gewezen op de grote aandacht die de aanvrager op heden al heeft besteed aan de mogelijke erfgoedwaarde van de site, onder meer door een zeer uitgebreid en gedetailleerd bouwhistorisch onderzoek uit te voeren.
Het college neemt akte van de motieven van het advies en heeft voor sommige van de motieven wel begrip, zonder ze zich eigen te willen maken. Het is van belang te onderstrepen dat de site noch onderdelen ervan zijn beschermd als monument. Bovendien is de site niet voor het publiek toegankelijk. Zonder afbreuk te willen doen aan de mogelijke erfgoedwaarden, meent het college dat de sloop van een beperkt aantal gebouwen, toch ruimtelijk aanvaardbaar is, onder een aantal voorwaarden waarbij een aantal onderdelen van de beschreven gebouwen met zekere erfgoedwaarde zeker en vast dienen te worden ontmanteld, bewaard en elders op de site worden aangewend.
Ook in het verslag GSA wordt wat betreft de erfgoedwaarde van de gebouwen het volgende gesteld :
“Deze gebouwen zijn niet mee opgenomen in de vastgestelde inventaris van het bouwkundig erfgoed, maar uit de aan de aanvraag toegevoegde cultuur historische studie blijkt dat veel meer gebouwen en relicten op de site aanwezig zijn die een belangrijke industrieel - archeologische waarde hebben dan diegene die opgenomen zijn in de vastgestelde inventaris. De aanvrager haalt als reden tot sloop de slechte toestand van de totale infrastructuur en gebouwen aan, waarbij niet meer kan worden voldaan aan de huidige wetgeving omtrent veiligheid, brandvoorkoming, milieuaspecten,… Ook zou de inplanting van de huidige gebouwen de circulatie op het terrein niet ten goede komen. Na sloop wordt het terrein heringericht, maar blijft de hoofdactiviteit het herstellen van schepen. De nieuwe gebouwen zijn in de aanvraag voorgesteld in het ‘masterplan’ maar maken geen deel uit van de huidige aanvraag. Voorliggende aanvraag betreft enkel de afbraakwerken.”
Het college overweegt dat er blijkbaar geen enkele reden voorhanden was om de site of de daarop aanwezige constructies als monument te beschermen. Dat bepaalde constructies of relicten een zekere erfgoedwaarde hebben, wil het college zeker niet uitsluiten. Echter is de site vandaag niet toegankelijk voor publiek en kunnen voorwaarden opgelegd worden inzake de ontmanteling, de bewaring en het opnieuw aanwenden van bepaalde onderdelen. Bovendien zijn er, gelet op de Brownfieldconvenant en gelet op de nood van de Antwerpse Haven te beschikken over een moderne scheepswerf die aan alle actuele noden kan voldoen, ook redenen van groot economisch belang om alsnog de sloop van de in rood aangeduide constructies te vergunnen, zij het onder de hierna bepaalde voorwaarden zoals het zorgvuldig ontmantelen, bewaren en ergens op de site aan te wenden waardevolle spanten.
Bovendien verwijst het college naar het uitgebreide engagement dat de aanvrager inzake erfgoed heeft genomen. Hieruit blijkt (net zoals uit de inspanning om een uitgebreid en gedetailleerd bouwhistorisch onderzoek te laten opmaken) de grote en oprechte bezorgdheid van de aanvrager voor eventuele erfgoedwaarden. De aanvrager zal bepaalde stukken zorgvuldig bewaren en zelfs doneren aan het MAS.
De Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en zijn uitvoeringsbesluiten.
Het college trekt het besluit van 2 september 2016 met jaarnummer 7737 in.
In principe moet, gelet op artikel 14 Brownfieldconvenantendecreet en artikel 2.2. van het Brownfieldconvenant, de aanvraag worden ingediend en behandeld binnen de bijzondere vergunningsprocedure. In beginsel is het college van burgemeester en schepenen hiervoor niet bevoegd. Echter lijken er bijzondere feitelijke en contractuele omstandigheden voorhanden te zijn die in dit concrete geval verantwoorden dat de aanvraag, waarvan het voorwerp door de aanvrager wordt beperkt tot de sloop van die gebouwen die momenteel een hindernis en risicovormen voor de actuele exploitatie op de scheepswerf.
Het college van burgemeester en schepenen heeft zich ten aanzien van de actoren in het Brownfieldconvenant geëngageerd constructief en proactief mee te werken en vergunningsaanvragen te faciliteren. Omdat het vandaag niet meer mogelijk is het dossier op grond van artikel 4.7.2. §1 VCRO door te sturen naar het bevoegde vergunningverlenende bestuursorgaan, omdat het voorwerp van de aanvraag wordt beperkt, omdat de aanvraag slechts het slopen van enkele oude en vaak verloederde constructies betreft, omdat de stad er zich toe verbonden heeft de aanvragen van de actoren te benaarstigen en te faciliteren, opdat de aanvrager in de uitvoering deze noodzakelijke werken geen vertraging zou oplopen, kan in alle redelijkheid vandaag worden geoordeeld dat het college van burgemeester en schepenen bevoegd is om kennis te nemen van de beperkte vergunningsaanvraag en hierover te oordelen.
Om bovenvermelde redenen kan de vergunning voor de (intussen beperkte) aanvraag worden verleend mits een aantal voorwaarden ter vrijwaring van bepaalde erfgoedwaarden, zoals hierna bepaald.
Wat betreft de elektriciteitscentrale, inclusief de nog aanwezige installatie (16) wordt de volgende voorwaarde opgelegd: het materiaal en de installaties in het gebouw dienen te worden herbruikt op een andere locatie.
Wat betreft de ketelmakerij en smederij met uitbreidingen (26a + 26b) wordt de volgende voorwaarde opgelegd: de waardevolle spanten dienen zorgvuldig te worden ontmanteld, bewaard en opnieuw te worden aangewend op de site.
Wat betreft de timmerij met monumentale schermgevel (29, 31, 32, 34) wordt de volgende voorwaarde opgelegd: het shed-dak, de waardevolle spanten en de frontsteen “Timmerij” te bewaren en eveneens aan te wenden op de site.
Géén vergunning wordt verleend voor het slopen van: